ECLI:NL:RBDHA:2026:17980

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
NL25.57778
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 KwalificatierichtlijnArt. 8 EVRMParagraaf C2/3.3.3.3 Vreemdelingencirculaire 2000Paragraaf C7/33 Vreemdelingencirculaire 2000
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Syriër uit Daraa wegens onvoldoende persoonlijk risico op willekeurig geweld

Eiser, afkomstig uit de provincie Daraa in Syrië, verzocht om een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister werd afgewezen op grond van het gewijzigde landgebonden asielbeleid (WBV 2025/13). De rechtbank beoordeelde het beroep en concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk risico loopt op ernstige schade door willekeurig geweld of vervolging vanwege zijn gematigde islamitische leefstijl, politieke overtuiging, achternaam, familieconflicten of langdurig verblijf in Europa.

De rechtbank ging uitgebreid in op het gewijzigde Syriëbeleid, waarbij voor Daraa een relatief lager niveau van willekeurig geweld wordt aangenomen. De minister hoefde de humanitaire omstandigheden niet mee te wegen omdat deze niet in voldoende direct verband staan met het actuele geweld. De veiligheidssituatie in Daraa is fragiel maar niet van dien aard dat een hogere gradatie van willekeurig geweld gerechtvaardigd is.

Eiser voerde diverse persoonlijke omstandigheden aan, waaronder risico’s vanwege zijn leefstijl, politieke overtuiging, familieconflicten en mantelzorgsituatie, maar de rechtbank vond deze onvoldoende concreet en aannemelijk. Ook de gestelde duurzame relatie en mantelzorg boden geen grond voor een verblijfsvergunning. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep op de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijk gemaakt persoonlijk risico.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57778

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Kortrijk),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigden: mr. J. Kennis en mr. A. Al-Edani).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit tot afwijzing van zijn asielaanvraag. Volgens de minister kan eiser terugkeren naar de provincie Daraa in Syrië. Eiser is het niet eens met dit besluit.
1.1.
De rechtbank gaat in deze uitspraak in op het gewijzigde landgebonden asielbeleid voor Syrië, zoals vastgesteld in het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire (WBV) 2025/13, en de vraag of het op dat beleid gebaseerde standpunt van de minister, dat zich in Daraa een relatief lager niveau van willekeurig geweld voordoet, houdbaar is.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk risico loopt vanwege zijn gematigde islamitische leefstijl, politieke overtuiging, achternaam, familieconflicten, problemen met een lokale machthebber of zijn langdurige verblijf in Europa. De minister mocht uitgaan van het nieuwe landenbeleid (WBV 2025/13), waarin voor Daraa een relatief lager niveau van willekeurig geweld wordt aangenomen. In dat kader hoefde de minister niet méér betekenis toe te kennen aan de humanitaire omstandigheden in Syrië. Eiser heeft niet op basis van zijn persoonlijke omstandigheden en individuele situatie aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Daraa een verhoogd risico loopt op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld. Verder zijn de gestelde relatie en mantelzorgsituatie onvoldoende om eiser een verblijfsvergunning regulier te verlenen.
1.3.
De rechtbank zet hierna eerst het procesverloop, het asielrelaas en het bestreden besluit uiteen (2-4). Daarna bespreekt de rechtbank de beroepsgronden die zien op de individuele asielmotieven van eiser, namelijk zijn gestelde risico vanwege zijn gematigde islamitische leefstijl en toegedichte afvalligheid (5), zijn politieke overtuiging (6), zijn achternaam (7), de problemen met [persoon A] en de problemen met zijn vader (8), en zijn langdurige verblijf in Europa (9). Vervolgens gaat de rechtbank in op eisers beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en bespreekt zij het gewijzigde Syriëbeleid (10-14). Daarbij beoordeelt de rechtbank eerst of de minister de humanitaire omstandigheden in Syrië voldoende heeft betrokken bij de vaststelling van het beleid (12). Daarna bespreekt zij de veiligheidssituatie in de provincie Daraa en de vraag of de minister terecht is uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld (13). Vervolgens wordt beoordeeld of eiser vanwege zijn persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld (14). Tot slot gaat de rechtbank in op eisers beroep op artikel 8 van Pro het EVRM vanwege zijn gestelde duurzame relatie en het betoog over mantelzorg voor zijn neef (15), waarna zij concludeert dat het beroep ongegrond is (16).

Procesverloop

2. Eiser heeft op 19 maart 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 18 november 2025 afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en op 2 december 2025, 12 januari 2026 en 14 januari 2026 aanvullende gronden ingediend. De minister heeft op 19 januari 2026 een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister deelgenomen. Ook was de gestelde partner van eiser aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser komt uit de provincie Daraa in Syrië en behoort tot de [familienaam] -stam. Hij heeft Syrië in 2012 verlaten en is met zijn familie in Jordanië gaan wonen, waar hij tot 2016 verbleef, waarna hij in datzelfde jaar via Libië naar Europa is gekomen. Eiser heeft Syrië verlaten vanwege de oorlog, de onveilige situatie in zijn dorp Al-Hrak, dreigingen tegen hem en zijn familie en de vrees voor militaire verplichtingen. Hij heeft verklaard dat zijn familie problemen had met [persoon A] , een invloedrijk persoon uit zijn dorp die volgens eiser betrokken was bij geweld, arrestaties, ontvoeringen en afpersing en ook onder het huidige regime nog macht heeft in de regio. Daarnaast vreest eiser bij terugkeer problemen vanwege stammen- en familieconflicten, zijn achternaam en de algemene instabiele veiligheidssituatie in Daraa. Verder heeft eiser verklaard dat hij problemen vreest met het huidige Syrische regime en met radicale groeperingen omdat hij zich niet kan verenigen met het huidige bewind en zichzelf beschouwt als een gematigde moslim. Ook vreest hij bij terugkeer te worden gezien als verrader omdat hij Syrië heeft verlaten en langdurig in Europa heeft verbleven.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. Ook is volgens de minister geloofwaardig dat eiser een gematigd moslim is en een politieke overtuiging heeft. De minister heeft in het midden gelaten of geloofwaardig is dat eiser problemen heeft met [persoon A] , dat zijn familieleden onderling problemen hebben, dat zijn dorp op dit moment onveilig is, dat hij vreest voor militaire dienstplicht, dat hij als landverrader wordt gezien en dat hij vreest voor zijn vader. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de geloofwaardig geachte asielmotieven, en de asielmotieven waarvan hij de geloofwaardigheid in het midden heeft gelaten, onvoldoende zwaarwegend zijn om een verblijfsvergunning asiel te verlenen. Daarnaast is volgens de minister geen sprake meer van militaire dienstplicht en bestaan er geen aanwijzingen dat terugkeerders naar Syrië worden vervolgd of als landverrader worden gezien. Voor Daraa geldt een relatief lager niveau van willekeurig geweld en eiser heeft geen persoonlijke omstandigheden aangevoerd die een verhoogd risico opleveren. De gestelde relatie, mantelzorg en medische situatie bieden geen grond om eiser een reguliere verblijfsvergunning te verlenen.
Leidt de door eiser gestelde leefstijl tot een gegronde vrees voor vervolging wegens (toegedichte) afvalligheid?
5. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft onderkend dat hij als gematigd en niet strikt praktiserend moslim bij terugkeer naar Syrië als afvallige zal worden beschouwd en daardoor risico loopt op vervolging. Volgens eiser blijkt uit landeninformatie – het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Syrië van mei 2025 (ambtsbericht) en twee rapporten van VluchtelingenWerk Nederland van 10 april 2025 en 18 december 2025 – dat afvalligheid en afwijkend religieus gedrag kunnen leiden tot verstoting binnen de gemeenschap. Eiser zal, zoals ook blijkt uit WBV 2025/13, geen bescherming kunnen krijgen van de autoriteiten of internationale organisaties.
5.1.
Eiser heeft verklaard dat hij een soennitische moslim is. [1] Ook heeft hij aangegeven dat hij van jongs af aan de Koran leest, bidt en vast en geld geeft aan arme mensen. [2] Daarnaast heeft eiser aangegeven dat hij alcohol drinkt en andere religies en homoseksualiteit accepteert [3] en dat hij relaties heeft met vrouwen buiten het huwelijk. Om die reden beschouwt eiser zichzelf als een gematigd moslim. [4]
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn vrees voor vervolging wegens (toegedichte) afvalligheid onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Uit de hiervoor weergegeven verklaringen van eiser volgt weliswaar dat hij zijn geloof minder strikt praktiseert en gedragingen vertoont die niet passen binnen een conservatieve islamitische leefwijze, maar daarmee heeft hij nog niet aannemelijk gemaakt dat hij daarom bij terugkeer naar Syrië als afvallige zal worden aangemerkt. Hierbij heeft de minister terecht betrokken dat eiser heeft verklaard dat hij zijn denkbeelden en zijn leefstijl altijd voor zichzelf hield. [5] De minister heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen concrete aanknopingspunten heeft aangedragen dat hij persoonlijk problemen zal krijgen vanwege zijn leefstijl. De enkele verwachting van eiser dat hij problemen zal krijgen is daarvoor onvoldoende. Eiser heeft ook niet met landeninformatie onderbouwd dat personen die zoals hij de gematigde (interpretatie van de) islam aanhangen, in Daraa als afvallig worden beschouwd. De minister heeft terecht gewezen op de algemene landeninformatie, waaruit blijkt dat de Syrische maatschappij een gevarieerd beeld vertoont ten aanzien van onder meer kleding, het dragen van een hoofddoek of nikab en alcoholgebruik. [6] Ook volgt daaruit niet dat de nieuwe autoriteiten in Syrië op landelijk niveau strikte islamitische leefregels hebben ingevoerd of personen bestraffen die niet volgens dergelijke regels leven. [7] Ook heeft de minister in het verweerschrift onweersproken gesteld dat uit het rapport van de European Union Agency for Asylum van december 2025 (EUAA-rapport) blijkt dat de overgangsregering geen wetten heeft aangenomen die muziek, gemengd contact tussen mannen en vrouwen, het dragen van een hoofddoek of alcoholgebruik beperken. [8] Omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij, als gevolg van zijn leefwijze, bij terugkeer als afvallige zal worden aangemerkt, behoeven de overgelegde notities van VluchtelingenWerk over afvalligheid in Syrië geen nadere bespreking. Daarbij tekent de rechtbank nog wel aan dat het citaat uit de brief van VluchtelingenWerk van 10 april 2025 over de risico’s van afvalligheid, dat eiser aanhaalt in het beroepschrift, niet gaat over de situatie in Daraa, maar over de situatie in Idlib en in het noorden van de provincie Aleppo, en dat uit het ambtsbericht juist blijkt dat de geraadpleegde bronnen niet bekend waren met concrete voorbeelden van atheïsten en afvalligen van de islam die na de machtsovername problemen ondervonden. [9] Ook in de brief van VluchtelingenWerk van 18 december 2025 wordt geen concreet geval benoemd van een afvallige of atheïst die problemen zou hebben ondervonden door de nieuwe overgangsregering en ook vermeldt deze brief geen informatie over Daraa. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Daraa risico loopt vanwege een toegedichte afvalligheid behoeft zijn verwijzing naar het beleid over het ontbreken van bescherming door autoriteiten of internationale organisaties geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn politieke overtuiging bij terugkeer naar Syrië een gegronde vrees voor vervolging heeft?
6. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft onderkend dat hij vanwege zijn politieke overtuiging en zijn kritische houding tegenover de huidige machthebbers in Syrië risico loopt bij terugkeer. De minister stelt ten onrechte dat eiser een zwakke politieke overtuiging heeft. Volgens eiser kan hem niet worden tegengeworpen dat hij zich niet openlijk, bijvoorbeeld via sociale media, tegen het regime heeft uitgesproken, omdat juist de gevaarlijke en instabiele situatie in Daraa maakt dat hij daar terughoudend in is. Eiser stelt dat kritiek op machtsgroeperingen, milities en lokale autoriteiten kan leiden tot represailles tegen hemzelf of zijn familie en dat zelfs zwijgen kan worden uitgelegd als oppositie of wantrouwen. Ter onderbouwing verwijst eiser naar landeninformatie waaruit volgens hem blijkt dat personen die zich (vermeend) verzetten tegen de interim-regering, waaronder activisten, journalisten, mensenrechtenverdedigers en gebruikers van sociale media die kritiek uiten op de autoriteiten, risico lopen. Hoewel na de val van Assad aanvankelijk meer ruimte bestond voor vrije meningsuiting, is die ruimte volgens eiser geleidelijk kleiner geworden. Daarnaast volgt uit een brief van VluchtelingenWerk Nederland van 6 januari 2026 volgens eiser dat de Syrische autoriteiten online activiteiten, ook vanuit het buitenland, blijven monitoren via sociale media en informele netwerken van informanten, waardoor een cultuur van angst en zelfcensuur blijft bestaan.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn politieke overtuiging bij terugkeer naar Syrië een gegronde vrees voor vervolging heeft. Daarbij heeft de minister terecht deze overtuiging als zwak aangemerkt. Eiser heeft zich volgens zijn verklaringen in het verleden niet politiek geuit, doet dit momenteel ook niet en heeft ook niet concreet gemaakt hoe hij zich bij terugkeer naar Syrië politiek zou willen uiten. [10] Verder heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen concrete aanknopingspunten heeft aangedragen dat hij bij terugkeer problemen zal ondervinden vanwege zijn politieke overtuiging. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Syrische autoriteiten bekend zijn met zijn opvattingen, hem als opposant beschouwen of hem monitoren vanwege politieke activiteiten. Dat eiser uitvoerig heeft toegelicht waarom hij zich uit angst voor repercussies niet uitspreekt, maakt op zichzelf nog niet aannemelijk dat sprake is van een sterke politieke overtuiging of dat hij daardoor in de negatieve belangstelling van de Syrische autoriteiten zal komen te staan. De door eiser overgelegde landeninformatie en de brieven van VluchtelingenWerk Nederland leiden niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat uit die informatie volgt dat er sinds de val van het Assad-regime enige ruimte bestaat voor publieke kritiek op de overgangsregering [11] , heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij van die ruimte gebruik zal maken of op welke wijze hij zijn politieke overtuiging daadwerkelijk zal uiten. Daarom heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat deze algemene landeninformatie onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft bij terugkeer naar Syrië. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn familienaam bij terugkeer naar Syrië een risico loopt op vervolging of ernstige schade?
7. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft onderkend dat hij vanwege zijn achternaam ‘ [familienaam] ’ risico loopt bij terugkeer naar Syrië. Volgens eiser behoort de stam [familienaam] tot de vier grootste en invloedrijkste stammen in de regio Daraa, waar al jarenlang sprake is van stammenstrijd, rivaliteit en bloedwraak. Ter onderbouwing verwijst eiser naar verschillende artikelen en nieuwsberichten over geweldsincidenten en moorden op personen met de achternaam [familienaam] in Daraa en Damascus in 2025. [12] Ook verwijst eiser naar een analyse van CTC Sentinel over de stammenstructuren in Zuid-Syrië. [13] Volgens eiser volgt hieruit dat personen met de naam [familienaam] doelwit kunnen zijn van geweld en dat zijn achternaam hem ook buiten zijn directe woonomgeving kwetsbaar maakt. Daarom is, aldus eiser, het standpunt van de minister dat eiser niet te vrezen heeft voor problemen vanwege zijn familienaam onvoldoende zorgvuldig en ondeugdelijk gemotiveerd.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn familienaam [familienaam] bij terugkeer naar Syrië vervolgd zal worden of een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarbij heeft de minister terecht van belang geacht dat eiser, ondanks daartoe meerdere malen in de gelegenheid te zijn gesteld, niet concreet heeft gemaakt welke problemen hij persoonlijk vanwege zijn achternaam vreest en van wie hij die problemen verwacht. [14] De door eiser gestelde vrees blijft daarmee algemeen en speculatief van aard. De minister heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat uit de door eiser overgelegde nieuwsberichten niet volgt dat personen met de familienaam [familienaam] enkel vanwege die naam doelwit waren van geweld. Uit de artikelen blijkt dat sprake is van incidenten met onbekende daders en een onbekend motief. De minister heeft daarom terecht overwogen dat uit deze berichten niet kan worden afgeleid dat personen met de naam [familienaam] in algemene zin een verhoogd risico lopen. Voor zover eiser in beroep aanvullende nieuwsberichten heeft overgelegd, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat ook daaruit niet blijkt dat de betreffende incidenten uitsluitend verband hielden met de familienaam van de slachtoffers. Ten aanzien van de moord op de activist [naam activist] heeft de minister bovendien terecht opgemerkt dat uit het artikel juist volgt dat het incident waarschijnlijk verband hield met zijn publieke activisme. Daarnaast heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het door eiser overgelegde artikel uit CTC Sentinel onvoldoende is voor een ander oordeel. Daarbij heeft de minister terecht betrokken dat dit artikel dateert uit 2014 en daarmee geen inzicht geeft in de actuele situatie in Daraa. Bovendien volgt uit dat artikel niet dat op dit moment sprake is van een actuele of grootschalige stammenstrijd waarbij de stam [familienaam] betrokken is. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië persoonlijk te vrezen heeft voor problemen vanwege de gestelde conflicten met [persoon A] en zijn familie?
8. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser onvoldoende concreet heeft verklaard over de problemen met [persoon A] , zijn familie en zijn vader. Eiser wijst erop dat hij tijdens het nader gehoor uitgebreid heeft verklaard over de conflicten binnen zijn familie, de spanningen en wraakcultuur in zijn dorp Al-Hrak en de afpersing van zijn vader door [persoon A] onder bedreiging van geweld. Volgens eiser staat [persoon A] in het dorp bekend als een gevaarlijke gewapend persoon die banden heeft met veiligheidsdiensten van het voormalige Syrische regime, en in eisers dorp heerst een zwijgcultuur uit angst voor represailles. Verder heeft eiser verklaard dat zijn vader door jaloezie en “zwarte magie” psychisch veranderde, woedeaanvallen kreeg en gewelddadig werd binnen het gezin, waardoor eiser ernstig getraumatiseerd raakte en uiteindelijk uit Jordanië is gevlucht. Volgens eiser heeft de minister deze verklaringen ten onrechte niet voldoende concreet geacht en is het besluit daarom onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk problemen zal ondervinden vanwege de gestelde conflicten van zijn familie met [persoon A] of vanwege de problemen binnen zijn familie. Daarbij heeft de minister terecht van belang geacht dat eiser weliswaar uitvoerig heeft verklaard over spanningen, afpersing van zijn vader, stammenconflicten en de angstcultuur in zijn dorp, maar niet concreet inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze hijzelf daarin betrokken is geraakt en welke problemen hij daardoor bij terugkeer naar Syrië zal ondervinden. De minister heeft eiser terecht tegengeworpen dat hij geen concrete, individuele aanknopingspunten heeft aangedragen waaruit blijkt dat juist hij persoonlijk in de negatieve belangstelling staat van [persoon A] of andere betrokkenen. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de door eiser beschreven problemen in belangrijke mate zien op zijn vader en diens conflicten. Dat eisers vader volgens eiser zou zijn afgeperst door [persoon A] leidt niet zonder meer tot de conclusie dat ook eiser daardoor een reëel risico loopt. Daarbij heeft de minister terecht betrokken dat eiser heeft verklaard dat hij na zijn vertrek geen contact meer heeft gehad met dorpsgenoten of de families die bij de conflicten betrokken zouden zijn. [15] Ook heeft de minister terecht gewezen op het ontbreken van objectieve onderbouwing van de gestelde problemen rondom [persoon A] . De minister heeft daarnaast terecht meegewogen dat het voormalige Assad-regime niet langer de macht heeft in Daraa en dat de veiligheidsdiensten waaraan [persoon A] volgens eiser verbonden was, zijn opgeheven.
8.2.
Voor zover eiser vreest voor zijn vader vanwege huiselijk geweld, heeft de minister zich eveneens terecht op het standpunt gesteld dat deze vrees onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Daarbij heeft de minister terecht in aanmerking genomen dat de door eiser beschreven geweldsincidenten zich in Jordanië hebben afgespeeld en dat eiser zelf heeft verklaard dat zijn vader nog steeds in Jordanië verblijft en de familie niet van plan is terug te keren naar Syrië. [16] De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt het langdurige verblijf van eiser in Europa tot een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Syrië?
9. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft onderkend dat hij vanwege zijn langdurige verblijf in Europa bij terugkeer naar Syrië in negatieve belangstelling zal komen te staan. Eiser heeft in de zienswijze verwezen naar bronnen waaruit blijkt dat terugkeerders uit Europa als verdacht kunnen worden gezien, worden gecontroleerd op sociale media en risico lopen op ondervraging, afpersing of beschuldigingen van samenwerking met westerse overheden. Volgens eiser wordt dit risico in zijn dorp Al-Hrak vergroot door jaloezie, oude vetes en spanningen tussen families. De verwijzing van de minister naar het ambtsbericht, waarin staat dat terugkeerders geen problemen aan de grens hebben ondervonden, acht eiser onvoldoende, omdat dit niets zegt over de problemen die hij na terugkeer in zijn woonplaats vreest.
9.1.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn betoog dat Syriërs na terugkeer uit Europa structureel worden ondervraagd, verdacht worden gemaakt of anderszins risico lopen, niet heeft onderbouwd met objectieve bronnen. Daarnaast heeft eiser geen concrete, individuele aanknopingspunten aangedragen waaruit volgt dat híj persoonlijk vanwege zijn verblijf in Europa in de negatieve belangstelling zal komen te staan. De enkele stelling dat terugkeerders als “rijk” worden gezien of dat in zijn dorp sprake is van jaloezie en oude vetes, is te algemeen en speculatief. De minister heeft verder terecht bij zijn beoordeling betrokken dat uit het ambtsbericht volgt dat niet gebleken is dat Syriërs bij hun terugkeer aan de grens problemen ondervonden [17] , en dat ook uit openbare informatie blijkt dat veel Syriërs vrijwillig terugkeren naar Syrië. [18] Het betoog dat het ambtsbericht geen uitsluitsel geeft over de situatie na februari 2025, en zich beperkt tot het grensgebied, leidt niet tot een ander oordeel. Het ontbreken van actuele of gedetailleerdere informatie verschuift de bewijslast niet: het is aan eiser om met concrete aanwijzingen te onderbouwen dat de situatie inmiddels wezenlijk anders is en dat hij daardoor (persoonlijk) risico loopt. Bovendien heeft de minister in het verweerschrift terecht gesteld, onder verwijzing naar het EUAA-rapport, dat niet gebleken is van een gewijzigde situatie. De beroepsgrond slaagt niet.
Loopt eiser bij terugkeer naar Syrië het risico slachtoffer te worden van willekeurig geweld?
10. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft onderkend dat hij bij terugkeer naar de provincie Daraa het risico loopt op ernstige schade wegens willekeurig geweld. Eiser heeft hiertoe verschillende beroepsgronden aangevoerd die de rechtbank hieronder zal bespreken. Voorafgaand daaraan zal de rechtbank ingaan op het toepasselijke beleid.
Beleid van de minister
11. Na de val van het regime Assad heeft de minister met WBV 2025/13 [19] het landgebonden asielbeleid over Syrië gewijzigd. [20] Deze beleidswijziging, gebaseerd op het ambtsbericht, is aangekondigd in de brief van 10 juni 2025. [21] De minister heeft per provincie een beoordeling verricht op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (15c-beoordeling). De minister heeft voor geheel Syrië, ook voor de provincie Daraa, een lager niveau van willekeurig geweld aangenomen. In het beleid van de minister zijn humanitaire omstandigheden niet betrokken in de beoordeling. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat daartoe geen noodzaak bestond, omdat ze niet relevant zijn voor de beoordeling van het willekeurig geweld in Syrië.
Is het beleid volledig?
12. Eiser betoogt dat de minister in het beleid dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit humanitaire omstandigheden ten onrechte niet in de beoordeling heeft betrokken. Hij verwijst naar een uitspraak van zittingsplaats Haarlem van 11 december 2025 [22] , een uitspraak van zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 11 december 2025 [23] en de verwijzingsuitspraak van zittingsplaats Roermond van 29 december 2025. [24]
12.1.
In haar uitspraak van 19 mei 2026 [25] heeft deze rechtbank en zittingsplaats overwogen dat humanitaire omstandigheden, ook wanneer zij indirect voortvloeien uit willekeurig geweld, van betekenis kunnen zijn bij de beoordeling op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Vereist is wel dat zij in voldoende rechtstreeks verband staan met dat geweld. Ontbreekt een dergelijk verband of is dit te ver verwijderd geraakt, dan vallen deze omstandigheden buiten het bereik van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Dat geldt ook voor humanitaire omstandigheden die weliswaar zijn veroorzaakt door een actor die eerder partij was bij het conflict, maar die niet langer voldoende samenhangen met het actuele willekeurige geweld. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië, voor zover sprake is van voldoende causaal verband met willekeurig geweld, in overwegende mate het gevolg zijn van het handelen van het Assad-regime, dat geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. De minister mocht deze humanitaire omstandigheden daarom buiten beschouwing laten bij de vaststelling van de gradatie van het willekeurig geweld. Het beleid is in zoverre daarom niet onvolledig. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het voorliggende geval, waarin eiser heeft gewezen op vergelijkbare landeninformatie en dezelfde uitspraken, tot een ander oordeel te komen. Ook heeft eiser niet gesteld dat de beoordeling in het beleid op andere punten onvolledig is. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Had de minister voor Daraa een hogere gradatie van willekeurig geweld moeten aannemen?
13. Eiser betoogt dat de minister voor de provincie Daraa ten onrechte een relatief lager niveau van willekeurig geweld aangenomen. De provincie Daraa staat grotendeels buiten de controle van de centrale autoriteiten en de veiligheidssituatie is complex. Uit de landeninformatie [26] blijkt volgens eiser dat de veiligheids- en humanitaire situatie in Zuid-Syrië, waaronder de provincie Daraa, nog steeds zeer ernstig is vanwege tribale conflicten, gewapende groeperingen, Israëlische aanvallen en ontplofbare oorlogsresten. Daarnaast stelt eiser dat voor hem geen veilig vestigingsalternatief bestaat, omdat hij buiten Daraa geen sociaal netwerk of bescherming heeft en jonge mannen uit Daraa risico lopen op discriminatie, arrestatie of rekrutering. Ook is de humanitaire situatie volgens eiser verslechterd, wat volgens hem blijkt uit een rapport van 23 juli 2025 van het Rode Kruis.
13.1.
In het besluit heeft de minister toepassing gegeven aan WBV 2025/13. Volgens de toelichting op dat beleid blijkt uit het ambtsbericht dat de algemene situatie in Syrië door de val van het regime van Assad redelijk verbeterd is en dat daarom voor geheel Syrië een lager niveau van willekeurig geweld wordt aangenomen. In de bijlage 15c-beoordeling bij de brief van de minister van 10 juni 2025 is per provincie een beschrijving gegeven van de veiligheidssituatie. In het voornemen stelt de minister zich op het standpunt dat in Syrië sprake is van een fragiele veiligheidssituatie met incidentele, vooral gerichte geweldsuitbarstingen en een relatief laag aantal burgerslachtoffers, zodat slechts in geringe mate sprake is van willekeurig geweld. De veiligheidssituatie is volgens de minister vooral fragiel, omdat het voor de overgangsregering een uitdaging is om haar autoriteit in alle gebieden te vestigen. In het verweerschrift heeft de minister zich (aanvullend) op het standpunt gesteld dat ontwikkelingen van na het besluit geen aanleiding geven voor een andere conclusie over de gradatie van het willekeurig geweld. De minister leidt uit recentere landeninformatie [27] af dat het aantal veiligheidsincidenten en burgerslachtoffers in Daraa sinds eind 2024 is gedaald en dat sprake is van een toenemende terugkeer van Syriërs naar dit gebied, wat duidt op een verbeterde veiligheidssituatie. Verder neemt de dreiging om het slachtoffer te worden van niet-ontplofte oorlogsresten af.
13.2.
Het in het besluit toegepaste beleid van de minister is gebaseerd op het ambtsbericht. De rechtbank zal daarom hierna eerst, aan de hand van het ambtsbericht en de door eiser overgelegde landeninformatie, voor zover die ziet op dezelfde periode, een beschrijving geven van de veiligheidssituatie in Daraa (13.3). Omdat partijen in beroep ook stukken hebben ingeroepen die dateren van na het bestreden besluit – zal de rechtbank ook een uiteenzetting geven van de in die stukken beschreven veiligheidssituatie (13.4). Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of de minister ten tijde van het besluit en in beroep had moeten uitgaan van een hogere gradatie van willekeurig geweld dan de in WBV 2025/13 opgenomen laagste gradatie (13.5).
Beschrijving veiligheidssituatie in Daraa
13.3.
In het ambtsbericht [28] wordt beschreven dat Daraa werd gekenmerkt door een complexe veiligheidssituatie met een groot aantal lokaal opererende gewapende groepen en beperkte effectieve controle door de centrale autoriteiten. Dit ging gepaard met grote onderlinge spanningen, een wijdverspreide aanwezigheid van wapens, een hoge mate van straffeloosheid en terugkerende lokale geweldsdynamieken, waaronder tribaal geweld tussen verschillende groepen en families. Het geweld bestond uit vrijwel dagelijkse incidenten en incidentele escalaties, waarbij in de verslagperiode ook Israëlische luchtaanvallen plaatsvonden met burgerslachtoffers [29] . Daarnaast waren er spanningen en kortstondige confrontaties tussen de centrale autoriteiten, gewapende overblijfselen van het Assad-regime en lokale gewapende groepen. De integratie van deze gewapende groepen onder het nieuwe ministerie van Defensie verliep moeizaam. In het oosten van de provincie Daraa werd medio april 2025 de Achtste Brigade, een prominente gewapende groep onder leiding van [naam leider], ontbonden, onder druk van zowel lokale burgers als de autoriteiten. Er waren berichten over kortstondige gevechten tussen deze gewapende groep en regeringstroepen. Na deze schermutselingen gaven verschillende eenheden van de Achtste Brigade zich over aan troepen die gelieerd waren aan het ministerie van Defensie.
In het ambtsbericht staat dat sinds eind november 2024 meer dan 713.000 personen binnenlands ontheemd zijn geraakt en ongeveer 110.000 personen naar Libanon zijn gevlucht. In het zuidwesten van Syrië, waaronder Daraa, vond daarnaast kleinschaligere, soms tijdelijke, ontheemding plaats als gevolg van Israëlische militaire activiteiten.
Verder vermeldt het ambtsbericht dat ontplofbare oorlogsresten, waaronder mijnen en niet-ontplofte munitie, in grote delen van Syrië een voortdurende ernstige bedreiging vormden voor burgers. Volgens UN OCHA waren incidenten hiermee een dagelijkse realiteit. Tussen 8 december 2024 en 30 april 2025 kwamen hierdoor ten minste 372 personen om het leven en raakten 543 personen gewond. Daraa wordt daarbij niet specifiek genoemd als een van de zwaarst getroffen gebieden wat betreft ontplofbare oorlogsresten.
13.4.
In het EUAA-rapport [30] staat dat de veiligheidssituatie in Daraa fragiel blijft door de aanwezigheid van gewapende groepen, tribale en sektarische conflicten, wraakmoorden, ontvoeringen en Israëlische luchtaanvallen en grondoperaties. De effectieve controle over de provincie is gefragmenteerd, ondanks dat het gebied grotendeels onder regeringscontrole staat. Volgens ACLED werden tussen 9 december 2024 en 26 september 2025 in totaal 369 veiligheidsincidenten geregistreerd, gemiddeld ongeveer 8,9 incidenten per week. Het ging vooral om explosies, geweld op afstand, geweld tegen burgers en gevechten, waarbij in maart en april een piek zichtbaar was gevolgd door een daling in de maanden daarna. SNHR registreerde in dezelfde periode 168 burgerslachtoffers, wat neerkomt op ongeveer 13 burgerslachtoffers per 100.000 inwoners. Daarnaast bleef sprake van risico’s door niet-ontplofte oorlogsresten, die slachtoffers veroorzaakten en de toegang tot voorzieningen beperkten. EUAA concludeert dat in Daraa sprake is van willekeurig geweld, maar niet van een hoog niveau daarvan. In het EUAA-rapport staat verder dat UNHCR in juni 2025 ongeveer 66.480 intern ontheemden en 24.122 teruggekeerde binnenlands ontheemden in Daraa registreerde. Daarnaast keerden sinds begin 2024 tienduizenden personen vanuit het buitenland terug naar de provincie, oplopend tot ruim 93.000 terugkeerders sinds december 2024.
Verder vermeldt het EUAA-rapport dat burgers in Daraa blijvend risico lopen door niet-ontplofte oorlogsresten, met name in onbeveiligde militaire gebieden en landelijke gebieden. Deze explosieven blijven slachtoffers veroorzaken en beperken de toegang tot essentiële voorzieningen en bestaansmiddelen.
13.5.
De rechtbank leidt uit deze informatie af dat, hoewel de veiligheidssituatie in Daraa zorgelijk en instabiel is, deze niet wijst op een zodanige intensiteit van het willekeurig geweld dat de minister gehouden was een hogere gradatie van willekeurig geweld aan te nemen. Hiertoe overweegt de rechtbank dat uit de landeninformatie weliswaar volgt dat sprake is van dagelijkse veiligheidsincidenten, tribale conflicten, gewapende groeperingen, Israëlische aanvallen en een gefragmenteerde veiligheidsstructuur, maar ook dat het geweld in belangrijke mate bestaat uit gericht geweld, zoals wraakmoorden, ontvoeringen, sektarische aanvallen en confrontaties tussen specifieke gewapende actoren. De aard van het geweld wijst er daarom niet zonder meer op dat het de burgerbevolking in algemene zin treft. Ook de intensiteit van het geweld en het aantal slachtoffers bieden onvoldoende aanknopingspunten voor een hogere gradatie. De rechtbank verwijst in dit verband naar de onder 13.4 genoemde aantallen veiligheidsincidenten en burgerslachtoffers. Bovendien volgt uit de landeninformatie dat de centrale autoriteiten gaandeweg beter in staat zijn hun gezag in Daraa te consolideren, onder meer door de (gedeeltelijke) integratie en ontbinding van lokale gewapende groepen en de toegenomen aanwezigheid van regeringsgerelateerde veiligheidsdiensten. Deze ontwikkeling duidt op een zekere stabilisering en versterking van de veiligheidsstructuur. Verder zijn er weliswaar intern ontheemdenstromen en tijdelijke verplaatsingen geweest, mede door Israëlische militaire activiteiten, maar tegelijkertijd blijkt uit de stukken dat grote aantallen personen juist naar Daraa terugkeerden vanuit het buitenland en Syrië zelf. Ten aanzien van de ontplofbare oorlogsresten geldt dat deze volgens het ambtsbericht en het EUAA-rapport een ernstig risico voor burgers blijven vormen. Daraa wordt echter niet genoemd als een van de zwaarst getroffen gebieden en de risico’s lijken bovendien vooral geconcentreerd in onbeveiligde militaire en landelijke gebieden.
De andere door eiser genoemde rapporten laten geen wezenlijk ander beeld zien. Het artikel van het Turkse staatsmedium Anadolu Agency gaat over de inval van Israëlische troepen in Daraa. Die invallen deden zich ook al voor tijdens de verslagperiode van het ambtsbericht. Ze waren kortdurend en niet willekeurig, maar gericht.
De door eiser genoemde uitspraken van andere zittingsplaatsen geven geen aanleiding voor een ander oordeel. Hierbij betrekt de rechtbank ook dat deze niet zien op de provincie Daraa.
13.5.
Op grond van het vorenstaande heeft de minister zich, zowel in het besluit als in beroep, terecht op het standpunt gesteld dat zich in Daraa geen hogere gradatie dan de in het beleid aangenomen gradatie van willekeurig geweld voordoet.
Verhoogd risico slachtoffer willekeurig geweld
14. Zoals volgt uit het arrest X en Y [31] , en het beleid in paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000, zoals dat luidde tot 12 juni 2026, moet de betrokkene in minder uitzonderlijke situaties (de middelste en laagste gradatie) aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat die omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld en juist de betrokkene specifiek vanwege deze omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
14.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser op basis van zijn persoonlijke omstandigheden en individuele situatie onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Daraa een verhoogd risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld loopt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, gelet op de voor artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn geldende glijdende schaal, bij een relatief lager niveau van willekeurig geweld, de door de betrokkene naar voren gebrachte risicoverhogende omstandigheden meer gewicht moeten hebben om een reëel risico aan te kunnen nemen. [32] De minister stelt terecht dat eiser geen concrete, individuele omstandigheden heeft aangevoerd waaruit volgt dat hij zich in een positie bevindt die wezenlijk afwijkt van die van de gemiddelde burger in Daraa. De door eiser genoemde omstandigheden, waaronder zijn achternaam en gestelde problemen met andere families, zien niet op het risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld, maar op gericht geweld. Voor het overige heeft eiser slechts in algemene zin verwezen naar de veiligheidssituatie en naar door hem overgelegde landeninformatie, wat onvoldoende is om een individueel verhoogd risico aan te nemen. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een significant verhoogd risico loopt ten opzichte van andere personen.
Reguliere verblijfsvergunning
15. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM, ondanks zijn gestelde duurzame relatie met zijn partner en de mantelzorg die hij verleent aan zijn neef. Eiser voert aan dat hij door toedoen van het COA niet in staat was zich op het adres van zijn partner in te schrijven, maar dat dit niet afdoet aan het bestaan van een feitelijke samenwoning en een bestendig opgebouwd privé- en familieleven. Ter onderbouwing verwijst eiser naar hetgeen hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht, waaronder de overgelegde vragenlijst, foto’s, inkomensgegevens en overige stukken. Ten aanzien van de mantelzorg stelt eiser dat de minister onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de intensiteit en noodzaak van de zorgrelatie met zijn neef.
15.1.
De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een duurzame relatie, vergelijkbaar met een huwelijk, heeft met zijn gestelde partner. Daarbij heeft de minister terecht betrokken dat eiser tijdens het gehoor geen volledige openheid van zaken heeft gegeven over de gestelde relatie, zonder dat daarvoor een afdoende verklaring is gegeven. [33] Hierdoor is de minister in zijn onderzoeksmogelijkheden beperkt gebleven. Voorts heeft de minister terecht overwogen dat de overgelegde foto’s, gelet op het ontbreken van context zoals tijdstip en plaats, onvoldoende objectieve onderbouwing bieden voor het bestaan van een bestendige en duurzame relatie. Ook de beantwoording van de vragen door eiser is in algemene bewoordingen gebleven, terwijl concrete aanknopingspunten voor samenwoning ontbreken. Dat eiser niet in staat was zich in te schrijven op het adres van zijn partner, maakt dit niet anders, nu niet is gebleken dat hij op andere wijze de gestelde feitelijke samenwoning aannemelijk heeft gemaakt. De beroepsgrond slaagt in zoverre niet.
15.2.
Ten aanzien van de gestelde mantelzorg heeft de minister zich in het besluit op het standpunt gesteld dat uit de overgelegde stukken – de brieven van GGz Breburg van 23 december 2024 en de gemeente Breda van 20 december 2024 – niet volgt dat de neef van eiser zodanig afhankelijk is van eiser dat sprake is van een situatie waarin de zorg niet door anderen kan worden overgenomen. Met de enkele verwijzing in beroep naar de zienswijze heeft eiser dit standpunt niet weersproken. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

16. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, voorzitter, en mr. M. van Harten en mr. B. Koopman, leden, in aanwezigheid van mr. R. Barzilay, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Aanmeldgehoor Dublin 24 november 2016 p. 1 en 4, aanmeldgehoor Dublin 16 juni 2017, p. 1 en aanmeldgehoor Dublin 2 april 2023, p. 1 en 4.
2.Nader gehoor, p. 9 en 24.
3.Nader gehoor, p. 23.
4.Nader gehoor, p. 14, 20, 21, 23 en 24.
5.Nader gehoor, p. 24.
6.Ambtsbericht mei 2025, p. 109-110.
7.European Union Agency for Asylum (EUAA), Syria: Country Focus, country report, p. 29-30.
8.Country Guidance Syria, Comprehensive Update van 2 december 2025, p. 39.
9.P. 101.
10.Nader gehoor, p. 22 en 23.
11.Zie ook het ambtsbericht, p. 112.
12.De artikelen ‘ [persoon B] Killed by Unknown Gunmen in Al-Harak City, Daraa Countryside” van SNHR van 17 september 2025, ‘ [persoon C] was killed by unknown gunmen in the town of Busr al-Hariri in the eastern Daraa countryside’ van 28 augustus 2025, ‘New assassination / Prominent activist and his escort killed in gunfire by unknown gunmen in Daraa countryside" van 10 juni 2025 en ‘Man named [persoon D] dies on january 1, 2025, of wounds caused by gunfire in Damascus city on December 8, 2024 van 2 januari 2025.
13.‘A Profile of Syria’s Strategic Dar a Province’ in CTC Sentinel van juni 2014.
14.Nader gehoor, p. 17.
15.Nader gehoor, p. 26.
16.Nader gehoor, p. 5 en 20.
17.Ambtsbericht, p. 128.
18.[website] .
19.Stcrt. 2025, nr. 20828.
20.Paragraaf C7/33 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
21.TK 2024-2025, 19 637, nr. 3435. Zie ook de bijlagen bij deze brief: de beslisnota en de 15c-beoordeling.
26.Eiser wijst op het ambtsbericht en legt een notitie van VluchtelingenWerk Nederland over van 8 januari 2026, een artikel van 2 januari 2026 van het Turkse staatsmedium Anadolu Agency en een artikel van 24 juni 2025 Al Majalla over de situatie in Daraa na de val van Assad.
27.De minister wijst op het EUAA-rapport van december 2025
28.P. 54-57.
29.Bij een luchtaanval nabij de provinciehoofdstad Daraa kwamen 3 mensen om en vielen 25 gewonden.
30.Dat beslaat de periode december 2024 – mei 2025 en bevat, voor wat betreft de mensenrechten, de veiligheid en de sociaal economische omstandigheden, aanvullende informatie over de periode van 1 juni 2025 tot 30 september 2025.
31.Punt 42 van het arrest.
32.Paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vc 2000.
33.Nader gehoor, p. 8.