ECLI:NL:RBDHA:2026:17716

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
C.09/26/140 F
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 2 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen faillissementsvonnis niet-ontvankelijk wegens ontbreken inhoudelijk verweer

De schuldenaar stelde verzet in tegen het vonnis waarbij hij failliet werd verklaard. De rechtbank Den Haag oordeelde dat het rechtsmiddel van verzet openstaat indien de schuldenaar niet is gehoord.

Hoewel de schuldenaar bij de eerste zitting aanwezig was, maakte hij geen gebruik van de mogelijkheid om inhoudelijk verweer te voeren en verzocht hij alleen om aanhouding om een betalingsregeling te treffen. De rechtbank volgt de jurisprudentie van de Hoge Raad dat verschijnen bij de eerste zitting voldoende is om te worden beschouwd als gehoord, ook als geen inhoudelijk verweer wordt gevoerd.

De rechtbank concludeert dat het verzoek om uitstel moet worden gezien als een gedeeltelijke erkenning van de vordering en het verzoek van de aanvragers, en dus als het afzien van inhoudelijk verweer. Daarom is de schuldenaar niet-ontvankelijk in zijn verzet en blijft het faillissement in stand.

Uitkomst: Het verzet tegen het faillissementsvonnis wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de schuldenaar wel is gehoord.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANKDEN HAAG
Team Toezicht
insolventienummer: C.09/26/140 F
vonnis in verzet van 5 juni 2026
[opposant],
geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats],
laatst bekende woonadres in Nederland: [adres] te [plaats],
thans geregistreerd in [land],
hierna: [opposant],
advocaten: mr. J.I. van Vlijmen en mr. A. el Ouath.
Waar deze zaak over gaat
[opposant] heeft verzet ingesteld tegen het vonnis waarin hij failliet is verklaard. De rechtbank zal [opposant] niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzet. Het faillissement blijft daarom in stand. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist. Eerst volgt een overzicht van de procedure.

1.De procedure

1.1.
[opposant] heeft op 6 mei 2026 verzet ingesteld tegen het vonnis van 22 april 2026, waarbij hij op verzoek van de heer [verzoeker 1] en van de heer [verzoeker 2], de heer [verzoeker 3] en mevrouw [verzoekster], in hun hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van wijlen de heer [naam] (hierna: verzoekers), in staat van faillissement is verklaard. Daarbij is mr. D. de Loor benoemd tot rechter-commissaris en mr. E.J. Luten aangesteld als curator.
1.2.
De mondelinge behandeling van het verzetschrift zou plaatsvinden op 19 mei 2026. [opposant] heeft op 18 mei 2026 verzocht om aanhouding van de mondelinge behandeling, zodat hij zekerheid kon stellen voor de nakoming van een door [opposant] en verzoekers overeengekomen betalingsregeling. De rechtbank heeft dit verzoek gehonoreerd en heeft een nieuwe datum voor de mondelinge behandeling gepland.
1.3.
Het verzet is op de zitting van 2 juni 2026 behandeld, tegelijkertijd met de behandeling van het verzet dat is ingesteld tegen het faillissement van [bedrijfsnaam] B.V. (C.09/26/139 F), waarover de rechtbank in een afzonderlijk vonnis zal beslissen. Op die zitting verschenen:
- mr. A. el Ouath, namens [opposant] en [bedrijfsnaam] B.V.,
- [opposant],
- mr. I. Arisoy, namens verzoekers,
- mr. E.J. Luten, curator in het faillissement van [opposant],
- mr. R.W.A. Brunninkhuis, curator in het faillissement van [bedrijfsnaam] B.V.
1.4.
De rechtbank heeft in verband met de behandeling van het verzet de volgende stukken ontvangen:
- het verzetschrift van 6 mei 2026;
- het advies, inclusief salarisverzoek, van 11 mei 2026 van de curator;
- het verzoek om aanhouding van de mondelinge behandeling van 18 mei 2026.

2.De beoordeling

2.1.
Het verzoek tot faillietverklaring is op de zitting van 31 maart 2026 behandeld. Daarbij is [opposant] verschenen. Hij heeft verzocht om een aanhouding van 3 weken om in overleg een regeling te kunnen treffen. Dat verzoek is door de rechtbank gehonoreerd met aanzegging van de datum waarop het faillissementsverzoek verder zou worden behandeld, namelijk 21 april 2026. Op 21 april 2026 is [opposant] niet verschenen. Op de ochtend van 21 april 2026 heeft hij zich per e-mail van 8:44 ziek gemeld en heeft hij verzocht om een aanhouding. De rechtbank heeft het verzoek tot aanhouding gepasseerd omdat het te laat is ingediend en niet met enig medisch stuk is onderbouwd. [opposant] is failliet verklaard.
2.2.
In deze zaak gaat het in de eerste plaats om de vraag of voor [opposant] het rechtsmiddel van verzet openstaat. Op grond van artikel 8 lid 2 Faillissementswet Pro heeft hij recht van verzet tegen het vonnis waarbij hij failliet is verklaard, indien hij niet is gehoord. Ten aanzien van de vraag of [opposant] in de procedure die tot de faillietverklaring heeft geleid is gehoord, neemt rechtbank tot uitgangspunt dat als een schuldenaar bij de eerste behandeling voor de rechtbank is verschenen, hij is ‘gehoord’, ook als hij bij het vervolg van de behandeling op een tweede zitting niet is verschenen (Hoge Raad 18 december 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0811).
2.3.
[opposant] vindt dat hij niet is gehoord en beroept zich op een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:1782) waarin als volgt is overwogen: “
Onder ‘gehoord zijn’ moet worden verstaan de schuldenaar die, in persoon of vertegenwoordigd door een advocaat, ter zitting is verschenen of die schriftelijk verweer heeft gevoerd. Van 'horen' is sprake als inhoudelijk verweer is gevoerd.” ). [opposant] stelt dat hij op de eerste zitting alleen om een aanhouding heeft verzocht, geen inhoudelijk verweer heeft gevoerd en daarom niet is gehoord.
2.4.
Naar het oordeel van de rechtbank is dit, gezien het voornoemde uitgangspunt van de Hoge Raad, een te beperkte uitleg van ‘horen’. Het is een uitleg die bovendien tot onduidelijkheid en daarmee tot rechtsonzekerheid kan leiden. Een schuldenaar is gehoord als hij verschijnt op de eerste behandeling bij de rechtbank en daarbij de mogelijkheid heeft om verweer te voeren. In dit geval is hiervan sprake. Als een schuldenaar van de mogelijkheid om verweer te voeren geen gebruik maakt en uitsluitend om een aanhouding verzoekt, dan betekent dit niet dat hij niet is gehoord. Bovendien geldt in dit geval dat [opposant] bij de eerste zitting te kennen heeft gegeven dat hij een betalingsregeling wilde afspreken en daarom uitstel verzocht. Dit moet worden aangemerkt als een (gedeeltelijke) erkenning door [opposant] van de vordering en het verzoek van de aanvrager en dus juist als het afzien van het voeren van inhoudelijk verweer.
2.5.
Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat in de procedure die tot faillietverklaring heeft geleid, [opposant] is gehoord en hij dus niet-ontvankelijk is in het verzet tegen het vonnis van 22 april waarbij hij failliet is verklaard. Aan behandeling van de gronden voor het verzet komt de rechtbank daarom niet toe.

3.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart [opposant] niet-ontvankelijk in zijn verzet.
Dit is een beslissing van mr. L. Mundt, rechter, in samenwerking met mr. A. de Ronde, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026.
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan degene die dat volgens de Faillissementswet mag gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag.