ECLI:NL:RBDHA:2026:1793

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
NL25.51644 NL25.51783 NL25.51786 NL25.51788
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013Jawo-arrest ECLI:EU:C:2019:218
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging overdrachtstermijn Dublinverordening wegens onderduiken ongegrond verklaard

Eisers, een Pakistaans gezin, vroegen op 31 maart 2025 asiel aan in Nederland. De minister besloot op 25 juni 2025 de asielaanvragen niet in behandeling te nemen omdat Frankrijk verantwoordelijk was volgens de Dublinverordening. De overdrachtstermijn werd op 10 oktober 2025 verlengd tot achttien maanden omdat eisers waren ondergedoken.

Eisers voerden aan dat de verlenging onvoldoende was gemotiveerd en dat er geen sprake was van onderduiken, mede vanwege medische omstandigheden en verblijf bij vrienden. De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende had gemotiveerd en dat eisers doelbewust buiten bereik van de autoriteiten waren gebleven zonder hun verblijfplaats door te geven.

De rechtbank verwierp het verweer dat de rechtspraak over procesbelang bij asielprocedures onverkort van toepassing is op verlengingsprocedures, maar achtte eisers ontvankelijk. De beroepen werden ongegrond verklaard, waarmee de verlenging van de overdrachtstermijn in stand bleef.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt de verlenging van de overdrachtstermijn wegens onderduiken.

Uitspraak

uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.51644, NL25.51783, NL25.51786 en NL25.51788
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser,
[eiseres], V-nummer: [V-nummer] , eiseres, en hun kinderen
[jongmeerderjarige 1], V-nummer: [V-nummer] ,
[jongmeerderjarige 2], V-nummer: [V-nummer] ,
mede namens de minderjarige kinderen
[minderjarige 1], V-nummer: [V-nummer] , en
[minderjarige 2], V-nummer: [V-nummer] , gezamenlijk eisers (gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. S.H.J. Muijlkens).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eisers tegen de bestreden besluiten van 10 oktober 2025. Met die besluiten heeft de minister de termijn voor de overdracht van eisers aan Frankrijk in het kader van de Dublinverordening tot achttien maanden verlengd.
1.1. Eisers hebben tegen de verlengingsbesluiten beroep ingesteld.
1.2. De rechtbank heeft de beroepen op 16 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eisers en hun gemachtigde zijn, met een bericht van verhindering, niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
2. Eisers vormen een Pakistaans gezin en hebben op 31 maart 2025 asiel in Nederland aangevraagd. De minister heeft op 25 juni 2025 de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen,1 omdat volgens de minister Frankrijk op grond van de Dublinverordening2 verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Frankrijk heeft de claim van Nederland geaccepteerd. Eisers hebben tegen het overdrachtsbesluit van 25 juni 2025 beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 28 november 2025 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, de beroepen van eisers niet-ontvankelijk verklaard.3 De minister heeft in de bestreden besluiten van 10 oktober 2025 de overdrachtstermijn verlengd tot achttien maanden, overeenkomstig artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening, omdat eisers waren ondergedoken, en eisers van deze verlenging op de hoogte gesteld. Eisers zijn het niet eens met de verlenging van de overdrachtstermijn en hebben onderhavig beroep ingesteld.
1. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingwet 2000 (Vw).
2 Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013.
3. De rechtbank beoordeelt de bestreden besluiten van 10 oktober 2025 aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden.
4. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen en de bestreden besluiten in stand blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Ontvankelijkheid
5. De minister heeft zich ter zitting primair op het standpunt gesteld dat het beroep van de eiser niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Eiser is namelijk op 10 december 2025 opnieuw met onbekende bestemming (MOB) vertrokken en hij heeft daarom geen procesbelang meer, aldus de minister.
6. In asielzaken moet er volgens vaste rechtspraak4 van de Afdeling in beginsel vanuit worden gegaan dat een vreemdeling geen prijs meer stelt op aanvankelijk gezochte internationale bescherming in Nederland, indien deze vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij of zij verblijft en daarom geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke behandeling van een beroep tegen het asielbesluit. Dit is alleen anders als een vreemdeling laat weten dat hij of zij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming.
7. De rechtbank overweegt dat het de vraag is of deze rechtspraak over het procesbelang bij asielprocedures ook onverkort van toepassing is in procedures die gaan over de verlenging van de overdrachtstermijn. De minister heeft dit op zitting niet nader onderbouwd. Indien dit al zo zou zijn, dan zou in ieder geval alsnog moeten worden onderzocht of de gemachtigde van eiser nog contact met eiser heeft, nu de MOB-melding van eiser vlak voor de zitting is gedaan, wat de nodige vertraging met zich zou brengen. Gelet op het voorgaande en op wat hieronder zal worden overwogen, ziet de rechtbank aanleiding om eiser ontvankelijk te achten en inhoudelijk te beslissen op ook zijn beroep.
Motivering besluiten
8. Eisers voeren aan dat de overdrachtstermijn in hun geval niet verlengd kon worden, omdat de minister in de bestreden besluiten onvoldoende heeft gemotiveerd dat er sprake was van onderduiken als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Eisers verwijzen naar een uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 10 oktober 2024,5 waaruit volgt dat een verlengingsbesluit niet deugdelijk gemotiveerd is, indien de minister geen MOB-melding heeft en het niet duidelijk is met hoeveel maanden de overdrachtstermijn verlengd is of wat de nieuwe overdrachtstermijn is.

3.ECLI:NL:RBDHA:2025:22557.

4 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijv. ECLI:NL:RVS:2019:579.
9. De rechtbank is van oordeel dat de bestreden besluiten voldoende zijn gemotiveerd. In de besluiten staat dat de overdrachtstermijn overeenkomstig artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening wordt verlengd, omdat eisers zijn vertrokken en onbekend is waarheen. Anders dan eisers stellen, is de nieuwe uiterste overdrachtstermijn (10 december 2026) wel opgenomen in de bestreden besluiten. Daarnaast blijkt uit een door de minister overgelegd uittreksel uit het systeem dat eisers op 22 april 2025 MOB zijn gemeld. Uit de dossierstukken volgt dat eisers van 22 april 2025 tot en met 2 oktober 2025 ook daadwerkelijk zijn vertrokken, zonder dat zij de minister op de hoogte hebben gesteld van hun verblijfplaats. Er is geen sprake is van eenzelfde situatie als in de door eiser aangedragen zaak van Den Haag, zittingsplaats Groningen van 10 oktober 20246, zodat de verwijzing naar die uitspraak reeds daarom niet kan slagen. De beroepsgrond faalt.

Onderduiken

10. Eisers voeren aan dat er geen sprake was van onderduiken. Eisers verwijzen naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen van 25 juli 2025,7 waaruit volgt dat er geen sprake is van onderduiken, als eisers aannemelijk kunnen maken dat het niet de bedoeling was om zich te onttrekken aan de autoriteiten met de bedoeling de overdracht te voorkomen. Eisers hadden namelijk niet de bedoeling om zich aan de autoriteiten te onttrekken met als bedoeling de overdracht te voorkomen. Eiser had ernstige medische klachten en hij kan daarom niet alle soorten voedsel eten, waarbij is verwezen naar een medisch journaal. Aangezien eisers niet hun eigen maaltijden op het asielzoekerscentrum (AZC) mochten bereiden, waren zij genoodzaakt om bij vrienden aan de grens met Frankrijk te verblijven. Eisers verbleven hier al voordat de minister op 28 mei 2025 een Dublinclaim naar Frankrijk verzond. Aangezien er nog geen verplichtingen voor eisers waren met betrekking tot de overdracht toen zij uit het AZC vertrok, kan niet worden aangenomen dat zij de bedoeling had om zich aan het toezicht te onttrekken.
11. Uit artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening volgt dat indien de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, de verplichting voor verantwoordelijke lidstaat om de vreemdeling over te nemen of terug te nemen komt te vervallen. De verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag van die vreemdeling gaat dan over op de verzoekende lidstaat. De termijn van overdracht kan tot maximaal achttien maanden worden verlengd als de vreemdeling onderduikt.
12. Uit het Jawo arrest8 volgt dat de vreemdeling „onderduikt” in de zin van die bepaling wanneer deze persoon doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, teneinde deze overdracht te voorkomen. Aangenomen mag worden dat dit het geval is wanneer die overdracht niet kan worden uitgevoerd omdat de verzoeker de hem toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de bevoegde nationale autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen, op voorwaarde dat hij werd geïnformeerd over zijn desbetreffende verplichtingen, wat de verwijzende rechter dient na te gaan. De betrokken verzoeker behoudt de mogelijkheid om aan te tonen dat er geldige redenen waren om de autoriteiten niet in te lichten over zijn afwezigheid en dat hij niet de bedoeling had om zich te onttrekken aan die autoriteiten.

6.ECLI:NL:RBDHA:2024:16508.

8 ECLI:EU:C:2019:218.
13. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake was van onderduiken als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Uit de aanvraagformulieren (M35-H) blijkt dat eisers bij hun asielaanvragen geïnformeerd zijn over hun verplichtingen, onder meer om wijzigingen van hun verblijfplaats zo snel mogelijk door te geven. Dat zij reeds met onbekende bestemming zijn vertrokken voordat er een overdrachtsbesluit was, maakt niet dat geen sprake is van onderduiken. Uit de uitspraak van de Afdeling van 10 september 20259 volgt dat van onderduiken ook sprake kan zijn als nog geen overdracht is gepland of als nog geen mogelijkheid bestaat om over te gaan tot overdracht. Hierbij wijst de Afdeling erop dat een andere uitleg zou betekenen dat de minister voorbereidingshandelingen zou moeten treffen voor vreemdelingen die allang ondergedoken zijn, alvorens zij de overdrachtstermijn te kunnen verlengen, wat in strijd zou zijn met het nuttig effect van de Dublinverordening. Nu zoals hiervoor overwogen niet in geschil is dat eisers van 22 april 2025 tot en met 2 oktober 2025, zijnde ruim vijf maanden, met onbekende bestemming zijn vertrokken en zij hun nieuwe adresgegevens niet aan de minister kenbaar hebben gemaakt, vindt de rechtbank dat de minister de overdrachtstermijn mocht verlengen. Wat is aangevoerd over de medische conditie van eiser en dat hij niet alles zou kunnen eten, maakt het voorgaande niet anders. Uit de stukken blijkt weliswaar dat sprake is van medische problemen bij eiser, maar niet dat eisers als gevolg daarvan niet in het azc konden verblijven. Voor zover dat al zo was, valt niet in te zien waarom eisers dan niet hun nieuwe verblijfplaats aan de minister door hebben kunnen geven. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
14. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat de minister de overdrachtstermijn heeft mogen verlengen.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

9.ECLI:NL:RVS:2025:4498.

Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
16 januari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.