ECLI:NL:RBDHA:2026:17917

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
NL25.17251
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 VwArt. 3 EVRMArt. 3:2 AwbArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen afwijzing uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet

Eiseres, een Sierra Leoonse asielzoekster, diende op 11 maart 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning. Na afwijzing van haar asielaanvraag verleende de minister voorlopig uitstel van vertrek in afwachting van een ambtshalve beoordeling op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De minister besloot uiteindelijk dat geen uitstel van vertrek hoefde te worden verleend, waarop eiseres bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank beoordeelde het BMA-advies waarin werd vastgesteld dat eiseres medische klachten heeft, waaronder PTSS, maar dat zij in staat wordt geacht te reizen mits begeleiding en medicatie worden voortgezet. Er is geen indicatie voor een medische noodsituatie binnen drie tot zes maanden. Eiseres voerde aan dat het BMA-advies onzorgvuldig tot stand kwam, dat zij niet persoonlijk werd onderzocht en dat zij ten onrechte niet is gehoord.

De rechtbank oordeelde dat het BMA-advies zorgvuldig is opgesteld, dat de minister zijn vergewisplicht niet heeft geschonden en dat het bezwaar kennelijk ongegrond was, zodat afzien van horen gerechtvaardigd was. Eiseres leverde geen concrete medische tegenbewijs of contra-expertise. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

De rechtbank wees tevens het verzoek om griffierechtvrijstelling toe en gaf aan dat eventuele medische veranderingen na het bestreden besluit niet in deze procedure worden betrokken. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.17251

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. E. Sweerts).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing na de ambtshalve beoordeling van toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiseres is het niet eens met deze afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 van Pro de Vw.
1.2
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1
Eiseres heeft op 11 maart 2023 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft de asielaanvraag van eiseres met een besluit van 25 juli 2024 afgewezen, maar aan eiseres is wel voorlopig uitstel van vertrek verleend van 25 juli 2024 tot 24 januari 2025 in afwachting van de beslissing op de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 van Pro de Vw. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar asielaanvraag. [1]
2.2
Met het primaire besluit van 2 oktober 2024 heeft de minister geconcludeerd dat aan eiseres niet met toepassing van artikel 64 van Pro de Vw uitstel van vertrek hoeft te worden verleend. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het bestreden besluit van
14 maart 2025 heeft de minister het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.
2.3
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.4
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van de minister was aanwezig. De gemachtigde van eiseres had voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank laten weten dat eiseres en zij niet naar de zitting zouden komen. Op 26 februari 2026 stond ook de behandeling van het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres op zitting. Eiseres en haar gemachtigde in die zaak (een andere advocaat) waren bij deze zitting wel aanwezig. Om agendatechnische redenen heeft de rechtbank de asielzaak eerst behandeld op zitting en daarna pas onderhavige zaak. De rechtbank merkt ambtshalve op dat eiseres bij de behandeling van het beroep in de asielzaak tijdens de zitting is vertrokken, nadat zij onwel was geworden. Zij is daarna niet teruggekeerd en was dus niet aanwezig bij de behandeling van onderhavige zaak. De rechtbank kan en mag hier geen medisch oordeel over geven. De gemachtigde van eiseres in de asielzaak gaf aan dat het psychisch niet goed ging met eiseres.

Beoordeling door de rechtbank

Wat aan deze procedure voorafging
3.1
Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1993 en heeft de Sierra Leoonse nationaliteit. Zij heeft op 11 maart 2023 asiel aangevraagd. Na de afwijzing van de asielaanvraag heeft de minister in het kader van de ambtshalve toetsing aan artikel 64 van Pro de Vw op
19 augustus 2024 advies gevraagd aan het Bureau Medische Advisering (BMA) over de toepasselijkheid van artikel 64 van Pro de Vw. Uit het BMA-advies van 20 september 2024 blijkt dat eiseres medische klachten heeft (nachtmerries, angsten, onrust en psychotische klachten, die traumagerelateerd zijn) en dat zij gediagnosticeerd is met PTSS, waarbij ook sprake is van psychosociale stressoren en mogelijk een licht verstandelijke beperking. Eiseres staat onder medische behandeling van een psychiater en een sociaal psychiatrisch verpleegkundige. Deze behandeling is in principe tijdelijk van aard. Er is geconstateerd dat, indien de medicatie en de behandelcontacten gestaakt worden, de klachten van eiseres zullen toenemen, maar er wordt niet verwacht dat zich binnen drie tot zes maanden een medische noodsituatie zal voordoen. Eiseres wordt ook in staat geacht om te reizen, maar omdat er aanwijzingen zijn dat enige medische voorziening noodzakelijk is, wordt begeleiding door een sociaal psychiatrisch verpleegkundige, die tijdens de reis ook de medicatie van eiseres in beheer houdt, noodzakelijk geacht. Ook wordt aanbevolen dat eiseres een schriftelijke overdracht van de medische gegevens meeneemt, dat medicatie wordt gecontinueerd tijdens de reis en dat er voldoende medicatie wordt meegenomen om de periode van de reis te overbruggen.
3.2
Met het primaire besluit, gehandhaafd met het bestreden besluit, heeft de minister ambtshalve toepassing van artikel 64 van Pro de Vw afgewezen. De minister benoemt het kader uit paragraaf A3/7.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000, waarin staat dat het uitstel van vertrek kan worden verleend op grond van artikel 64 van Pro de Vw als de vreemdeling medisch gezien niet in staat is om te reizen of er een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 van Pro het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) om medische redenen. De minister stelt zich op het standpunt dat uit het
BMA-advies van 20 september 2024 blijkt dat eiseres in staat is om te reizen, waarbij er wel aanwijzingen zijn dat enige medische voorziening noodzakelijk is. Verder volgt uit het BMA-advies dat bij het uitblijven van de medische behandeling geen medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden wordt verwacht. Daarom is geen sprake van een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM om medische redenen.
Vrijstelling griffierecht
4. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht voor de behandeling van haar beroep wegens betalingsonmacht. De rechtbank wijst het verzoek toe.
Beoordeling van het beroep
Omvang van het geding
5. Vanwege wat hiervoor onder 2.4 is beschreven merkt de rechtbank op dat eventuele veranderingen in de medische situatie van eiseres die zich ná het bestreden besluit hebben voorgedaan géén rol spelen in deze zaak vanwege de zogenoemde
ex tunc-beoordeling.
Herhaald en ingelast beschouwen van gronden
6. De rechtbank overweegt dat de algemene stelling van eiseres in beroep dat alles wat zij eerder in bezwaar heeft aangevoerd als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen aanmerken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. Het is aan eiseres om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van de minister in het bestreden besluit volgens haar niet juist of niet toereikend is. De rechtbank beperkt zich in deze uitspraak daarom tot de beroepsgronden die tegen het bestreden besluit zijn gericht.
Vergewisplicht
7.1
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) is een advies van het BMA een deskundigenadvies aan de minister voor de uitoefening van zijn bevoegdheden. [2] De minister moet, als hij een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er op grond van artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van vergewissen dat dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusie daarop aansluit. [3] Als aan deze eisen is voldaan, mag de minister bij de beoordeling van een aanvraag van een BMA-advies uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.
7.2
Eiseres heeft aangevoerd dat met het BMA-advies de bevindingen van de behandelaars in het schrijven van 11 september 2024 niet gemotiveerd zijn weerlegd, dat de bevindingen van de behandelaars haaks staan op de bevindingen van de BMA-arts, dat gelet op de inhoud van het schrijven van de behandelaars het advies voor wat betreft de vraag of het uitblijven van behandeling een medische noodsituatie zal ontstaan niet inzichtelijk is opgesteld en dat zij ten onrechte niet gehoord is, terwijl daar gelet op het schrijven van de behandelaars wel aanleiding voor was geweest.
7.3
De rechtbank heeft naar aanleiding van de stelling van eiseres (onder aanhaling van haar bezwaarschrift) dat uit het BMA-advies niet kan worden afgeleid welke informatie is meegenomen, temeer daar informatie van behandelaars ‘haaks’ staat op de bevindingen van de BMA ter zitting de vraag aan de orde gesteld of de stelling van eiseres reden had moeten zijn om het BMA hierover te bevragen. Omdat het schrijven van de behandelaars van eiseres van 11 september 2024 niet in het dossier zat en eiseres hiernaar verwijst, heeft de rechtbank de minister verzocht om dit schrijven alsnog te overleggen. Op de dag van de zitting heeft de gemachtigde van eiseres het schrijven van de behandelaars van eiseres overgelegd.
7.4
De minister heeft op zitting primair gesteld dat geen sprake is van schending van de vergewisplicht, subsidiair dat de rechtbank geen medisch oordeel mag geven en daarom niets over het schrijven van de behandelaars mag zeggen en meer subsidiair dat in het schrijven van de behandelaars niet staat wat er volgens de gemachtigde van eiseres in staat en dat het daarom niet leidt tot een andere conclusie over het BMA-advies.
7.5
De rechtbank is van oordeel dat de minister zijn vergewisplicht niet heeft geschonden door geen navraag te doen bij het BMA naar aanleiding van de stellingen van eiseres in bezwaar. Uit het BMA-advies blijkt dat informatie is opgevraagd en ontvangen van [persoon1] , sociaal psychiatrisch verpleegkundige en [persoon2] , psychiater/regiebehandelaar. Hoewel de datum niet is vermeld, had het hiermee voor eiseres duidelijk kunnen zijn dat het BMA over de juiste informatie beschikte (namelijk de brief van 11 september 2024). Eiseres heeft gesteld maar geheel niet onderbouwd waarom de conclusies van het BMA haaks staan op de informatie van de behandelaars. Eiseres heeft ook geen nadere medische informatie of een contra-expertise overgelegd. Daarmee heeft zij geen concrete aanknopingspunten aangedragen waardoor kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van het rapport. De beroepsgrond slaagt in zoverre niet.
Niet in persoon gezien door (een specialist van) BMA
8.1
Eiseres voert aan dat zij ten onrechte niet in persoon is gezien door het BMA. Bovendien is de opsteller van het BMA-advies een basisarts en geen specialist in het ziektebeeld van eiseres. De opsteller heeft weliswaar gemotiveerd waarom het niet noodzakelijk is geacht dat eiseres zou worden opgeroepen voor een spreekuuronderzoek of nader specialistisch onderzoek, maar dit is onzorgvuldig omdat de opsteller van het advies basisarts is en geen ter zake deskundige/psychiater.
8.2
De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de omstandigheid dat een vreemdeling niet door een BMA-arts is gezien, niet tot het oordeel leidt dat het onderzoek onzorgvuldig of onvolledig is geweest, aangezien de adviserend BMA-arts in beginsel kan volstaan met het schriftelijk of telefonisch opvragen van informatie bij de behandelaar van de desbetreffende vreemdeling. [4] Uit het BMA-advies blijkt dat de opsteller van het advies schriftelijk informatie heeft opgevraagd bij en heeft ontvangen van een psychiater en een sociaal psychiatrisch verpleegkundige. Eiseres heeft niet nader gemotiveerd waarom zij persoonlijk onderzocht had moeten worden door het BMA. Er bestaat daarom geen grond voor het oordeel dat het advies om deze reden onzorgvuldig tot stand is gekomen. Verder is in het BMA-protocol opgenomen dat het feit dat een medisch adviseur zelf geen specialist is in het betreffende vakgebied geen reden is om te twijfelen aan diens deskundigheid om de gestelde vragen van een deskundig antwoord te voorzien. Eiseres heeft niet onderbouwd waarom dit onzorgvuldig zou zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Hoorplicht
9.1
Eiseres voert aan dat zij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar, terwijl daar gelet op het schrijven van haar behandelaars alle aanleiding voor was geweest.
9.2
In artikel 7:3, onder b, van de Awb is bepaald dat de minister af kan zien van het horen van een belanghebbende indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling [5] volgt dat dit het geval is als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat hetgeen in bezwaar is aangevoerd niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, op grond van het bezwaarschrift en het feit dat eiseres in bezwaar geen (medische) stukken heeft overgelegd die de conclusies uit het BMA-advies bestrijden, terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar. De rechtbank is daarom van oordeel dat de minister heeft mogen afzien van horen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.C. Hummel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026.

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Dit beroep is geregistreerd onder nummer NL25.32580.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2860, rechtsoverweging 4.1.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3422, rechtsoverweging 2.1.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:826, rechtsoverweging 5.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.