ECLI:NL:RBDHA:2026:17711

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
NL26_19152
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 17 Dublinverordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Frankrijk

Eiseres, een Somalische alleenstaande moeder met een minderjarig kind, diende een asielaanvraag in Nederland in, die niet in behandeling werd genomen omdat Frankrijk op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is. De rechtbank behandelde het beroep op 28 mei 2026.

Eiseres voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet geldt vanwege structurele tekortkomingen in het Franse opvangsysteem, verwijzend naar het AIDA-rapport 2025 en een arrest van het EHRM. Ook stelde zij dat zij als kwetsbare alleenstaande moeder extra garanties nodig heeft en dat de discretionaire bevoegdheid van de minister ten onrechte niet is toegepast.

De rechtbank oordeelde dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die het interstatelijk vertrouwensbeginsel doorbreken. Het recente AIDA-rapport en eerdere jurisprudentie bevestigen dat Frankrijk in algemene zin aan zijn verplichtingen voldoet. Ook is onvoldoende onderbouwd dat eiseres bijzondere opvangbehoeften heeft die aanvullende garanties vereisen. Ten slotte is het beroep op de discretionaire bevoegdheid niet geslaagd omdat geen bijzondere individuele omstandigheden zijn aangetoond.

Daarom blijft het bestreden besluit in stand en wordt het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19152

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [V-nummer 1]
mede namens haar minderjarige kind:
[minderjarig kind],
V-nummer: [V-nummer 2]
(gemachtigde: mr. F.A. van den Berg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 7 april 2026 heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen omdat Frankrijk daarvoor verantwoordelijk is.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hierbij waren aanwezig: eiseres en haar minderjarige kind, de gemachtigde van eiseres, [tolk] als tolk, en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

1. Eiseres is, volgens haar eigen opgave bij de asielaanvraag, geboren op [geboortedag] 1995 en heeft de Somalische nationaliteit.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). In dit artikel is bepaald dat een asielaanvraag niet in behandeling wordt genomen als op grond van de Dublinverordening [1] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van die aanvraag. Uit Eurodac is gebleken dat eiseres op 13 oktober 2025 in Frankrijk een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft op 6 februari 2026 een terugnameverzoek gestuurd naar de Franse autoriteiten. Dit verzoek is op 20 februari 2026 aanvaard. Daarom is Frankrijk verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek van eiseres.
3. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit. Zij voert aan dat ten aanzien van Frankrijk niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Er is volgens eiseres in Frankrijk sprake van structurele systeemfouten in het opvangsysteem. Zij verwijst in dit verband naar het AIDA rapport, update 2025. [2] Eiseres stelt dat zij in Frankrijk heeft geprobeerd opvang en hulp te krijgen, maar dat dit niet is gelukt. Vanwege de omvang van de opvangproblemen is klagen bij de Franse autoriteiten bovendien kansloos. In dit verband verwijst zij naar het arrest van het EHRM [3] van 8 december 2022, in de zaak M.K. e.a. tegen Frankrijk. [4] Daarnaast voert eiseres aan dat zij als alleenstaande moeder met een jong kind een kwetsbaar persoon is in de zin van het [arrest] -arrest. [5] Zij heeft bij haar eerdere verblijf in Frankrijk met haar kind op straat moeten leven. Overdracht naar Frankrijk levert daarom een reëel risico op van een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM [6] en artikel 4 van Pro het Handvest. [7] Zij verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank , zittingsplaats Amsterdam, van 15 september 2023. [8] Ten slotte voert eiseres aan dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, omdat overdracht naar Frankrijk voor haar onevenredig hard zou zijn.

Het oordeel van de rechtbank

Interstatelijk vertrouwensbeginsel
4. De rechtbank overweegt dat verweerder in zijn algemeenheid ten aanzien van alle lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat betekent dat verweerder er, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, van mag uitgaan dat alle lidstaten het Unierecht en met name de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen. Het is daarom aan eiseres om aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Frankrijk, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Franse autoriteiten, een reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. Daarvan is sprake als de vreemdeling aannemelijk maakt dat er structurele tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem zijn die een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. [9]
4.1
Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres er niet in geslaagd om aannemelijk te maken dat deze hoge drempel in haar zaak is bereikt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij zijn ook de eerdere AIDA rapporten (update 2023 en 2024) betrokken. [10] Het recente AIDA rapport, update 2025 geeft geen wezenlijk ander beeld van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken. De rechtbank overweegt in dit verband ook dat de Franse autoriteiten met het claimakkoord van 20 februari 2026 hebben gegarandeerd dat zij het asielverzoek van eiseres in behandeling zullen nemen en dat zij zich zullen houden aan de internationale verplichtingen die horen bij het behandelen van een asielaanvraag.
4.2
Het door eiseres aangehaalde arrest van het EHRM leidt niet tot een ander oordeel. Dit arrest ziet namelijk op een specifieke, individuele situatie waarin de Franse autoriteiten geen noodhuisvesting verstrekten aan een vrouw en haar drie dochters terwijl ze daar volgens rechterlijke uitspraken wel recht op hadden. Uit dit arrest kan niet worden afgeleid dat klagen door een Dublinclaimant over het (mogelijk) uitblijven van opvang in Frankrijk in zijn geheel niet effectief is.
4.3
Ook de verklaringen van eiseres dat zij bij een eerder verblijf in Frankrijk verstoken is gebleven van opvang maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Eiseres heeft ter zitting bevestigd dat zij bij de Franse autoriteiten niet heeft geklaagd over het uitblijven van opvang. Ze wist niet dat dat kon en zij stelt verder afhankelijk te zijn geweest van haar smokkelaar. Hieruit volgt niet dat eiseres na overdracht aan Frankrijk in het kader van de Dublinverordening bij eventueel uitblijven van opvang, daarover niet zou kunnen klagen bij de autoriteiten.
Bijzondere kwetsbaarheid
5. In het [arrest] -arrest heeft het EHRM overwogen dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare personen voorafgaand aan de overdracht aanvullende garanties moet vragen aan de ontvangende lidstaat, als de vreemdeling aantoont dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangvoorzieningen zal krijgen. De Afdeling heeft bepaald dat het arrest [arrest] ook van toepassing kan zijn op andere personen die bijzonder kwetsbaar zijn, als aannemelijk is gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden, waarbij het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de vreemdeling van belang kunnen zijn. [11] De bewijslast dat er sprake is van bijzondere kwetsbaarheid ligt bij de vreemdeling. [12]
5.1
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres onvoldoende heeft onderbouwd dat zij moet worden gezien als bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest [arrest] . Het feit dat eiseres een alleenstaande moeder is met een klein kind maakt dat zij onder de groep zou kunnen vallen voor wie bijzondere garanties moeten worden gevraagd. Zij moet dan wel aannemelijk maken dat zij een bijzondere opvangbehoefte heeft en dat Frankrijk, zonder aanvullende garanties, mogelijk niet aan die bijzondere opvangbehoefte kan voldoen. Eiseres heeft deze bijzondere behoefte niet nader onderbouwd. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder niet gehouden is aanvullende garanties aan de Franse autoriteiten te vragen voordat hij eiseres overdraagt aan Frankrijk. De rechtbank verwijst in dit verband naar het Franse claimakkoord, waaruit volgt dat Frankrijk zich, ook ten aanzien van eiseres, zal houden aan de internationale verplichtingen die horen bij het behandelen van haar asielaanvraag. De enkele verwijzing van eiseres naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, [13] doet daaraan niet af. In andere zaken is geoordeeld dat het enkele gegeven dat eiseres een alleenstaande moeder is met jonge kinderen niet leidt tot het oordeel dat alleen om die reden individuele garanties van Frankrijk moeten worden gevraagd. [14] De Afdeling heeft dit oordeel bevestigd. [15]
Discretionaire bevoegdheid
6. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, komt verweerder een discretionaire bevoegdheid toe. Op grond van deze bepaling kan verweerder in afwijking van artikel 3, eerste lid, besluiten om een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. Verweerder maakt hiervan terughoudend gebruik, namelijk in situaties waarin overdracht getuigt van onevenredige hardheid.
6.1
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd dat er geen aanleiding is om toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden, die maken dat overdracht aan Frankrijk van onevenredige hardheid getuigt. Zij verwijst naar haar eerdere ervaringen in Frankrijk, maar onderbouwt niet waarom zich bij overdracht in het kader van de Dublinverordening (opnieuw) zulke omstandigheden zouden voordoen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 25 juni 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gaśi, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.AIDA Country Report France, Update 2025.
3.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
4.Zaak nummer 19522/09, ECLI:CE:ECHR:2022:1208JUD003434918.
5.ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUDO02921712.
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, artikel 3 verbiedt Pro foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.
7.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 4 verbiedt Pro foltering en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
9.Arrest van Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, in de zaak Jawo, ECLI:EU:C:2019:218.
10.Zie de uitspraken van de Afdeling van 11 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1642) en van 31 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3623).
11.Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3806.
12.Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:223.
14.Zie, bijvoorbeeld, de uitspraak van de zittingsplaats Roermond van 26 januari 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:362.
15.Uitspraak van de Afdeling van 13 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2002.