ECLI:NL:RBDHA:2026:17683

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
NL26.16142 en NL26.16143
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 HandvestArt. 3 EVRMArt. 8:54 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Kroatië

Eiser, van Afghaanse nationaliteit, verzet zich tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling. Eiser stelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet kan worden gevolgd vanwege ernstige tekortkomingen in Kroatië, waaronder slechte opvang, detentieomstandigheden, dwang bij het afnemen van vingerafdrukken en ontoereikende rechtsbijstand.

De rechtbank overweegt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel inhoudt dat Nederland mag vertrouwen op de naleving van internationale verplichtingen door Kroatië, tenzij eiser aannemelijk maakt dat dit niet het geval is. Eiser heeft zijn stellingen onvoldoende onderbouwd met persoonlijke stukken en heeft niet aangetoond dat klagen bij Kroatische autoriteiten onmogelijk of zinloos was.

De rechtbank concludeert dat het beroep kennelijk ongegrond is en verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter J. Holleman en griffier M. Ramdihal.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.16142 en NL26.16143
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. S.H. van Wingerden),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 23 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Afghaanse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 2002 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser stelt allereerst dat het oordeel van de Afdeling [2] dat ten aanzien van Kroatië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet kan worden gevolgd. De Afdeling heeft haar oordeel immers gebaseerd op de antwoorden van de Kroatische autoriteiten zelf. Volgens eiser kan dit niet aangemerkt worden als een objectieve en onafhankelijke bron en is de situatie in Kroatië sindsdien gewijzigd. Volgens eiser is er nog steeds sprake van ernstige tekortkomingen in de opvang, rechtsbijstand, detentieomstandigheden en tolkvoorzieningen. Eiser kreeg in Kroatië geen opvang nadat hij eerder door de Nederlandse autoriteiten was overgedragen aan Kroatië. Daarnaast stelt eiser dat de Kroatische autoriteiten onder dwang zijn vingerafdrukken heeft afgenomen. Tot slot verwijst eiser naar het AIDA-rapport (update 2024), waaruit volgens eiser blijkt dat het indienen van een asielaanvraag allerminst vanzelfsprekend is, vanwege het verschil tussen het aantal personen dat de intentie heeft geuit om internationale bescherming aan te vragen en het aantal daadwerkelijk ingediende asielaanvragen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. In Dublinzaken geldt het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat verweerder er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval niet mogelijk is. Dit laat onverlet dat verweerder uit eigen beweging ook rekening moet houden met relevante en objectieve informatie over Kroatië. Hij mag een vreemdeling niet overdragen als hij niet onkundig kan zijn van de omstandigheid dat er structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen zijn waardoor een vreemdeling een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest. [3]
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat voor Kroatië mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit uitgangspunt is meermaals door de Afdeling bevestigd, onder andere in haar uitspraken van 9 oktober 2024 [4] , 6 maart 2025 [5] en op 20 augustus 2025. [6] Daarnaast heeft de Afdeling bij de hiervoor aangehaalde uitspraak van 9 oktober 2024 onder meer het AIDA-rapport van 10 juli 2024, update 2023, betrokken. Naar oordeel van de rechtbank geeft het AIDA-rapport, update 2024, geen wezenlijk ander beeld dan het eerdere AIDA-rapport.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat eiser met zijn verklaring over wat hij zelf in Kroatië heeft meegemaakt niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM [7]
strijdige behandeling of dat er structurele tekortkomingen zijn in de asielprocedure in Kroatië. Eiser heeft weliswaar in zijn beroepsgronden gesteld dat hij door de Kroatische autoriteiten slecht is behandeld en dat hij gedwongen werd om zijn vingerafdrukken af te geven, maar eiser heeft dit niet onderbouwd met stukken die eiser persoonlijk betreffen. Dit is onvoldoende om tot het oordeel te leiden dat Kroatië zich ten opzichte van eiser niet aan zijn internationale verplichtingen houdt. Daarnaast heeft eiser niet verklaard dat hij heeft geprobeerd om over zijn situatie te klagen bij de Kroatische autoriteiten om zo zijn situatie te verbeteren. Dit laatste mag wel van eiser verwacht worden. Niet is gebleken dat klagen voor eiser niet mogelijk was of bij voorbaat zinloos is. Wat eiser daarover naar voren heeft gebracht is niet onderbouwd. Ten aanzien van eisers stelling dat de Afdeling haar oordeel over het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft gebaseerd op de antwoorden van de Kroatische autoriteiten en dat dit geen objectieve en onafhankelijke bron is, oordeelt de rechtbank dat dit niet tot een andere conclusie leidt.
Conclusie en gevolgen
6. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
7. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [8] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
7.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
8.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.