ECLI:NL:RBDHA:2026:18016
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag vrouw uit Jordanië met minderjarig kind wegens onvoldoende vluchtelingstatus en kennelijk ongegrondheid
Eiseres, een vrouw van Palestijnse afkomst met de Jordaanse nationaliteit verkregen via huwelijk, diende een asielaanvraag in voor zichzelf en haar minderjarige dochter. Zij vreesde terugkeer naar Jordanië vanwege mogelijke intrekking van haar nationaliteit, discriminatie, en het verlies van voogdij over haar dochter. De minister wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, mede omdat eiseres haar Jordaanse paspoort had vernietigd.
De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij vluchteling is of een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer. De aangevoerde bronnen en persoonlijke omstandigheden boden onvoldoende bewijs voor intrekking van nationaliteit of ernstige discriminatie. Ook was het familierechtelijke geschil over de voogdij geen grond voor bescherming. De minister mocht een terugkeerbesluit en een inreisverbod opleggen.
Verder stelde de rechtbank vast dat er geen beschermwaardig gezinsleven met haar zus bestond in de zin van artikel 8 EVRM Pro. Het uitstel van vertrek om medische redenen werd door de minister verleend en de rechtbank zag geen reden dit te wijzigen. De afwijzing als kennelijk ongegrond was terecht, omdat het vernietigen van het paspoort waarschijnlijk te kwader trouw was gebeurd. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit met inreisverbod bevestigd.