ECLI:NL:RBDHA:2026:17686

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
NL25.51834
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 64 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning medische behandeling wegens feitelijke toegankelijkheid zorg in herkomstland

Eiseres, een Zuid-Afrikaanse vrouw die sinds 2015 in Nederland verblijft, vroeg een verblijfsvergunning aan voor medische behandeling vanwege HIV, PTSS en depressie. De minister wees de aanvraag af op basis van een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA), dat stelde dat de noodzakelijke behandeling en medicatie beschikbaar zijn in Zuid-Afrika en dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat deze zorg voor haar niet feitelijk toegankelijk is.

De rechtbank oordeelt dat het BMA-advies zorgvuldig en inhoudelijk voldoende is en dat de minister dit terecht als grondslag voor zijn besluit heeft genomen. Eiseres slaagt er niet in concreet aan te tonen dat de zorg in Zuid-Afrika voor haar onbereikbaar is, onder meer omdat zij onvoldoende heeft onderbouwd wat de kosten zijn en onvoldoende pogingen heeft gedaan om informatie te verkrijgen.

Ook is vastgesteld dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden omtrent financiering en ziektekostenverzekering in Nederland, en dat haar argument dat zij vanwege haar verblijfsstatus geen verzekering kan afsluiten, niet tot vrijstelling leidt. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag blijft in stand.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning medische behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.51834

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres;

(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. E.E.G.N. van der Meulen), de minister.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres geen gelijk krijgt en het beroep dus ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘medische behandeling’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 3 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank honoreert het verzoek van eiseres om wegens betalingsonmacht te worden vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen. De rechtbank komt daarom toe aan de inhoudelijke behandeling van het beroep.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep [1] , op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

(De totstandkoming van) het bestreden besluit
3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1983 en is van Zuid-Afrikaanse nationaliteit. Zij verblijft sinds 2015 in Nederland en heeft eerder een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 8 augustus 2016 afgewezen. Dit besluit staat in rechte vast [2] .
4. Eiseres staat onder medische behandeling vanwege HIV en voor PTSS en depressie. Eerder is aan haar bij besluit van 16 oktober 2023 uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) voor de duur van de opname in een kliniek met een maximum van een half jaar, van 23 oktober 2023 tot uiterlijk 23 april 2024. Op 24 april 2024 heeft eiseres onderhavige aanvraag voor medische behandeling ingediend.
5. De minister heeft aan het BMA [3] gevraagd onderzoek in te stellen naar de medische problematiek van eiseres. Op 18 oktober 2024 heeft het BMA een advies uitgebracht. De BMA-arts verwacht bij zowel het uitblijven van de HIV-behandeling als bij het uitblijven van de behandeling voor PTSS en depressie een medische noodsituatie op korte termijn. De BMA-arts geeft verder aan dat de vereiste behandeling en medicatie in het land van herkomst aanwezig zijn.
6. Nu medische behandeling volgens het BMA-advies, een deskundigenrapport, in het land van herkomst aanwezig is en eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze zorg voor haar feitelijk niet toegankelijk is, heeft de minister de aanvraag van eiseres afgewezen. Nederland is gelet hierop niet het meest aangewezen land is voor het ondergaan van haar medische behandeling, aldus de minister. Ook wijst de minister de aanvraag af omdat eiseres niet over voldoende middelen van bestaan beschikt voor de kosten van levensonderhoud gedurende haar voorgenomen verblijf in Nederland en omdat zij niet is verzekerd voor ziektekosten terwijl evenmin op andere wijze de financiering van deze kosten is geregeld. Tenslotte overweegt de minister ambtshalve dat eiseres ook niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw. Uit het BMA-advies blijkt immers dat eiseres, onder voorwaarden, kan reizen en dat de noodzakelijke behandeling(en) mogelijk zijn in het land van herkomst.
Wat vindt eiseres?
7. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte stelt dat zij niet heeft aangetoond dat de in Zuid-Afrika aanwezige zorg voor haar feitelijk ontoegankelijk is. Eiseres wijst er in dat kader op dat zij concrete inspanningen heeft verricht om de kosten en beschikbaarheid van de zorg individueel te onderbouwen. Het uitblijven van een reactie van de door eiseres aangeschreven instellingen ondersteunt naar haar mening juist dat zorg voor haar in haar individuele situatie niet toegankelijk is. Verder heeft de minister volgens eiseres haar stellingen over haar netwerk, alternatieve financiering en steun als ook de door haar overgelegde algemene informatie onvoldoende gemotiveerd terzijde geschoven. Ook heeft eiseres naar haar mening wel voldoende inzicht gegeven in haar (financiële) situatie nu zij informatie over de gemiddelde kosten voor levensonderhoud en inkomen heeft overgelegd. Verder voert eiseres aan dat het niet redelijk is om haar tegen te werpen dat zij geen ziektekostenverzekering heeft. Zij kan namelijk feitelijk niet aan deze eis voldoen vanwege haar verblijfsrechtelijke status. Tenslotte is eiseres van mening dat de BMA-arts haar had moeten zien en horen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Het BMA-onderzoek.
8. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling dient de minister zich ervan te vergewissen dat een BMA-advies dat aan zijn besluitvorming ten grondslag ligt, naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Als aan deze eisen is voldaan, mag de minister bij de beoordeling van een aanvraag van een zodanig advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten aanwezig zijn voor twijfel aan de juistheid van het advies [4] .
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister zijn besluit op het BMA-advies mocht baseren. Het advies is zorgvuldig tot stand gekomen en is inhoudelijk inzichtelijk en concludent. Eiseres heeft geen concrete aanknopingspunten aangevoerd voor gegronde twijfel over de juistheid of volledigheid van het advies. Alle medische stukken en problemen van eiseres zijn betrokken bij het advies. De enkele stelling van eiseres dat zij had moet worden gehoord en gezien door de BMA-arts leidt niet tot een andere conclusie. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de omstandigheid dat een vreemdeling niet door een BMA-arts in persoon is onderzocht, niet tot het oordeel leidt dat het onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest, aangezien de adviserend BMA-arts in beginsel kan volstaan met het schriftelijk of telefonisch opvragen van informatie bij de behandelaar van de desbetreffende vreemdeling [5] . De zaak in de door eiseres aangehaalde uitspraak van het Tuchtcollege van 28 juni 2011 [6] is niet vergelijkbaar met haar situatie. In die zaak was er op basis van het medische dossier wél aanleiding om nader onderzoek te verrichten, omdat uit de stukken bleek dat de prognose moeilijk te stellen was vanwege een uitzichtloze situatie. Daarvan is in het geval van eiseres geen sprake. De minister mocht daarom afzien van het (doen) horen van eiseres. De beroepsgrond slaagt niet.
Feitelijke toegankelijkheid van de benodigde zorg
10. Zoals de Afdeling onder meer heeft overwogen in de uitspraak van 26 mei 2023 [7] is het volgens het arrest Paposhvili [8] aan een vreemdeling zelf om aannemelijk te maken dat hij op grond van zijn slechte gezondheid een reëel risico in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM loopt en dat, indien deze beschikbaar is, de medische zorg in zijn geval niet feitelijk toegankelijk is. Dit betekent onder meer dat eiseres aannemelijk moet maken wat de kosten van de behandeling in Zuid-Afrika zijn en, als zij stelt dat deze behandeling om financiële of andere redenen feitelijk niet toegankelijk is, ook dat met concrete gegevens aannemelijk moet maken. Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres daar niet in geslaagd. Hierbij is het volgende van belang.
11. Met de door haar overgelegde informatie heeft eiseres niet aangetoond wat de daadwerkelijke kosten zijn van de volgens het BMA in Zuid-Afrika aanwezige medische behandelingen. Eiseres heeft in dit verband namelijk alleen het tarief van een psycholoog, [naam 1] , voor een consult van een private patiënt overgelegd. Hieruit blijkt niet wat de kosten zijn bij publieke instellingen zoals degene die genoemd wordt in het BMA-advies. De stelling van eiseres dat het uitblijven van een reactie van dergelijke instellingen onderbouwt dat de zorg voor haar niet toegankelijk is, leidt daarbij niet tot een ander oordeel. De twee door eiseres overgelegde onbeantwoorde e-mails [9] zijn daartoe onvoldoende. Het had namelijk op de weg van eiseres gelegen om meer en ook op andere wijze(herhaalde) pogingen te doen om informatie te verkrijgen. Niet is gebleken dat zij daartoe meer of andere pogingen heeft ondernomen. De stelling ter zitting van eiseres dat zij ook tevergeefs telefonisch contact met de instellingen heeft gezocht, is niet onderbouwd. Hieraan kan dan ook niet de door eiseres gewenste waarde worden toegekend. Verder had eiseres ook bij andere instellingen informatie kunnen inwinnen over de kosten van de voor haar benodigde behandeling. Eiseres heeft dus niet de inspanningen geleverd om de kosten voor de behandeling aannemelijk te maken die voortvloeien uit het arrest Paposhvili. De minister kan daarom ook niet beoordelen wat de kosten zijn van haar behandeling en medicatie.
12. Daarnaast heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet beschikt over financiële middelen en ook geen familieleden of sociaal netwerk heeft of dat er geen charitatieve organisaties zijn in Zuid-Afrika, die zij kan aanspreken om haar financieel bij te staan. De enkele stelling dat zij vanwege haar seksuele geaardheid geen contact meer heeft met haar broers en zus en met haar kinderen is daartoe onvoldoende. In dit kader heeft de minister er bovendien niet ten onrechte op gewezen dat eiseres eerder juist heeft verklaard dat haar jongere broer en zus haar geaardheid accepteren [10] . Verder heeft eiseres niet onderbouwd dat zij geen zorgverzekering zou kunnen krijgen om de zorgkosten mee te bekostigen. Niet is gebleken of en zo ja, hoe vaak eiseres contact heeft opgenomen met een verzekeringsmaatschappij en bij hoeveel verschillende verzekeringsmaatschappijen zij heeft geïnformeerd. De minister heeft er daarbij op kunnen wijzen [11] dat de overgelegde algemene informatie over de kwaliteit van de gezondheidszorg en de kosten van levensonderhoud in Zuid-Afrika onvoldoende zijn om tot de conclusie te komen dat de benodigde zorg voor eiseres niet beschikbaar is. Hierbij is van belang dat de inhoudelijke beoordeling van de feitelijke toegankelijkheid van de in het herkomstland beschikbare zorg voor de vreemdeling, nu juist in beginsel onlosmakelijk is verweven met omstandigheden die zien op de persoon, zoals aanwezige familie, vermogen, of het bestaan van een sociaal netwerk. Niet gebleken is dat dit voor de toegankelijkheid van zorg voor eiseres in Zuid-Afrika anders is. De beroepsgrond slaagt niet.
Ziektekostenverzekering
13. Niet in geschil is dat eiseres niet voldoet aan de aan de gevraagde verblijfsvergunning verbonden voorwaarde dat de financiering van de medische behandeling in Nederland deugdelijk is geregeld. Wat eiseres hierover in beroep aanvoert, namelijk dat dit komt doordat zij door haar verblijfsstatus geen zorgverzekering kan krijgen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Dit zijn namelijk geen omstandigheden die tot vrijstelling van deze voorwaarde kunnen leiden. Deze beroepsgrond slaagt daarom ook niet.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke - van Dort, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaak NL25.51835.
2.Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is bij uitspraak van 30 augustus 2016 ongegrond verklaard (AWB 16/17871). Deze uitspraak is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in de uitspraak van 28 september 2016.
3.Het Bureau Medische Advisering (BMA).
4.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2014:66.
5.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS: 2013:2101 en ECLI:NL:RVS:2018:3932.
8.ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810.
9.In dit verband heeft eiseres een email aan dr. [naam 2] van 30 oktober 2024 overgelegd en een email aan een apotheek van 3 april 2025 waarin verwezen wordt naar een eerdere email van 30 oktober 2024.
10.Verslag van het nader gehoor van 13 januari 2016, p.15.
11.Zie p. 4 en p. 5 van het bestreden besluit.