ECLI:NL:RBDHA:2026:17702

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 mei 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
NL26.27174
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000Artikel 15, zesde lid, Richtlijn 2008/115/EGArtikel 59, zesde lid, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige verlenging van bewaring vreemdeling wegens overschrijding maximale duur

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen het besluit van 7 mei 2026 tot oplegging van een maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was gebaseerd op een verlenging van de bewaring die volgens de rechtbank niet tijdig was opgelegd, omdat de cumulatieve bewaringstermijn op grond van hetzelfde terugkeerbesluit al zes maanden had overschreden.

De rechtbank baseerde zich op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148), waarin is bepaald dat een verlengingsbesluit vóór het bereiken van de maximale bewaringstermijn moet worden opgelegd. Omdat dit niet was gebeurd, was de verlenging onrechtmatig. Daarnaast oordeelde de rechtbank dat eiser niet de mogelijkheid had gekregen om zijn zienswijze te geven over het verlengingsbesluit, wat in strijd is met het beginsel van hoor en wederhoor.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, beval de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 27 mei 2026 en kende een schadevergoeding toe van €2.600,- voor de onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens werden de proceskosten van €1.868,- aan eiser toegekend. De uitspraak is openbaar en er staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het verlengingsbesluit onrechtmatig, beveelt opheffing van de bewaring en kent schadevergoeding toe.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.27174

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer Z. Hamidi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Onrechtmatig verlengingsbesluit
1. De rechtbank overweegt het volgende. In de maatregel van bewaring staat, onder het kopje ‘Verlengingsbesluit > 6 maanden’, het volgende vermeld:
‘De cumulatieve bewaringsduur op grond van het thans geldige terugkeerbesluit maakt dat de duur van zes maanden op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef onder a Vw is verstreken. Daarom is deze maatregel eveneens aangemerkt als verlenging van de bewaring met ten hoogste twaalf maanden op grond van artikel 59, zesde lid, Vw, dan wel zoveel korter indien een deel van de verlengingstermijn inmiddels is verbruikt.
De bewaring van de vreemdeling en voortzetting van de bewaringsduur is noodzakelijk omdat de vreemdeling niet meewerkt aan zijn verwijdering. Zie ter onderbouwing daarvan de in deze maatregel opgenomen toelichting van het risico op onderduiken, het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat de maatregel niet onevenredig bezwarend is.’
2. Uit het arrest van 5 maart 2026 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof), ECLI:EU:C:2026:148 (Aroja), in het bijzonder uit rechtsoverweging 87 van genoemd arrest, blijkt dat een verlengingsbesluit moet worden opgelegd voordat de maximale duur van zes maanden [1] inbewaringstelling op grond van één en hetzelfde terugkeerbesluit is bereikt. In het licht van dit arrest, concludeert de rechtbank dat het verlengingsbesluit niet tijdig is opgelegd. Immers, de inbewaringstellingen van eiser voorafgaande aan de voorliggende inbewaringstelling op grond van hetzelfde terugkeerbesluit van 14 december 2021 hebben tezamen meer dan zes maanden voortgeduurd, te weten van 22 juni 2024 tot en met 23 augustus 2024 en van 9 september 2024 tot en met 7 februari 2025. Dat betekent dat het verlengingsbesluit te laat is opgelegd, zoals ook in het besluit is onderkend. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat de voorliggende maatregel van meet af aan onrechtmatig is geweest, nu er geen verlengingsbesluit meer opgesteld mocht worden omdat de maximale duur van de inbewaringstelling van zes maanden reeds was overschreden. Het beroep is gegrond.
3. Daarnaast overweegt de rechtbank het volgende. Ook in het geval het verlengingsbesluit wel tijdig zou zijn opgemaakt, zou de wijze waarop dit besluit is opgelegd desondanks onrechtmatig zijn. Zoals deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, in haar uitspraak van 14 april 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:9108) heeft overwogen, moet de mogelijkheid worden gegeven aan de vreemdeling om diens zienswijze naar voren te brengen over een verlengingsbesluit voorafgaande de eventuele oplegging daarvan. De rechtbank merkt in dit verband op dat verweerder tijdens het gehoor met eiser niet de mogelijkheid van het opleggen van een verlengingsbesluit heeft besproken. In het verlengde hiervan, heeft eiser bovendien dan ook niet de mogelijkheid gehad om zijn zienswijze over het onaangekondigde verlengingsbesluit naar voren te brengen. Los van hetgeen overwogen onder 2., is deze werkwijze bij het opleggen van een verlengingsbesluit ook onrechtmatig en is het beroep gegrond.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 27 mei 2026.
5. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 21 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 2 x € 160,- (verblijf politiecel) en 19 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 2.600,-.
6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 27 mei 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 2.600,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Artikel 15, zesde lid, van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (Terugkeerrichtlijn) en artikel 59, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).