ECLI:NL:RBDHA:2026:17755

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
NL25.54027
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsdocument EU/EER wegens onvoldoende aannemelijk maken identiteit en afhankelijkheidsverhouding

Eiser diende op 7 december 2023 een aanvraag in voor een verblijfsdocument EU/EER om bij zijn partner en haar kinderen te verblijven. De minister wees deze aanvraag af omdat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet aannemelijk had gemaakt en er geen sprake was van een voldoende sterke afhankelijkheidsrelatie met de minderjarige kinderen. Eiser stelde dat hij wel degelijk de Gambiaanse nationaliteit bezit en dat hij meer dan marginale zorgtaken verricht.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd van zijn identiteit en nationaliteit. De minister mocht daarbij meewegen dat eiser in eerdere procedures tegenstrijdige verklaringen gaf over zijn nationaliteit en geboorteplaats, en dat documenten zoals de geboorteakte waarschijnlijk frauduleus zijn. Hoewel het paspoort als fysiek echt werd beoordeeld, was het mogelijk frauduleus verkregen.

Verder concludeert de rechtbank dat de minister terecht heeft geoordeeld dat eiser geen sterke affectieve of financiële band met de kinderen heeft, en dat de zorgtaken slechts marginaal zijn. Ook de stelling van eiser dat hij langer samenwoont met de kinderen dan officieel blijkt, wordt niet gevolgd. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54027

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. L. Maring).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een verblijfsdocument EU/EER. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag van eiser in redelijkheid heeft kunnen afwijzen
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 7 december 2023 een aanvraag ingediend voor de afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Met het bestreden besluit van 14 oktober 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser heeft op 7 december 2023 een aanvraag ingediend om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER, voor verblijf bij [naam] en haar kinderen.
3.1.
Met het primaire besluit van 6 januari 2025 heeft de minister deze aanvraag afgewezen. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
3.2.
De minister heeft met het bestreden besluit het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt. De minister heeft verder overwogen dat eiser stelt stiefouder te zijn van de kinderen. Omdat eiser niet aan de overige voorwaarden voldoet, kan niet voorbijgegaan worden aan het ontbreken van de familierechtelijke relatie. De minister heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft aangetoond dat sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen hem en de minderjarige kinderen, dat de kinderen het grondgebied van de Europese Unie zouden moeten verlaten als aan eiser geen verblijfsrecht wordt verleend. Daarbij heeft de minister van belang geacht dat eiser pas relatief kort met de kinderen samenwoont, niet heeft aangetoond meer dan marginale zorgtaken te verrichten, geen gezag over de kinderen heeft, geen huwelijk of geregistreerd partnerschap met de moeder van de kinderen is aangegaan en juridisch geen stiefouder van de kinderen is. Daarnaast heeft de minister betrokken dat de kinderen een sterkere afhankelijkheidsverhouding hebben met hun moeder, bij wie zij hun gehele leven verblijven, en dat niet is aangetoond dat weigering van verblijf aan eiser de geestelijke of emotionele ontwikkeling van de kinderen zal belemmeren.
Chavez-Vilchez
4. Uit het arrest Chavez-Vilchez vloeit voort dat een ouder die onderdaan is van een derde land een van zijn minderjarig kind, dat EU-burger is, afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van Pro het VWEU heeft, indien weigering van een verblijfsrecht aan die ouder tot gevolg heeft dat het kind gedwongen zal zijn die ouder te volgen naar een derde land en daarmee het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. Uit de rechtsoverwegingen 75 tot en met 78 van het arrest volgt dat de vreemdeling die meent een dergelijk afgeleid verblijfsrecht te hebben, gegevens moet overleggen waaruit blijkt dat hij dit verblijfsrecht heeft. Het is vervolgens aan de minister om op basis van deze overgelegde gegevens te onderzoeken of er een zodanige afhankelijkheidsrelatie tussen de vreemdeling en zijn kind bestaat dat bij een weigering om aan de vreemdeling een verblijfsrecht toe te kennen, het kind gedwongen zou worden het grondgebied van de Europese Unie in zijn geheel te verlaten
4.1.
Een vreemdeling heeft een verblijfsrecht op grond van Chavez-Vilchez als hij:
zijn identiteit en nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt met een geldig paspoort of geldige identiteitskaart, of met andere bewijsmiddelen als hij geen geldig paspoort of geldige identiteitskaart kan overleggen;
een minderjarig, Nederlands kind heeft; en
er een zodanige afhankelijkheid tussen hem en het kind bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de derdelander ouder een verblijfsrecht wordt geweigerd. [1]
Identiteit en nationaliteit
5. Eiser stelt dat volgens het arrest Chavez-Vilchez de identiteit voornamelijk van belang is om vast te stellen of eiser wel een derdelander is en niet elders in de Europese Unie rechtmatig verblijf heeft. Er dient immers beoordeeld te worden of het kind het risico loopt om de Europese Unie te verlaten. Verder kan de identiteit van belang zijn voor de beoordeling of eiser geen gevaar vormt voor de openbare orde. Nu deze situaties niet aan de orde zijn komt er te veel gewicht toe aan het ontbreken van identificerende documenten. Verder kan eiser met alle relevante stukken zijn identiteit aannemelijk maken. De Afdeling gaat ervan uit dat een paspoort afgegeven door de daartoe bevoegde autoriteiten is opgemaakt door middel van gedegen onderzoek, waaronder naar de identiteit van de persoon. Het paspoort is ook echt bevonden. Verder spreekt eiser de taal Madinka/Mandingo met een specifiek dialect uit Gambia. De minister kan daarom moeilijk volhouden dat eiser niet de Gambiaanse nationaliteit zou bezitten, waardoor de minister tot de conclusie moet komen dat eiser een derdelander is.
6. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat de minister te veel gewicht heeft toegekend aan het ontbreken van identificerende documenten. De rechtbank overweegt dat het op de weg van eiser ligt om gegevens over te leggen waaruit volgt dat het aannemelijk is dat eiser over een verblijfsrecht op grond van Chavez-Vilchez beschikt. Hieronder valt ook het aannemelijk maken van zowel de identiteit als nationaliteit. De minister heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat de vaststelling van de identiteit en nationaliteit van eiser niet alleen van belang is voor de beoordeling of eiser een derdelander is, elders in de Europese Unie rechtmatig verblijf geniet of een gevaar vormt voor de openbare orde, maar ook voor het voorkomen van identiteitsfraude en de verificatie van de gestelde (juridische) gezinsbanden. [2] De rechtbank volgt de minister verder in zijn standpunt dat eiser zijn identiteit en nationaliteit onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft hierbij terecht betrokken dat eiser tijdens zijn eerdere asielprocedure in 2021 heeft verklaard de Libische nationaliteit te bezitten en in Libië te zijn geboren, terwijl eiser in de onderhavige procedure stelt de Gambiaanse nationaliteit te hebben en het overgelegde paspoort eveneens Gambia als geboorteland vermeldt. Daarnaast heeft Bureau Documenten geconcludeerd dat de overgelegde Gambiaanse geboorteakte met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is. Hoewel het Gambiaanse paspoort op zichzelf wel echt is bevonden, blijkt uit de Verklaring van Onderzoek dat, indien de geboorteakte -zoals eiser ook heeft verklaard- ten grondslag heeft gelegen aan de verkrijging van het paspoort, het paspoort met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid op frauduleuze wijze is verkregen. De fysieke echtheid van het paspoort is op dat moment niet meer relevant. Verder heeft eiser verklaard dat hij zijn W-document eveneens aan de aanvraag van zijn paspoort ten grondslag heeft gelegd. De minister heeft ten aanzien van het W-document terecht overwogen dat hierop staat vermeld dat eiser in Tripoli, Libië is geboren. De minister heeft verder mogen meewegen dat eiser tegenstrijdig en wisselend heeft verklaard over de wijze waarop hij het paspoort heeft verkregen. Zo heeft eiser enerzijds verklaard dat een collega het paspoort vanuit Gambia heeft meegenomen, terwijl hij later heeft verklaard dat zijn moeder het paspoort heeft opgehaald en via een contactpersoon in Portugal naar hem heeft laten sturen. Ook over de geboorteakte heeft eiser wisselend verklaard. Eerst heeft eiser verklaard dat de geboorteakte rond dezelfde periode als het paspoort is aangevraagd, terwijl uit de stukken volgt dat de geboorteakte dateert van [datum]. Later heeft eiser verklaard dat zijn moeder al over een geboorteakte beschikte, zonder te kunnen uitleggen hoe deze was verkregen. De door eiser overgelegde verklaring van echtheid van de Gambiaanse ambassade te Brussel leidt niet tot een ander oordeel, omdat deze verklaring niet is gelegaliseerd en daaruit bovendien niet blijkt welk onderzoek precies heeft plaatsgevonden. Ook de door eiser overgelegde e-mailwisseling met de Gambiaanse ambassade en betalingsbewijzen maken niet inzichtelijk welk onderzoek door de ambassade is verricht. Gelet op het voorgaande heeft de minister zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond of aannemelijk heeft gemaakt. Dat eiser de taal Madinka/Mandingo met een specifiek dialect uit Gambia zou spreken kan hieraan niet afdoen.
De afhankelijkheidsverhouding
7. Eiser voert aan dat het bestreden besluit innerlijk tegenstrijdig is, omdat daarin enerzijds wordt erkend dat eiser enige zorgtaken verricht en anderzijds wordt geconcludeerd dat slechts sprake is van marginale zorgtaken. Eiser stelt verder dat de minister bij de beoordeling van de afhankelijkheidsrelatie ten onrechte verschillende omstandigheden in zijn nadeel heeft meegewogen. Volgens eiser heeft de minister ten onrechte tegengeworpen dat slechts sprake zou zijn van een korte samenwoning. Eiser kon zich wegens zijn eerdere illegale verblijf niet eerder officieel op het adres van zijn partner en kinderen inschrijven, terwijl hij feitelijk al langer met hen samenleeft. Daarnaast betwist eiser dat sprake zou zijn van onvoldoende communicatie met de kinderen, aangezien partijen volgens hem de Nederlandse en Engelse taal voldoende beheersen en de communicatie met de kinderen grotendeels spelenderwijs verloopt. Verder stelt eiser dat de minister onvoldoende gewicht heeft toegekend aan zijn financiële bijdrage aan het gezin, nu het gezin grotendeels afhankelijk was van zijn inkomen en het wegvallen daarvan heeft geleid tot financiële problemen, aanvullende bijstand en stress binnen het gezin. De inkomensdaling heeft verder vanzelfsprekend effect op het welzijn van de kinderen en hun opvoeding.
7.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het bestreden besluit innerlijk tegenstrijdig is. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat beide kwalificaties in dit verband uitdrukking geven aan hetzelfde, namelijk dat geen sprake is van meer dan marginale zorg- of opvoedingstaken. Van een innerlijk tegenstrijdige motivering is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat eiser langer met referenten heeft samengewoond dan de in het bestreden besluit genoemde periode van anderhalf jaar. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit anders blijkt. Dat eiser zich eerder niet zou kunnen hebben ingeschreven, kan hieraan niet afdoen. Daarbij neemt de rechtbank eveneens in aanmerking dat eiser tijdens het gehoor van 30 juni 2025 heeft verklaard dat hij pas sinds het indienen van de onderliggende aanvraag met zijn partner samenwoont, hetgeen niet strookt met zijn stelling dat hij al gedurende een langere periode met haar samenwoonde. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister heeft kunnen overwegen dat niet is gebleken van een sterke affectieve band tussen eiser en de kinderen. Hierbij heeft de minister kunnen betrekken dat de communicatie tussen eiser en de kinderen waarschijnlijk zal zijn belemmerd, omdat eiser heeft verklaard dat hij de Nederlandse taal niet goed beheerst en dat de kinderen enkel wat Engelse woorden van eiser hebben geleerd. De gemachtigde van de minister heeft ter zitting desgevraagd toegelicht dat het zwaartepunt van de beoordeling van de affectieve band niet in de taalbeheersing is gelegen. De rechtbank stelt vast dat eiser eveneens, onder verwijzing naar de door eiser overgelegde stukken, is tegengeworpen dat weliswaar niet kan worden uitgesloten dat sprake is van enige band tussen eiser en de kinderen, maar dat niet is gebleken dat deze band dermate sterk is dat deze bijdraagt aan de afhankelijkheidsverhouding. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor een ander oordeel. De rechtbank is tot slot van oordeel dat de minister terecht heeft overwogen dat niet is gebleken dat sprake is van een financiële band. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze gestelde financiële ondersteuning niet met stukken is onderbouwd. Daarbij heeft de minister kunnen overwegen dat de moeder van de kinderen zich totdat eiser bij referenten kwam wonen financieel altijd heeft gered en dat geen nadere stukken zijn overgelegd waaruit volgt dat dit niet het geval is. Evenmin is door eiser nader onderbouwd dat de inkomensdaling invloed heeft op het welzijn van de kinderen en op de opvoeding.

Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag van eiser tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER heeft afgewezen. Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht is bij deze uitkomst geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van A. Hoekstra - Verbeek, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zie hiervoor IB 2023/31.