ECLI:NL:RBDHA:2026:17688

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
NL25.52095
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verlenging verblijfsvergunning medische behandeling wegens ontbreken medische noodsituatie

Eiseres, van Burundese nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor verlenging van haar verblijfsvergunning regulier voor medische behandeling. De minister heeft deze aanvraag afgewezen op basis van meerdere BMA-adviezen waaruit blijkt dat geen medische noodsituatie op korte termijn wordt verwacht bij het uitblijven van behandeling.

Eiseres voert aan dat het meest recente BMA-advies niet objectief en inzichtelijk is, dat het toetsingskader te streng is en dat haar bijzondere omstandigheden onvoldoende zijn meegewogen. De rechtbank oordeelt dat het BMA-advies zorgvuldig en consistent is opgesteld en dat het toetsingskader in lijn is met jurisprudentie, waaronder het arrest Paposhvili.

Verder is vastgesteld dat eiseres niet heeft aangetoond dat bijzondere omstandigheden een afwijking van het beleid rechtvaardigen. Ook de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro is zorgvuldig gemaakt, waarbij rekening is gehouden met haar langdurig verblijf, maar ook met haar banden met Burundi.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de verlenging van de verblijfsvergunning. Eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de verlenging van de verblijfsvergunning wegens het ontbreken van een medische noodsituatie op korte termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52095

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. E.E.G.N. van der Meulen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om verlenging van de geldigheidsduur van de aan haar verleende verblijfsvergunning voor medische behandeling. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiseres geen gelijk krijgt en het beroep dus ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor verlenging van de geldigheidsduur van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier met als doel ‘medische behandeling’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 15 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft eiseres verzocht om vrijstelling van het betalen van griffierecht. De rechtbank honoreert dit verzoek om vrijstelling en behandelt de zaak verder inhoudelijk.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 mei 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep [1] , op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van de minister en E. Nsabimbona als tolk.

Beoordeling door de rechtbank

(Totstandkoming van) het bestreden besluit
3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1981 en van Burundese nationaliteit. Eiseres verblijft al lange tijd in Nederland en heeft enige tijd een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gehad in verband met de algemene onveilige situatie in Burundi (het categoriale beschermingsbeleid). Deze vergunning is ingetrokken toen deze situatie was verbeterd. Eiseres heeft verschillende medische klachten. Bij eiseres is sprake van een te snelwerkende schildklier ten gevolge van de ziekte van Graves. Als gevolg hiervan heeft zij ook oogklachten. Daarnaast heeft zij last van migraine en PTSS. Omdat uit een BMA [2] -advies van 11 juli 2023 is gebleken dat een medische noodsituatie op korte termijn wordt verwacht bij uitblijven van controles van de schildklier en er geen behandeling in Burundi mogelijk is, is aan haar een verblijfsvergunning regulier verleend met als doel ‘medische behandeling’, met een geldigheidsduur van 23 juni 2023 tot 23 juni 2024.
4. Eiseres heeft verzocht om verlenging van de geldigheidsduur van deze vergunning. Hierop heeft de minister om een nieuw medisch advies gevraagd. Op 2 augustus 2024 is een BMA-advies uitgebracht, op 22 april 2025 is hier in bezwaar een aanvulling op uitgebracht en op 4 augustus 2025 is er weer een BMA-advies opgesteld. Uit deze medische adviezen blijkt dat eiseres voor haar psychische klachten onder behandeling is van een psychiater en een beeldend therapeut. Voor haar oogklachten staat zij onder behandeling van een oogarts. De medicatie en behandeling van een internist die zij in het verleden kreeg vanwege haar te snel werkende schildklier is gestaakt. Zij heeft sinds medio 2023 zonder medicatie normale schildklierwaardes en is verwezen naar de huisarts voor verdere jaarlijkse controles van haar schildklierwaardes. Een medische noodsituatie op korte termijn wordt niet (langer) verwacht bij het uitblijven van de behandelingen die eiseres ondergaat.
5. Op basis van deze adviezen van het BMA heeft de minister de onderhavige aanvraag van eiseres voor verlenging van de verleende vergunning afgewezen. Nu daaruit blijkt dat bij uitblijven van de behandelingen geen medische noodsituatie binnen de indicatieve termijn van drie tot zes maanden wordt verwacht, is Nederland niet langer het meest aangewezen land voor het ondergaan van de medische behandeling. Daarom concludeert de minister dat eiseres niet meer voldoet aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend. Ook voldoet eiseres niet aan de algemene voorwaarde dat er een geldig paspoort moet worden overgelegd. Er bestaat niet langer aanleiding om haar hiervan vrij te stellen nu er geen medische noodsituatie op korte termijn meer wordt verwacht. Evenmin bestaat aanleiding om eiseres in afwijking van het beleid wegens bijzondere omstandigheden in het bezit te stellen van een vergunning. Ook bestaat er geen grond om eiseres een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [3] te verlenen. De belangenafweging die in het kader van het privéleven wordt gemaakt, valt volgens de minister in het nadeel van eiseres uit.
Wat vindt eiseres?
6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het meest recente BMA-advies, waar de minister zijn afwijzing op heeft gebaseerd, niet op objectieve, onpartijdige en inzichtelijke wijze is opgesteld. Zij wijst er in dit verband op dat zij nog altijd onder actieve behandeling is voor haar oogklachten en dat onvoldoende duidelijk is waarom het stopzetten hiervan nu niet (meer) leidt tot een medische noodsituatie op korte termijn. De minister had daarom dit advies niet ten grondslag mogen leggen aan het bestreden besluit. Eiseres voert verder aan dat voor de beantwoording van de vraag of een medische noodsituatie zal ontstaan binnen drie tot zes maanden, een te streng toetsingskader is gehanteerd. De operationalisering van het begrip ‘medische noodsituatie op korte termijn’ laat namelijk geen ruimte voor andere situaties waarin sprake is van ernstige geestelijke of lichamelijk schade. Verder is de minister volgens eiseres in het kader van bijzondere omstandigheden ten onrechte voorbijgegaan aan de situatie waarin zij zich jarenlang bevindt. Zo is zij al jarenlang in Nederland en is sprake van ernstige medische problematiek. Ook heeft de minister de belangenafweging in het kader van haar privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd in haar nadeel laten uitvallen. Tenslotte heeft de minister ten onrechte niet onderzocht of de benodigde medische behandeling toegankelijk is voor eiseres en is het paspoortvereiste ten onrechte tegengeworpen.
Heeft de minister zich op het BMA-advies mogen baseren?
Het BMA-advies
7. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [4] is een advies van het BMA een deskundigenadvies aan de minister ten behoeve van het uitvoeren van zijn bevoegdheden. Als het advies op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze is opgesteld mag de minister hier in beginsel van uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het BMA-advies. [5] Het is aan de vreemdeling om aan te tonen dat het BMA-advies niet voldoet aan de vereisten.
8. De rechtbank ziet in wat eiseres aanvoert onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de over eiseres uitgebrachte BMA-adviezen. Eiseres wijst in haar gronden van beroep in dit verband met name op de omstandigheid dat zij nog altijd in behandeling is bij de oogarts en stelt dat in het huidige BMA-advies onvoldoende is onderkend wat het stopzetten van de (medicamenteuze) behandeling voor haar droge ogen betekent voor het ontstaan van een medisch noodsituatie. De rechtbank stelt vast dat er in de BMA-adviezen die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit het volgende is opgenomen over de oogklachten van eiseres.

Voor haar oogproblematiek is betrokkene onder behandeling van een oogarts. De behandeling bestaat uit medicatie en elke drie tot zes maanden controles om een eventuele toename van de klachten uit te sluiten dan wel, zo nodig, tijdig te kunnen behandelen.
Sinds medio 2023 is er sprake van een vrijwel stabiel beeld.” [6]
en:

Bij het achterwege blijven van de medicamenteuze behandeling van de droge ogen zullen deze klachten kunnen blijven voortbestaan of toenemen. Hierdoor bestaat een grotere kans op oogontstekingen, die kunnen leiden tot een beschadiging van het hoornvlies en uiteindelijk een verminderd gezichtsvermogen.
Graves’ orbitopathie komt zonder verdere behandeling in ongeveer 2 tot 4 jaar tot rust, waarna eventueel chirurgische correctie
mogelijk is van de stand van de ogen of de oogleden.” [7]
verder:
“Gezien het feit dat betrokkene inmiddels al ruim twee jaar niet meer behandeld wordt voor de voorheen te snel werkende schildklier, zij sindsdien normale schildklierwaarden heeft, de controles voor de schildklierfunctie nu jaarlijks (via de huisarts) plaatsvinden, en de Graves’ orbitopathie stabiel is gebleven en bovendien mild van ernst is, wordt er geen medische noodsituatie verwacht binnen de bovengenoemde termijn.” [8]
9. Uit bovengenoemde passages blijkt dat in het BMA-advies kenbaar is betrokken dat eiseres nog onder behandeling staat van de oogarts. Dit in verband met oogklachten die verband houden met de ziekte van Graves; Graves orbitopathie. Verder is benoemd wat er gebeurt als deze behandeling achterwege blijft en inzichtelijk gemaakt waarom de verwachting niet is dat dit leidt tot een medische noodsituatie op korte termijn. Bij deze conclusie heeft de BMA-arts betrokken dat de Graves orbitopathie stabiel is gebleven en bovendien mild van ernst is. Met (bovengenoemde passages uit) de BMA-adviezen is dan ook naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk gemaakt dat en waarom bij het uitblijven van de behandeling van de oogklachten thans geen medische noodsituatie op korte termijn wordt verwacht. De rechtbank ziet daarom ook geen aanleiding voor het oordeel dat het BMA-advies niet concludent, consistent en inzichtelijk is.
Het toetsingskader
10. Eiseres heeft verder aangevoerd dat de minister een onjuist, te streng, toetsingskader hanteert voor de invulling van het begrip ‘medische noodsituatie op korte termijn’. De rechtbank volgt dit niet en acht hiertoe het volgende van belang.
11. Het BMA operationaliseert de medische noodsituatie in de praktijk als 'het achterwege blijven van de medische behandeling zal naar alle waarschijnlijkheid op korte termijn leiden tot betrokkenes overlijden, een (vrijwel) volledig verlies van ADL-zelfstandigheid (activiteiten dagelijks leven) of gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Bopz)'. [9] De rechtbank wijst erop dat de Afdeling al heeft geoordeeld [10] dat deze definitie van het begrip medische noodsituatie in overeenstemming is met het arrest Paposhvili [11] Gelet daarop ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de minister in navolging van het BMA bij de beoordeling van eiseres medische toestand een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. Er bestaat dan ook geen grond om eiseres te volgen in haar stelling dat toename van de klachten, een grote kans op oogontstekingen en dus beschadiging van het hoornvlies en verminderd gezichtsvermogen óók kunnen worden gekwalificeerd als klachten die resulteren in een medische noodsituatie.
Behandelmogelijkheden in het land van herkomst
12. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het BMA de landgebonden vragen – de vraag of behandeling in het land van herkomst voorhanden is – niet heeft hoeven beantwoorden omdat er geen medische noodsituatie wordt verwacht binnen de indicatieve termijn van drie tot zes maanden.
13. Gelet op vorengaande heeft de minister de BMA-adviezen ten grondslag mogen leggen aan het bestreden besluit. De beroepsgrond faalt.
Inherente afwijkingsbevoegdheid
14. De minister kan afwijken van zijn beleid als het handelen overeenkomstig het beleid voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen [12] . De rechtbank volgt het betoog van eiseres dat onvoldoende is ingegaan op haar bijzondere individuele omstandigheden niet. In het bestreden besluit [13] is er daarbij terecht op gewezen dat het aan eiseres is om dergelijke bijzondere omstandigheden naar voren te brengen en te onderbouwen. Nu eiseres dit heeft nagelaten, zij heeft ook ter zitting in dit verband alleen gewezen op de stress die zij ondervindt, heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om de geldigheidsduur van haar vergunning in afwijking van het beleid te verlengen. De beroepsgrond slaagt niet.
Belangenafweging in het kader van privéleven
15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de uitgevoerde belangenafweging het belang van eiseres om haar privéleven in Nederland uit te oefenen niet ten onrechte minder zwaar laten wegen dan het belang van de minister bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Begrijpelijk is dat eiseres gedurende haar lange verblijf in Nederland privéleven heeft opgebouwd, maar het blijft staan dat eiseres gedurende een groot deel van deze periode geen rechtmatig verblijf had dan wel geen zekerheid had over haar verblijfspositie in Nederland. Hoewel in het voordeel van eiseres meeweegt dat zij enige tijd in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning, heeft verweerder de opgebouwde banden met Nederland niet zwaar mee hoeven wegen. Verder neemt de omstandigheid dat zij zich naar eigen zeggen inmiddels de Nederlandse cultuur eigen heeft gemaakt niet weg dat eiseres ook een wezenlijk deel van haar leven in Burundi heeft verbleven en zij de taal en cultuur van dat land kent. Ook heeft zij nog familie (een dochter en een broer) wonen in Burundi en geen familie in Nederland. De minister heeft dan ook bij de belangenafweging in het nadeel van eiseres kunnen betrekken dat verwacht kan worden dat zij ook in Burundi weer zelfstandig haar weg zal kunnen vinden. De beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Paspoortvereiste
16. Zoals eiseres ter zitting heeft bevestigd hangt haar beroepsgrond inzake het paspoortvereiste samen met haar stelling dat de minister ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat geen sprake is van een medische noodsituatie op korte termijn. Nu de rechtbank eiseres hierin niet heeft gevolgd, kan daarom ook deze grond niet slagen.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en de afwijzing in stand blijft. Zij krijgt haar proceskosten niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke - van Dort, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaak NL25.52097.
2.Bureau Medische Advisering (BMA).
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 16 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:826, 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1674 en van 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4250.
6.Onder punt 2b van het BMA-advies van 4 augustus 2025.
7.Onder punt 3 van het BMA-advies van 4 augustus 2025.
8.Onder punt 4 van het BMA-advies van 4 augustus 2025.
9.Zie hiervoor het Protocol Bureau Medische Advisering.
10.Zie de uitspraak van 28 september 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2628).
11.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 13 december 2016 (ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD00417381).
12.Artikel 4:84 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
13.Zie pagina 5 van het bestreden besluit.