ECLI:NL:RBDHA:2026:17810

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juli 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
NL26.13815
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Hanssen - Telman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 17 DublinverordeningArt. 20 ProcedurerichtlijnArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening afgewezen

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 behandeld en beoordeelt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Zwitserland. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Zwitserland te maken zal krijgen met racisme, discriminatie of een onrechtmatige behandeling van zijn asielaanvraag. Ook is niet gebleken dat hij geen toegang heeft tot rechtsmiddelen in Zwitserland.

Verder oordeelt de rechtbank dat de minister niet verplicht was de asielaanvraag aan zich te trekken op grond van bijzondere individuele omstandigheden, zoals zijn medische situatie. De minister heeft bovendien terecht geen aanvullend medisch advies laten inwinnen, omdat geen reëel en onderbouwd risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand is aangetoond.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor het besluit tot niet in behandeling nemen van de aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13815

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

v-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. A.M. Veld),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 12 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Op dit verzoek wordt apart beslist. [1]
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en een tolk. De gemachtigde van de minister is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen en heeft een schriftelijk standpunt ingenomen voorafgaand aan de zitting. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het besluit tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en dat het besluit tot het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Zwitserland op 19 januari 2026 een verzoek om terugname gedaan. Zwitserland heeft dit verzoek op 20 januari 2026 aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser betoogt dat ten aanzien van Zwitserland niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ter onderbouwing verwijst eiser naar de eerder door hem in de zienswijze genoemde openbare bronnen, waaruit blijkt dat in Zwitserland sprake is van veel racisme en discriminatie. Daarnaast stelt eiser dat zijn asielverzoek in Zwitserland ten onrechte is afgewezen, onder andere doordat bij de beoordeling daarvan geen rekening is gehouden met zijn medische situatie die maakte hij niet adequaat heeft kunnen verklaren. Bovendien kon hij tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag geen beroep instellen, omdat hij daarvoor niet over voldoende financiële middelen beschikte. Daarnaast voert eiser aan dat zijn ervaringen met de gebrekkige opvang in Zwitserland door de minister ten onrechte niet zijn betrokken bij de besluitvorming.
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat de minister mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft onder meer in de uitspraken van 24 januari 2025 [3] en 10 oktober 2025 [4] bevestigd dat de minister ten aanzien van Zwitserland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De minister mag er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel op vertrouwen dat Zwitserland zich aan de internationale verplichtingen houdt. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan.
5.2.
Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Zwitserland te maken zal krijgen met racisme en discriminatie. De enkele verwijzing naar een rapport van Amnesty International van mei 2021 en het ‘Report of the workinggroup on People of African Descent’ uit 2022 is onvoldoende om te concluderen dat de minister in dit geval niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Niet is gebleken dat uit de (verouderde) rapporten een wezenlijk ander beeld naar voren komt dan uit de landeninformatie die de Afdeling bij haar uitspraken heeft betrokken.
5.3.
Ook wat eiser aanvoert over de volgens hem onterechte afwijzing van zijn asielverzoek en het niet in beroep kunnen vanwege het gebrek aan financiële middelen in Zwitserland, leidt niet tot een ander oordeel. De minister heeft terecht gesteld dat het enkele feit dat eisers asielaanvraag in Zwitserland is afgewezen niet zonder meer aanleiding om aan te nemen dat zijn aanvraag op onjuiste wijze is behandeld.
5.4.
Verder is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie in Zwitserland wat betreft rechtsbijstand niet voldoet aan de vereisten van artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn. Uit de artikelen 20 en verder van de Procedurerichtlijn volgt dat kosteloze rechtsbijstand niet onbeperkt is en dat daaraan voorwaarden mogen worden gesteld. In Zwitserland is besloten om eiser in beroep geen kosteloze rechtsbijstand en vertegenwoordiging aan te bieden, omdat het beroep van eiser geen reële kans van slagen had. Artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn vereist dat de lidstaten er in dat geval voor zorgen dat de verzoeker recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel om dat besluit bij een rechterlijke instantie aan te vechten. Niet is gebleken dat eiser geen toegang tot een dergelijk rechtsmiddel had. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de Zwitserse autoriteiten het terugnameverzoek hebben geaccepteerd en hebben gegarandeerd dat de asielaanvraag van eiser in behandeling zal worden genomen overeenkomstig de op Zwitserland rustende internationale verplichtingen. Daarnaast is van belang dat van eiser mag worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen in de Zwitserse asielprocedure, opvangvoorzieningen, of anderszins, beklaagt bij de Zwitserse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is of dat de Zwitserse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen, dan wel dat het inroepen van hulp bij voorbaat zinloos is. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit niet dat Zwitserland zich niet aan de internationale verplichtingen tegenover eiser zou houden.
Indirect refoulement
6. Ook stelt eiser dat de minister onvoldoende is ingegaan op de vrees voor indirect refoulement. Eiser stelt dat hij bewijzen heeft ingebracht waaruit blijkt dat hij bij terugkeer naar Turkije te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
6.1.
Voor zover eiser stelt dat hij bij overdracht aan Zwitserland vreest voor indirect refoulement, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de uitspraak van het Hof van
30 november 2023 [5] en de uitspraak van de Afdeling van de Raad van State van
12 juni 2024 [6] volgt dat er in een Dublinprocedure geen ruimte is voor het toetsen van het risico op indirect refoulement als gevolg van het beschermingsbeleid, en dat ook materiële meningsverschillen tussen lidstaten over de vraag wanneer een vreemdeling in aanmerking komt voor internationale bescherming, niet relevant zijn. Dit is anders wanneer niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Gezien hetgeen daarover hiervoor overwogen is, kan ten aanzien van Zwitserland nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan worden. De rechtbank komt daarom niet toe aan het toetsen van indirect refoulement. De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17 Dublinverordening Pro
7. Eiser meent dat de minister de asielaanvraag aan zich zou moeten trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Eiser is van mening dat de minister de medische situatie van eiser, de gebreken in de asielprocedure in Zwitserland en de vrees voor indirect refoulement ook in het kader van bijzondere individuele omstandigheden had moeten meewegen. De minister heeft dit volgens eiser ten onrechte nagelaten.
7.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen. Dit betreft een discretionaire bevoegdheid van de lidstaten. De minister heeft in het beleid neergelegd hoe hij van deze bevoegdheid gebruik maakt. Volgens paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire (Vc) trekt de minister een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat, van een onevenredige hardheid getuigt.
7.2.
De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij de aanvraag niet onverplicht aan zich heeft hoeven trekken omdat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Zwitserland onevenredig hard is. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden de medische voorzieningen in Zwitserland van voldoende kwaliteit geacht te zijn en mag ook worden aangenomen dat deze voorzieningen ter beschikking staan aan Dublinclaimanten. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat dit voor hem niet het geval is. Niet is gebleken Nederland het meest aangewezen land is voor eiser medische behandeling. Evenmin is aannemelijk geworden dat de medische behandeling die eiser momenteel ontvangt in Zwitserland niet kan worden voortgezet. Verder volgt uit artikel 32 van Pro de Dublinverordening dat de minister, met toestemming van eiser, zijn medische gegevens kan delen met Zwitserland, zodat de autoriteiten hiervan op de hoogte zijn op het moment dat eiser wordt overgedragen. De minister heeft in de medische situatie van eiser dan ook geen aanleiding behoeven te zien om de aanvraag aan zich te trekken.
7.3.
Daarnaast mag Nederland er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel op vertrouwen dat Zwitserland de asielaanvraag op de juiste wijze heeft beoordeeld. Als dat niet het geval is, is het aan eiser om daarover te klagen bij de Zwitserse autoriteiten of een nieuwe asielaanvraag in te dienen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt, zoals hiervoor overwogen, dat die mogelijkheid er voor hem niet is of dat de Zwitserse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen, dan wel dat het inroepen van hulp bij voorbaat zinloos is. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanknopingspunten dat de minister gehouden was om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister een BMA-onderzoek moeten laten verrichten op grond van het arrest C.K.?
8. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende is ingegaan op zijn medische situatie. Volgens eiser is niet beoordeeld of overdracht aan Zwitserland zal leiden tot een ernstige verslechtering van zijn gezondheidstoestand, maar wordt enkel gesteld dat dit niet is aangetoond. Eiser verwijst naar de overgelegde stukken ter onderbouwing van zijn psychische gesteldheid, die mede is veroorzaakt door de situatie in Zwitserland. Gelet hierop stelt eiser zich op het standpunt dat, nu zijn medische situatie is onderbouwd, de minister nader medisch advies had moeten inwinnen.
8.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit het arrest C.K. [7] volgt dat een Dublinoverdracht op zichzelf een reëel risico op een onmenselijke behandeling met zich mee kan brengen. Bij een beroep op dit arrest en wanneer de vreemdeling onder behandeling staat, laat de minister op grond van werkinstructie 2021/3 het Bureau Medische Advisering (BMA) een onderzoek doen als uit objectieve medische gegevens blijkt dat de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een zodanig ernstige invloed heeft op zijn mentale of fysieke toestand dat sprake is van een reëel en onderbouwd risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand. De rechtbank stelt vast dat de minister erkent dat er sprake is van medische problematiek. De minister heeft evenwel op goede gronden overwogen dat uit de overlegde medische documenten niet blijkt dat er sprake is van een reëel en onderbouwd risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand van eiser door de overdracht. In de overgelegde brief van PsyValens wordt niet ingegaan op de gevolgen van een eventuele overdracht op eisers welbevinden. Er kan daarom geen geslaagd beroep worden gedaan op het arrest C.K. en daarom heeft de minister terecht geen aanleiding gezien om het BMA om advies te vragen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Wetterauw, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit verzoek wordt behandeld onder zaaknummer NL26.13816.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
5.ECLI:EU:C:2023:934.
7.HvJEU 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127, in de zaak C.K. tegen Slovenië.