ECLI:NL:RBDHA:2026:1771

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
NL24.29400
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 29 Vw 2000Art. 3 EVRMArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag Druze uit Syrië wegens onvoldoende motivering

Eiser, een Syrische Druze uit de provincie Suweida, diende een asielaanvraag in die door verweerder werd afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de afwijzing niet in stand kan blijven omdat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat in Syrië momenteel sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld en waarom eiser geen vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag.

Eiser vreesde vervolging vanwege zijn religieuze overtuiging en verwees naar recente grootschalige geweldsuitbarstingen in Suweida sinds juli 2025, waarbij ook zijn woning werd getroffen. Verweerder baseerde zich op verouderde rapporten en heeft geen actueel standpunt ingenomen over de situatie van Druzen na juli 2025.

De rechtbank volgt de meervoudige kamer die eveneens oordeelde dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag en draagt op tot een nieuw besluit binnen zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.29400

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Hol),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Mahler).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank volgt de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats die recent heeft geoordeeld dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië op dit moment de laagste gradatie van willekeurig geweld van toepassing is. [2] Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser geen vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft zich immers gemotiveerd op het standpunt gesteld dat hij als Druze afkomstig uit de provincie Suweida vreest voor vervolging op grond van zijn religieuze overtuiging. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij is Syrisch en is geboren op 19 juni 1989. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 2 juli 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 6 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en (digitaal) de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is gevlucht vanwege het feit dat hij als Druze tot een religieuze minderheid behoort. De Druzen worden gediscrimineerd in Syrië. Ook is eiser gevlucht vanwege de bendes en het geweld in Syrië. Eiser vreest voor Hezbollah. Bij terugkeer vreest eiser dat hij of een familielid wordt gedood of ontvoerd.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Discriminatie vanwege het zijn van Druze
5. Verweerder heeft allebei de elementen geloofwaardig geacht. Echter heeft eiser de vrees vanwege het zijn van Druze niet aannemelijk gemaakt. De discriminatie die eiser heeft meegemaakt is niet een dusdanige ernstige beperking van bestaansmogelijkheden zodat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Eiser heeft verklaard dat de discriminatie die hij persoonlijk heeft ondervonden bestond uit vernederingen en pesterijen, die plaatsvinden als Druzen de provincie waarin zij wonen verlaten. Eiser heeft het niet aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijke problemen heeft ondervonden vanwege het zijn van Druze, en hierop gebaseerd heeft hij het ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer persoonlijke problemen zal ondervinden. Eiser heeft toegang gehad tot werk en medische zorg. Eiser krijgt geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Ook krijgt eiser geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Eiser heeft een periode buiten Syrië gewoond en is regelmatig teruggekeerd zonder dat hij problemen heeft ondervonden. Verder heeft eiser zijn vrees voor Hezbollah niet aannemelijk gemaakt en heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve aandacht zal staan bij terugkeer. Eiser krijgt ook een terugkeerbesluit opgelegd.
Heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt op ernstige schade?
6. Op 11 december 2025 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en
zittingsplaats geoordeeld dat verweerder zijn standpunt zoals verwoord in het gewijzigde landenbeleid van Syrië van mei 2025 onvoldoende heeft gemotiveerd. [3] De rechtbank heeft partijen op 15 december 2025 in kennis gesteld van deze uitspraak en de rechtbank heeft partijen gevraagd een standpunt in te nemen naar aanleiding van deze uitspraak.
6.1.
In reactie hierop heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat verweerder op dit moment voor heel Syrië aanneemt dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De gronden die specifiek zien op de terugkeer van eiser naar Syrië in de periode van 2015 tot en met 2021 behoeven naar de mening van verweerder derhalve geen bespreking gezien de ex-nunc toets in onderhavige procedure. Verweerder verwijst ook naar uitspraken van andere rechtbanken waarin wordt geoordeeld dat het beleid van verweerder wel juist gemotiveerd is en dat verweerder van het Algemeen Ambtsbericht Syrië van mei 2025 uit mag gaan. [4] De humanitaire situatie als gevolg van de Syrische burgeroorlog die ten einde is gekomen, is maar zeer ten dele relevant in het kader van de 15c-inschatting. Eiser moet individuele omstandigheden naar voren brengen die maken dat hij persoonlijk een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van het algemene geweld, om aannemelijk te maken dat hij om die reden bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Het feit dat eiser in Europa asiel heeft aangevraagd, is niet als een dergelijke (individuele) omstandigheid aan te merken.
6.2.
Eiser voert primair aan dat hij vreest voor vervolging op grond van zijn religieuze overtuiging omdat hij tot de Druzengemeenschap behoort. Sinds de val van het Assad-regime zijn de Druzen slachtoffer geworden van ernstige mensenrechtenschendingen van de zijde van aan de regering gelieerde milities. Er hebben sinds juli 2025 grootschalige uitbarstingen van geweld plaatsgevonden in Suweida waarbij ook het huis van eiser is geraakt door een raket. Eisers vrouw en zoon kunnen niet meer thuis wonen en ook zijn tijdens de geweldsuitbarstingen veel familieleden en vrienden van eiser gedood of verdwenen. Eiser wijst om dit te onderbouwen op persberichten van de UNHCR van 21 augustus 2025 en van Amnesty International van 2 september 2025. Ook verwijst eiser naar de EUAA Country Guidance van 1 december 2025 [5] en naar de EUAA Country Focus van diezelfde datum [6] . Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn uitzetting naar Syrië in strijd is met het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 EVRM Pro. Eiser verwijst in dit kader ook naar uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Haarlem en Den Bosch van 11 december 2025. [7]
6.3.
Eiser voert subsidiair aan dat er in Syrië sprake is van een humanitaire noodsituatie die het gevolg is van oorlogstactiek of het oogmerk heeft de Syrische bevolking te treffen. Als gevolg van het gewapende conflict van het Assad-regime is de infrastructuur (energievoorzieningen, waternetwerk, medische voorzieningen, onderwijsvoorzieningen, verder infrastructuur) grotendeels verwoest. Ook humanitaire omstandigheden die een direct of indirect gevolg zijn van het handelen of nalaten van een partij bij een gewapend conflict die partij is geweest bij een gewapend conflict, moeten worden meegewogen bij de bepaling van de mate van willekeurig geweld. Daarbij vindt eiser het van belang dat specifiek in het gebied waar eiser vandaan komt niet kan worden gesproken van de laagste situatie van willekeurig geweld.
7. De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep gegrond is. De rechtbank ziet
geen aanleiding om anders te oordelen over verweerders standpunt over willekeurig geweld
in Syrië dan de meervoudige kamer. Verweerder heeft zijn standpunt over de
veiligheidssituatie onvoldoende gemotiveerd waarmee dus onvoldoende duidelijk is of
eiser een risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Syrië. De rechtbank kan zonder
een goed gemotiveerd standpunt over de veiligheidssituatie in Syrië ook niet beoordelen wat
voor individuele omstandigheden nodig zijn om tot een reëel risico op ernstige schade te
komen. De rechtbank ziet daarin dus geen aanleiding om nu een oordeel te geven over het al
dan niet aanwezig zijn van individuele omstandigheden. Aan een beoordeling van de
beroepsgronden die daarop zien komt de rechtbank in dit kader dan ook niet meer toe. Deze beroepsgrond slaagt.
Heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd waarom eiser geen vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag?
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser geen vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft zich gemotiveerd op het standpunt gesteld dat Druzen sinds de val van het Assad-regime slachtoffer zijn geworden van ernstige mensenrechtenschendingen van de zijde van aan de regering gelieerde milities en dat er sinds juli 2025 grootschalige uitbarstingen van geweld hebben plaatsgevonden in Suweida, alwaar eiser vandaag komt. Eiser heeft ter onderbouwing meerdere bronnen aangehaald uit december 2025. Verweerder heeft in het verweerschrift en op zitting geen gemotiveerd standpunt ingenomen over het gestelde opgelaaide geweld in Suweida en de gestelde veranderde situatie voor Druzen sinds juli 2025. Verweerder heeft enkel verwezen naar het EUAA Country report van april 2024 waarin staat dat Druzen met voorzichtigheid worden behandeld door de Syrische autoriteiten, arrestaties en bomaanslagen op grote schaal vermeden zijn in Al Suweida en Druzen redelijk goed behandeld worden door zowel de autoriteiten als de oppositiegroepen. Deze informatie is echter van vóór juli 2025. Verweerder dient in het nieuwe besluit de actuele situatie voor Druzen in Suweida bij de beoordeling te betrekken en te motiveren waarom eiser geen vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Deze beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
9. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
9.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
9.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 2 juli 2024;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Broekhof, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Doorman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
4.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 1 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22984 en zittingsplaats Groningen, van 9 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23466.
5.Pagina 86 en 87.
6.Pagina 43 en 44.