ECLI:NL:RBDHA:2026:17679

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
NL26.33338
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 Vreemdelingenwet 2000Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 5 lid 2 ScreeningsverordeningArt. 2 OpvangrichtlijnArt. 5, 6 en 8 Screeningsverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige vrijheidsontneming in grensdetentie wegens ontbreken rechtsgeldige ondertekening

Eiser, een Palestijnse vreemdeling met Grieks verblijfsdocument, werd op 12 juni 2026 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd in het kader van de grensprocedure asiel. De rechtbank oordeelt dat het bestaan van zicht op uitzetting geen vereiste is voor het opleggen van deze maatregel. Verweerder heeft de maatregel op 20 juni 2026 opgeheven, na het nader gehoor.

De rechtbank constateert echter dat de maatregel in het digitale dossier niet is ondertekend en dat verweerder geen bewijs heeft geleverd van een fysiek ondertekend exemplaar dat aan eiser is uitgereikt. Dit is een ernstig gebrek, waardoor de vrijheidsontneming vanaf het begin onrechtmatig is geweest.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond en veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding van €1.080 voor negen dagen onrechtmatige detentie. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond wegens onrechtmatige vrijheidsontneming en kent een schadevergoeding van €1.080 toe.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.33338

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A.A. Ubbergen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, verweerder,

(gemachtigde: mr. P. Loijenga).

Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Op 15 juni 2026 heeft verweerder de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
Op 20 juni 2026 heeft verweerder de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 te Pro willen indienen, met inbegrip van de vreemdeling op wie artikel 5, tweede lid, van de Screeningsverordening van toepassing is, zolang hij wordt aangemerkt als verzoeker in de zin van artikel 2, aanhef en onder 2, van de Opvangrichtlijn, worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, onderscheidenlijk in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 5, 6 en 8, eerste en derde lid, van de Screeningsverordening. Artikel 59b, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.
2.1
Eiser stelt zich op het standpunt dat van meet af aan geen zicht was op uitzetting en dat de vrijheidsontneming eerder opgeheven had kunnen worden. Eiser heeft de Palestijnse nationaliteit en beschikt over een Grieks verblijfsdocument. Reeds bij aanvang van de vrijheidsontneming was duidelijk dat de asielaanvraag niet binnen de grensprocedure kon worden afgehandeld.
2.2
De rechtbank overweegt dat het bestaan van zicht op uitzetting geen voorwaarde is om een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw te mogen opleggen. Voor het mogen opleggen van deze maatregel is alleen vereist dat eiser aan de grens asiel heeft aangevraagd en dat deze aanvraag in de grensprocedure wordt afgedaan.
2.3
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [1] (de Afdeling) volgt verder dat verweerder enige tijd moet worden gegund om te beoordelen of de asielaanvraag inderdaad in de grensprocedure kan worden afgedaan, ook in het geval van een goed gedocumenteerde vreemdeling of een waarschijnlijk inwilligbaar verzoek. Deze beslissing wordt in beginsel genomen na het nader gehoor, omdat dan alle relevante feiten bekend zijn, of onder omstandigheden al na het aanmeldgehoor. In dit geval is de maatregel de dag na het nader gehoor opgeheven. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel al eerder dan op 20 juni 2026 had moeten worden opgeheven of in het geheel niet mocht worden opgelegd. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de rechter in een procedure over de rechtmatigheid van de grensdetentie in beginsel niet mag treden in de toetsing of beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit in de asielprocedure.
3.1
Ambtshalve toetsend stelt de rechtbank vast dat de in het digitale dossier opgenomen maatregel niet is ondertekend. Verweerder heeft hierover desgevraagd op zitting verklaard dat op het moment van oplegging op 12 juni 2026 sprake was van een storing in de systemen waardoor de elektronische ondertekening niet mogelijk was. Wel zou aan eiser voorafgaand aan de oplegging van de maatregel een exemplaar van de maatregel met een
een fysieke ("natte") handtekening zijn uitgereikt. Dit stuk is niet opgenomen in het dossier.
3.2
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [2] volgt dat een rechtsgeldige maatregel van bewaring (of een vrijheidsontnemende maatregel als waarvan in dit geval sprake is) pas tot stand komt als deze is gedagtekend, ondertekend en met redenen is omkleed [3] . Verweerder is verplicht om in de stukken die hij in de beroepsprocedure overlegt aan de rechtbank alle relevante stukken op te nemen. In dit geval had hij dus ook een stuk over moeten leggen waaruit blijkt dat voorafgaande aan de vrijheidsontneming aan de vreemdeling een exemplaar van de maatregel is uitgereikt dat is voorzien van een fysieke handtekening. Dat kan bijvoorbeeld door een scan van de daadwerkelijk uitgereikte maatregel in het dossier op te nemen of op een andere manier aan te tonen dat en op welk tijdstip een met een fysieke handtekening ondertekende maatregel aan de vreemdeling is uitgereikt.
3.3
Omdat verweerder geen ondertekend exemplaar heeft overgelegd en hij daarvoor gelet op het tijdsverloop voldoende gelegenheid heeft gehad, moet ervan worden uitgegaan dat er geen rechtsgeldig besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel tot stand is gekomen. Omdat het gaat om vrijheidsontneming is dit een ernstig gebrek. Voor een afweging van de met de bewaring gediende belangen in relatie tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen is in het onderhavige geval dan ook geen ruimte [4] . Dit betekent dat de vrijheidsontneming van aanvang af onrechtmatig is geweest. Het beroep is daarom gegrond.
4. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 9 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 9 x € 120,-- (verblijf detentiecentrum) = € 1.080,--.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.080,--, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2023:4014.
2.Bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2018:3767.
3.Zie hiervoor artikel 5.10 van het Vreemdelingenbesluit.