ECLI:NL:RBDHA:2026:18002

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
09/282314-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 SrArt. 48 SrArt. 57 SrArt. 157 SrArt. 286 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplichtigheid aan levensgevaarlijke ontploffingen en voorbereiding daarvan

De rechtbank Den Haag heeft op 2 juli 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die werd vervolgd voor medeplichtigheid aan het medeplegen van drie levensgevaarlijke ontploffingen en medeplichtigheid aan de voorbereiding van een ontploffing. De feiten vonden plaats in maart 2025 in Den Haag en betroffen explosies bij woningen waarbij bewoners gevaar liepen.

De zaak kenmerkte zich door procesafspraken tussen de officier van justitie en de verdediging, waarbij de verdachte afstand deed van onderzoekswensen en verweren, en het OM een strafeis van 28 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest vorderde. De rechtbank heeft de verdachte op de terechtzitting ondervraagd en vastgesteld dat hij vrijwillig en bewust instemde met deze afspraken.

De rechtbank achtte de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen op basis van de bewijsmiddelen en verklaarde de verdachte strafbaar. De strafoplegging van 28 maanden gevangenisstraf werd passend geacht gezien de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de procesafspraken. De verdachte had geen strafblad en de reclassering kon geen advies geven over recidiverisico.

De rechtbank benadrukte het maatschappelijke belang van een effectieve strafrechtspleging en de bijdrage van de procesafspraken daaraan. De opgelegde straf is onvoorwaardelijk en zal worden uitgevoerd binnen de penitentiaire inrichting, met aftrek van voorarrest en onder voorwaardelijke invrijheidstelling conform de wet.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 28 maanden gevangenisstraf voor medeplichtigheid aan drie ontploffingen en voorbereiding daarvan.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/282314-25
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Tegenspraak
Verkort vonnis
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 18 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. Mol en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. J.A.J. Brahm naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als
bijlage Iaan dit vonnis gehecht.
Kort samengevat wordt de verdachte vervolgd ter zake van:
Medeplichtigheid aan het veroorzaken van een levensgevaarlijke explosie op 7 maart 2025 bij een woning aan de [adres 2] ;
Medeplichtigheid aan het veroorzaken van een levensgevaarlijke explosie op 9 maart 2025 bij een woning aan de [adres 3] ;
Medeplichtigheid bij de voorbereidingshandelingen voor het veroorzaken van een levensgevaarlijke explosie bij een woning aan de [adres 4] in de periode van 9 tot 10 maart 2025;
Medeplichtigheid bij de voorbereidingshandelingen voor het veroorzaken van een levensgevaarlijke explosie bij een woning aan de [adres 4] op 18 maart 2025.

3.Procesafspraken

3.1.
Aard van de zaak
Deze zaak kenmerkt zich doordat de officier van justitie en de verdediging zogeheten ‘procesafspraken’ hebben gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn. Deze procesafspraken hebben zij opgenomen in een schriftelijke overeenkomst gedateerd 30 april 2026. In de overeenkomst doen de officier van justitie en de verdediging aan de rechtbank een gezamenlijk voorstel voor de wijze van afdoening van de strafzaak. Samengevat houdt dit afdoeningsvoorstel het volgende in:
  • de verdachte ziet af van het indienen van onderzoekswensen en trekt al ingediende (en eventueel toegewezen) onderzoekswensen uiterlijk ter terechtzitting en bij voorkeur al eerder schriftelijk in;
  • de verdachte hoeft in het kader van de afspraken geen nadere verklaring af te leggen. Uiteraard staat hem vrij dit ter terechtzitting alsnog/wel te doen;
  • het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting rekwireren tot een bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten;
  • het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting voor die bewezenverklaring een strafeis vorderen van 28 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest;
  • door de verdediging worden geen verweren gevoerd;
  • de verdachte zal zich niet onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de straf;
  • door de verdediging en het Openbaar Ministerie wordt geen hoger beroep ingesteld indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken.
3.2.
Het toetsingskader
Bij de beoordeling van deze zaak zijn voor de rechtbank leidend geweest de uitgangspunten die de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252) heeft geformuleerd. Deze komen neer op het volgende.
Hoewel een wettelijke regeling van procesafspraken op dit moment ontbreekt, verzet het stelsel van strafvordering zich er niet tegen dat de officier van justitie en de verdediging een gezamenlijk standpunt innemen over de beoogde afdoening van een strafzaak. De totstandkoming van procesafspraken doet echter geen afbreuk aan de zelfstandige positie van de rechtbank. De rechtbank behoudt haar eigen verantwoordelijkheid dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke regeling – in het bijzonder artikel 348 en Pro 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) – en de eisen van een eerlijk proces.
Op grond van artikel 348 en Pro 350 Sv beslist de rechtbank op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting over de in die bepalingen genoemde vraagpunten. De omstandigheid dat een afdoeningsvoorstel wordt gedaan, doet niet af aan de verplichting die op de rechtbank rust om te beslissen op de in artikel 348 en Pro 350 Sv genoemde vraagpunten. Wel moet de rechtbank dat voorstel betrekken bij de beantwoording van de genoemde vraagpunten, maar zij is niet verplicht om overeenkomstig het voorstel te beslissen.
Waar het gaat om de beantwoording van de eerste vraag van artikel 350 Sv Pro brengt de eigen zelfstandige verantwoordelijkheid van de rechtbank met zich dat zij zelf – ongeacht wat het afdoeningsvoorstel daarover inhoudt – dient na te gaan of zij het aan de verdachte ten laste gelegde feit bewezen acht. Artikel 338 Sv Pro dwingt de rechtbank ertoe het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan slechts aan te nemen indien zij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen.
Waar het gaat om de beantwoording van de vierde vraag van artikel 350 Sv Pro heeft de rechtbank een eigen zelfstandige verantwoordelijkheid om te komen tot een strafoplegging die zij passend en geboden acht. De rechtbank heeft hierbij een grote vrijheid, zowel in de keuze van de op te leggen straf als de waardering van de factoren die zij daarbij betrekt.
Het afdoeningsvoorstel is een relevante factor die de rechtbank moet betrekken bij de keuze van de op te leggen straf. Indien de rechtbank van oordeel is dat wat het afdoeningsvoorstel over de strafoplegging inhoudt, in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak zoals die blijkt uit de processtukken en het verhandelde op de terechtzitting, ligt het in de rede dat zij die straf als passend en geboden oplegt.
Om betekenis toe te kunnen kennen aan het afdoeningsvoorstel, moet de rechtbank kunnen garanderen dat jegens de verdachte voldaan wordt aan de eisen van een eerlijk proces. In het bijzonder betekent dit dat de rechtbank moet onderzoeken of de verdachte in de concrete omstandigheden van het geval vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Dit onderzoek vindt plaats op de terechtzitting.
3.3.
De toetsing van de procesafspraken in deze zaak
Om voormelde beoordeling te kunnen verrichten, heeft de rechtbank de strafzaak behandeld op de terechtzitting van 18 juni 2026. Deze zitting had het karakter van een inhoudelijke behandeling. De rechtbank heeft de verdachte op de voet van artikel 286 Sv Pro ondervraagd over de aan hem ten laste gelegde feiten. Daarnaast heeft de rechtbank het afdoeningsvoorstel met de verdachte besproken. De verdachte, die gedurende het hele proces werd bijgestaan door een rechtsgeleerd raadsvrouw, heeft ervan blijk gegeven dat hij weet wat het afdoeningsvoorstel inhoudt, dat hij begrijpt dat hij bepaalde hem toekomende rechten niet uitoefent en wat de gevolgen daarvan voor hem kunnen zijn en dat hij vrijwillig tot de ondubbelzinnige beslissing is gekomen om mee te werken aan het afdoeningsvoorstel.
Vervolgens heeft de officier van justitie gerekwireerd overeenkomstig het afdoenings-voorstel en heeft de verdediging zich daarbij aangesloten. Aan de verdachte is het recht gelaten om het laatst te spreken. Hierna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
In het hierna volgende zal de rechtbank de relevante vraagpunten uit artikel 348 en Pro 350 Sv beantwoorden.

4.De bewijsbeslissing

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich conform de procesafspraken op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich conform de procesafspraken op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het hierna bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel met een opgave daarvan, zal dit plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.
4.4.
De bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde:
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 7 maart 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging, opzettelijk een ontploffing teweeg hebben gebracht door een explosief af te laten gaan bij een woning aan de [adres 2] , terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten die woning en voor de zich in en in de
omgeving van die woning bevindende goederen en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
de bewoners van die woning te duchten was,
bij welk misdrijf hij, verdachte, in de periode van 6 tot en met 7 maart 2025 in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest door informatie te verschaffen over de leverantie / leverancier van explosieven;
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:
[medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] op 9 maart 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging, opzettelijk een ontploffing teweeg hebben gebracht door een explosief af te laten gaan bij een woning aan de [adres 3] , terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten die woning en voor de zich in en in de
omgeving van die woning bevindende goederen en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
de bewoners van die woning te duchten was,
bij welk misdrijf hij, verdachte, in de periode van 6 tot en met 9 maart 2025 in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest door informatie te verschaffen over de leverantie / leverancier van explosieven;
Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde:
[medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] op 9 tot 10 maart 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het teweegbrengen van een ontploffing (een misdrijf genoemd in artikel 157 ahf Pro/sub 1 en ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk voorwerpen, bestemd tot het in vereniging begaan van genoemd misdrijf, te weten een telefoon met daarop
- informatie met betrekking tot het adres aan de [adres 4] en
- foto's en opnames van een woning aan de [adres 4] en
- een
explosief,
kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, hebben verworven en voorhanden hebben gehad,
bij welk misdrijf hij, verdachte, in de periode van 6 tot en met 9 maart 2025 in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest door
- informatie door te geven over (het filmen van) de locatie van de woning waar de
explosieven moesten worden geplaatst en
- informatie te verschaffen over de leverantie / leverancier van explosieven;
Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde:
[medeverdachte 6] op 18 maart 2025 te ’s-Gravenhage, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het teweegbrengen van een ontploffing (een misdrijf genoemd in artikel 157 ahf Pro/sub 1 en ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk voorwerpen en een informatiedrager, bestemd tot het begaan van genoemd misdrijf, te weten
- een telefoon (met het adres van een woning aan de [adres 4] ) en
- een explosief en
- een aansteker en
- een flesje met benzine,
kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad,
bij welk misdrijf hij, verdachte, in de periode van 6 tot en met 18 maart 2025 in
in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest door informatie te verschaffen over de leverantie / leverancier van explosieven.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

5.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7.De strafoplegging

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
De officier van justitie heeft daarnaast opgemerkt dat – zonder procesafspraken – een strafeis van drie jaren en zes maanden gevangenisstraf passend en geboden zou zijn. De officier van justitie acht echter een matiging van deze strafeis gerechtvaardigd. Hiermee werkt de verdachte immers mee aan een procedure die tot tijdwinst leidt. Het kabinet van de rechter-commissaris zal niet worden belast met nader onderzoek. Daarnaast zou de afdoening van deze strafzaak bij een eventueel hoger beroep nog geruime tijd kunnen duren. Ook zorgt deze procedure voor een tijdige tenuitvoerlegging van een opgelegde straf. Dat geeft ruimte voor de afdoening van andere strafzaken, wat in het algemeen belang is van een effectieve strafrechtspleging. Bovendien staat deze strafeis volgens de officier van justitie in redelijke verhouding tot de ernst van de zaak, zoals die blijkt uit de processtukken en tot de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht de gevangenisstraf die de officier van justitie overeenkomstig het afdoeningsvoorstel heeft gevorderd, aan de verdachte op te leggen.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid bij het veroorzaken van twee levensgevaarlijke ontploffingen bij woningen in Den Haag en medeplichtigheid bij het voorbereiden van eveneens levensgevaarlijke ontploffingen bij een andere woning in Den Haag door als tussenpersoon informatie te verschaffen over de leverancier en/of leverantie van de benodigde explosieven. Ook heeft hij informatie doorgegeven over (het filmen van) de locatie van de woning waar de explosieven moesten worden geplaatst. De verdachte is met zijn handelen een onmisbare schakel geweest bij de uitvoering en voorbereiding van voornoemde ontploffingen.
Het betreft zeer ernstige feiten. Het plegen van aanslagen met explosieven is in zijn algemeenheid een groot en toenemend maatschappelijk probleem dat leidt tot gevoelens van angst, onrust en grote onveiligheid in de samenleving in het algemeen en voor de – met grote regelmaat onschuldige en nietsvermoedende – bewoners en omwonenden van de woningen waar een explosief wordt neergelegd in het bijzonder. Daarnaast leiden deze ontploffingen veelal tot schade, risico’s op zwaar lichamelijk letsel of zelfs levensgevaarlijke situaties voor bewoners en omwonenden.
De rechtbank rekent het de verdachte zwaar aan dat de mogelijk zeer gevaarlijke gevolgen van zijn handelen hem daarvan niet hebben weerhouden.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 23 oktober 2025. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 21 april 2026, waaruit volgt dat de reclassering niet in staat is geweest om het risico op recidive, letsel en het onttrekken aan eventuele voorwaarden in te schatten. Verder volgt uit het reclasseringsadvies dat de verdachte problematiek ervaart op diverse leefgebieden, maar dat niet kan worden vastgesteld in hoeverre die problematiek als delictgerelateerd moet worden aangemerkt. De reclassering heeft op basis van de destijds beschikbare informatie en gelet op de proceshouding van de verdachte geen advies kunnen geven over de vraag of interventies en/of toezicht noodzakelijk zijn.
Procesafspraken
De rechtbank heeft acht geslagen op de procesafspraken en de inhoud daarvan met betrekking tot de strafoplegging. De rechtbank overweegt dat deze afspraken bijdragen aan een effectieve afdoening van de strafzaak tegen de verdachte, waardoor tijd en kosten zijn bespaard die voor de afdoening van andere strafzaken kunnen worden ingezet. De verdachte heeft meegewerkt aan de totstandkoming van deze afspraken. Dit weegt de rechtbank in het voordeel van de verdachte mee.
Strafoplegging
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de in het afdoeningsvoorstel genoemde straf in een redelijke verhouding staat tot de ernst van het bewezen verklaarde. De met bestraffing te dienen doelen – kort gezegd: vergelding, normbevestiging en voorkoming van recidive – worden in voldoende mate bereikt met oplegging van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 28 maanden, met aftrek van de tijd door de verdachte in voorarrest doorgebracht.
De rechtbank acht de door de officier van justitie gevorderde straf dan ook passend en geboden en zal deze straf aan de verdachte opleggen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 46, 48, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.4 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
medeplichtigheid aan het medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
ten aanzien van feit 2:
medeplichtigheid aan het medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
ten aanzien van feit 3:
medeplichtigheid aan het medeplegen van voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
ten aanzien van feit 4:
medeplichtigheid aan voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
28 (ACHTENTWINTIG) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit vonnis is gewezen door
mr. B.J. van de Griend, voorzitter,
mr. J. Schaaf, rechter,
mr. C. Beuze, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. D.D. Jongen, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juli 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
1
[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 7] en/of een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 7 maart 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg hebben gebracht door een explosief af te laten gaan bij/aan een woning aan de [adres 2] , terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten die woning en voor de zich in en in de
omgeving van die woning bevindende goederen en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten
de bewoners van die woning te duchten was,
bij welk misdrijf hij, verdachte, in de periode van 6 tot en met 7 maart 2025 in ‘s-Gravenhage en/of in Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk middelen heeft verschaft door
- informatie te verschaffen over de leverantie / leverancier van explosieven en/of
- een explosief te verstrekken;
2
[medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 7] en/of een of meer onbekend
gebleven personen op of omstreeks 9 maart 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg hebben gebracht door een explosief af te laten gaan bij/aan een woning aan de [adres 3] , terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten die woning en voor de zich in en in de omgeving van die woning bevindende goederen en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten de bewoners van die woning te duchten was,
bij welk misdrijf hij, verdachte, in de periode van 6 tot en met 9 maart 2025 in ‘s-Gravenhage en/of in Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk middelen heeft verschaft door
- informatie te verschaffen over de leverantie / leverancier van explosieven en/of
- een explosief te verstrekken;
3
[medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer onbekend
gebleven personen op of omstreeks 9 tot 10 maart 2025 te ’s-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het teweegbrengen van een ontploffing en/of brandstichting (een misdrijf genoemd in artikel 157 ahf Pro/sub 1 en ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht), opzettelijk (een) voorwerp(en) en/of (een) informatiedrager(s), bestemd tot het in vereniging, althans alleen, begaan van genoemd misdrijf, te weten een telefoon met daarop
- informatie met betrekking tot het adres aan de [adres 4] en/of
- foto's en opnames van een woning aan de [adres 4] en/of
- een of meer explosieven,
kennelijk bestemd tot het in vereniging, althans alleen, begaan van dat misdrijf, heeft/hebben verworven en/of vervaardigd en/of voorhanden hebben gehad, bij welk misdrijf hij, verdachte, in de periode van 6 tot en met 9 maart 2025 in ’s-Gravenhage en/of en/of in Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk middelen heeft verschaft door
- informatie door te geven over (het filmen van) de locatie van de woning waar de
explosieven moesten worden geplaatst en/of
- informatie te verschaffen over de leverantie / leverancier van explosieven en/of
- een explosief te verstrekken;
4
[medeverdachte 6] en/of [medeverdachte 8] en/of een of meer onbekend gebleven personen
op of omstreeks 18 maart 2025 te 's-Gravenhage
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter voorbereiding van het te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving
een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het teweegbrengen
van een ontploffing en/of brandstichting (een misdrijf genoemd in artikel 157
ahf/sub 1 en ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht),
opzettelijk (een) voorwerp(en) en/of (een) informatiedrager(s), bestemd tot het in
vereniging, althans alleen, begaan van genoemd misdrijf, te weten
- een voertuig en/of
- een telefoon (met het adres van een woning aan de [adres 4] ) en/of
- een explosief en/of
- een aansteker en/of
- een flesje met benzine, althans een brandbaar materiaal,
kennelijk bestemd tot het in vereniging, althans alleen, begaan van dat misdrijf,
heeft verworven en/of vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad,
bij welk misdrijf hij, verdachte, in de periode van 6 tot en met 18 maart 2025 in
‘s-Gravenhage en/of in Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk middelen heeft verschaft door
- informatie te verschaffen over de leverantie / leverancier van explosieven en/of
- een explosief te verstrekken.