ECLI:NL:RBDHA:2026:17820
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugkeerbesluit en refoulementrisico van een Indiase vreemdeling
De zaak betreft een terugkeerbesluit dat op 19 juni 2026 aan eiser, een Indiase vreemdeling, is opgelegd wegens onrechtmatig verblijf in Nederland. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij zich heeft vergewist van het ontbreken van een reëel risico op schending van het non-refoulementbeginsel bij terugkeer naar India.
De rechtbank heeft het beroep op 26 juni 2026 behandeld via telehoor. De kern van het geschil is of de minister een juiste en gemotiveerde beoordeling van het refoulementrisico heeft gemaakt. Eiser betoogt dat het dossier onvolledig is en dat gebruik is gemaakt van standaardformulieren, waardoor niet kan worden vastgesteld dat een individuele beoordeling heeft plaatsgevonden.
De rechtbank oordeelt dat de minister bevoegd was het terugkeerbesluit te nemen en dat het refoulementbeginsel, zoals neergelegd in artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro, is geëerbiedigd. Eiser is voorafgaand aan het besluit gehoord aan de hand van een formulier waarin hij de gelegenheid kreeg bijzondere omstandigheden aan te voeren, maar hij heeft geen relevante omstandigheden genoemd. De rechtbank acht het dossier en de motivering in het besluit voldoende om aan te nemen dat geen reëel risico op schending bestaat.
De rechtbank wijst het beroep af en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard omdat de minister voldoende heeft getoetst dat geen reëel risico op schending van het non-refoulementbeginsel bestaat.