ECLI:NL:RBDHA:2026:18019

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
SGR 24/9088
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Wet bpmArt. 8 Uitvoeringsregeling bpmArt. 110 VWEUArt. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 267 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen naheffingsaanslag bpm voor gebruikte importauto

JD Services B.V. heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag belasting personenauto's en motorrijwielen (bpm) opgelegd door de Belastingdienst naar aanleiding van de registratie van een gebruikte Ferrari FF uit Duitsland. De Belastingdienst verwierp het door eiseres overgelegde taxatierapport wegens het ontbreken van een inkoopfactuur en onvoldoende fysieke opname.

Eiseres voerde diverse grieven aan, waaronder schending van het verdedigingsbeginsel, onverenigbaarheid van de heffing met het Unierecht (artikel 110 VWEU Pro), onjuiste toepassing van de forfaitaire afschrijvingstabel en onrechtmatige heffing van belastingrente. De rechtbank oordeelde dat het taxatierapport niet voldeed aan de wettelijke eisen en dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd.

De rechtbank verwierp het standpunt van eiseres dat prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gesteld hadden moeten worden, en bevestigde de rechtmatigheid van de heffing en de toegepaste methoden. Ook het beroep op het griffierecht en de immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werden afgewezen. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag bpm wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9088

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen

JD Services B.V., gevestigd te Bergschenhoek, eiseres

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder

Procesverloop

Verweerder heeft aan eisers ter zake van de registratie van een motorvoertuig met dagtekening 21 juni 2024 een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) opgelegd ter hoogte van € 5.128. Er is daarbij een bedrag aan belastingrente in rekening gebracht van € 196.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 15 oktober 2024 het bezwaar ongegrond verklaard en geen proceskosten vergoed.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld op 13 november 2024.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend op 25 juni 2025.
Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] , [naam 2] en en [naam 3] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiseres heeft een aangifte bpm ingediend met dagtekening 15 januari 2024, voor de registratie van een gebruikte Ferarri FF F151 uit Duitsland, waarvan het voertuigidentificatienummer eindigt op [nummer] (hierna: de auto), in het kentekenregister. De registratie is op 19 februari 2024 voltooid door tenaamstelling van het Nederlandse kenteken [kenteken] . De auto is op 15 december 2023 goedgekeurd door de Rijksdienst Wegverkeer (RDW).
2. In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens betreffende de auto vermeld.
Datum eerste toelating
15-01-2014
CO2-uitstoot
360 gr/km NEDC
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 242.300
Bruto bpm
€ 90.483
Historische nieuwprijs cf. taxatierapport
€ 383.667
Handelsinkoopwaarde cf. taxatierapport
€ 53.513
Verschuldigde bpm
€ 12.613
3. Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van Eurotaxaties en ondertekend door [naam 4] . Daarin is vermeld dat de auto fysiek is opgenomen op 28 december 2023 tussen 16:45 en 17:05 uur te Rotterdam. Verder is daarin vermeld dat de auto in onbeschadigde staat een handelsinkoopwaarde heeft van € 89.560 (herleid aan de hand van drie referentievoertuigen die op internet te koop stonden) waarvan een deel van de reparatiekosten is afgetrokken (vastgesteld op € 53.513, inclusief btw). Bij het taxatierapport is de inkoopfactuur of de inkoopverklaring van de auto niet gevoegd.
4. Verweerder verwerpt het taxatierapport van eiseres, met de reden dat het rapport niet voldoet aan artikel 10 Wet Pro bpm jo. artikel 8, vierde lid, onderdeel b, Uitvoeringsregeling bpm. Bij het rapport is namelijk geen inkoopfactuur of inkoopverklaring bijgevoegd. Daarnaast heeft de taxateur alle werkzaamheden slechts in 20 minuten verricht waardoor er geen sprake is van een gedegen fysieke opname. Verweerder heft na met behulp van de forfaitaire afschrijvingstabel.
5. Bij brief van 19 april 2024 heeft verweerder aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt om bpm na te heffen. Uitgaande van de verwerping van het taxatierapport en de berekening door verweerder heeft verweerder het verschuldigde bpm bepaald op € 17.741.
Na aftrek van de voldane bpm (€ 12.613), resteert een te betalen bedrag van € 5.128. Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om binnen drie weken te reageren op het voornemen. Verweerder heeft eiseres op 24 mei 2024 medegedeeld de naheffingsaanslag op te leggen. Daarop heeft verweerder de naheffingsaanslag conform zijn voornemen opgelegd.
Geschil6. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd.
7. Eiseres heeft in beroep de volgende grieven naar voren gebracht.
Verweerder heeft onvoldoende onderkend dat aanslagen als de onderhavige worden beheerst door het recht van de Europese Unie. Eiseres acht de opgelegde naheffingsaanslag daarmee in strijd. In dit licht heeft eiseres ook benadrukt dat de rechtbank met betrekking tot deze geschilpunten gehouden is prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie;
Uitlegging van de Hoge Raad over diverse door eiseres in eerdere procedures ingenomen standpunten, zoals de mogelijkheid na te heffen na het belastbaar feit, de schending van het verdedigingsbeginsel en de bewijslastverdeling acht eiseres onverbindend en rechtsongeldig;
Alle nationale bepalingen inzake de bpm zijn volgens eiseres in kennelijke strijd met het recht van de Unie;
De verplichting tot het betalen van griffierecht voorafgaande aan de behandeling van het beroep leidt tot een onevenredige belemmering van eiseres’ rechten;
De rechten van eiseres, die kunnen worden ontleend aan het verdedigingsbeginsel, zijn geschonden;
Het opleggen van een naheffingsaanslag nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan is – gegeven het bepaalde in artikel 110 het Pro Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) – niet toegestaan;
Verweerder heeft het door eiseres gehanteerde taxatierapport onterecht verworpen;
Het forfaitaire afschrijvingspercentage waarmee verweerder rekent is te laag en de forfaitaire afschrijvingstabel die is gehanteerd is in strijd met het Unierecht; Verweerder heeft onterecht de forfaitaire tabel van juli 2023 toegepast op voertuigen met een eerdere datum eerste toelating. Dat is in strijd met artikel 110 VWEU Pro;
Eiseres heeft recht op vergoeding van de werkelijke proceskosten in bezwaar;
De belastingrente die eiseres in rekening is gebracht is in strijd met artikel 110 VWEU Pro.
Eiseres concludeert daarom tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van de naheffingsaanslag. Eiseres verzoekt om vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten en om vergoeding van het griffierecht alsmede van wettelijke rente over de proceskosten en het betaalde griffierecht. Tevens verzoekt eiseres om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
8. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
9. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
10. Eiseres heeft verschillende nier ter zake doende argumenten aangevoerd. Hierop zal de rechtbank niet ingaan. Eiseres voert als grief aan dat verweerders keuze voor ambtshalve teruggaaf onjuist en nadelig is, maar er heeft geen ambtshalve teruggaaf plaatsgevonden.
De toepasselijkheid van het Europees recht en de gevolgen daarvan (grief a)
11. Eiseres heeft ter onderbouwing van de grieven veelvuldig een beroep gedaan op het Europees recht, met name op artikel 110 van Pro het VWEU. Eiseres heeft daarbij het standpunt ingenomen dat het de nationale rechter niet vrijstaat een uitleg te geven aan het Unierecht zonder daaromtrent prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Dit geldt in de optiek van eiseres evenzeer indien sprake is van een zogenaamde ‘acte claire’. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van eiseres niet. Een verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen geldt ingevolge artikel 267 van Pro het VWEU slechts voor het gerecht dat in hoogste instantie rechtspreekt, zoals ook blijkt uit het door eiseres genoemde arrest Cilfit (283/81). Een dergelijke verplichting geldt in beginsel niet voor de gerechtelijke instanties op lagere niveaus. De daarop geldende uitzondering, neergelegd in het arrest Foto-Frost (314/85) ziet op de situatie waarin de verwijzende rechter van oordeel is dat een handeling van een Europese instelling nietig is. Die situatie doet zich hier niet voor.
12. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank in het hierna volgende per grief zal beoordelen of er aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. De rechtbank zal daarbij ook meewegen of sprake is van een ‘acte claire’, dit wil zeggen een situatie waarin de betreffende Europeesrechtelijke bepaling dusdanig helder is geformuleerd dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de uitleg of het toepassingsbereik van die bepaling. Voor de visie van eiseres dat ook in geval van een ‘acte claire’ het stellen van prejudiciële vragen geïndiceerd kan zijn ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Evenmin volgt de rechtbank eiseres in diens betoog dat reeds de vraag of sprake is van een rechtsvraag die zich leent voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU er toe dient te leiden dat deze vragen moeten worden gesteld.
De stelling dat de arresten van de Hoge Raad niet kunnen worden gevolgd (grief b)
13. Het betoog van eiseres, dat de Hoge Raad niet bevoegd is Unierechtelijke regelgeving te beoordelen en dat deze jurisprudentie daarom ‘onverbindend en rechtsongeldig’ is, onderschrijft de rechtbank niet. Daarbij wijst de rechtbank er op, onder verwijzing naar de conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Minea (ECLI:EU:C:2015:74), dat in zijn algemeenheid het Hof van Justitie in het kader van een prejudiciële procedure niet beoordeelt of concrete bepalingen van het nationale recht van de lidstaten in overeenstemming zijn met het Unierecht, maar zich beperkt tot een uitlegging van het Unierecht op basis waarvan de nationale rechterlijke instanties zich vervolgens over die verenigbaarheid kunnen uitspreken. Dat de Hoge Raad in onderhavig geval buiten zijn bevoegdheden is getreden is door eiseres niet of althans onvoldoende aannemelijk gemaakt.
Voor zover eiseres in dit verband een beroep doet op het recente arrest van het Hof van Justitie in de zaak Remling, C-767/23, EU:C:2025:486 inzake onder meer de toepasselijkheid van artikel 81 van Pro de Wet op de Rechterlijke Organisatie, stelt de rechtbank vast dat voornoemd artikel geen betrekking heeft op de wijze van afdoening van rechtsgeschillen door rechtbanken en gerechtshoven, zodat ook een toekomstig oordeel van het Hof van Justitie van de Europese Unie over deze materie geen gevolgen kan hebben voor de uitkomst van het onderhavige beroep.
De gestelde onverenigbaarheid van de heffing van bpm met het Unierecht (grief c)
14. In dit kader heeft eiseres betoogd dat sprake is van een relevant verschil in heffingsmodaliteiten, nu de verschuldigde belasting reeds bij het doen van de aangifte bpm voldaan dient te worden, terwijl voor binnenlandse auto’s een eventuele restantbelasting, die nog drukt op binnenlandse gebruikte auto’s die voorheen op grond van de Wet bpm van de heffing waren vrijgesteld, eerst wordt voldaan bij de voltooiing van de registratie in het kentekenregister (de tenaamstelling). Volgens eiseres volgt onder meer uit Grundig Italiana Spa, C-68/96 (HvJ EU 17 juni 1998, ECLI:NL:EU:C:1998:299), reeds dat een belastingstelsel een discriminerend karakter heeft, wanneer sprake is van een verschil in heffingsmodaliteiten. Verweerder betwist dat er een verschil in heffingsmodaliteiten bestaat.
15. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 maart 2021 (ECLI:NL:HR:2021:415) geoordeeld dat het systeem van de Wet bpm, namelijk dat de belasting moet worden betaald voordat het belastbare feit (de tenaamstelling) zich voordoet, niet in strijd is met artikel 110 van Pro het VWEU. De rechtbank heeft, na bestudering van de door eiseres aangehaalde jurisprudentie van het HvJ, geen aanknopingspunten kunnen vinden dat hierin anders moet worden geoordeeld dan door de Hoge Raad op 26 maart 2021 is gedaan.
16. De rechtbank acht bovenstaand oordeel in lijn met de Unierechtelijke jurisprudentie, zodat het voor het doen van uitspraak niet noodzakelijk is op dit punt het HvJ te verzoeken prejudiciële vragen te beantwoorden met betrekking tot de door eiseres opgeworpen rechtsvraag. De rechtbank ziet geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de toepassing door de Hoge Raad van artikel 110 van Pro het VWEU, gegeven de uitleg die het HvJ daaraan heeft gegeven in zijn jurisprudentie.
17. Anders dan eiseres betoogt doet zich, bij de inschrijving in het kentekenregister van gebruikte uit andere lidstaten afkomstige voertuigen en de daarmee verbonden heffing van bpm, niet de situatie voor dat de bij de vaststelling van de grondslag van de berekende belasting waarderingsfactoren in aanmerking worden genomen die een waardeverschil ten opzichte van het overeenkomstige nationale product creëert of vergroot. Het heffingsmoment, de registratie in het kentekenregister, is immers bij dat overeenkomstige nationale product over het algemeen de datum van eerste toelating in Nederland. Op dat moment zijn er eenvoudigweg nog geen waarde verminderende factoren die tot een lagere heffing kunnen leiden. Dat in de spaarzame gevallen waarin een binnenlands product wel op een later moment aan de heffing wordt onderworpen – zoals bijvoorbeeld bij voormalige taxi’s - een waarderingsmethode wordt gehanteerd die afwijkt van de methode die wordt gebruikt bij geïmporteerde voertuigen is gesteld noch gebleken.
18. Ook het betoog van eiseres dat sprake is van een ‘exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap’, waardoor elk optreden van een lidstaat op hetzelfde domein a priori in strijd is met het Verdrag, snijdt geen hout. De heffing van belastingen betreft immers geen exclusieve bevoegdheid van enig Unierechtelijk orgaan.
De heffing van griffierecht (grief d)
19. Eiseres stelt onder verwijzing naar het arrest Kantarev dat het griffierecht in ieder geval niet meer mag bedragen dan 4% van het in geschil zijnde bedrag. Ook het vooraf heffen van griffierecht is in strijd met het Unierecht, aldus eiseres.
20. Uit het arrest Kantarev kan niet de algemene regel worden afgeleid dat de toegang tot de nationale rechter alleen dan wordt gewaarborgd indien niet meer dan 4% van de in geding zijnde vordering aan griffierechten wordt geheven. Verder geldt dat de Nederlandse regeling inzake griffierecht in het bestuursrecht niet van dien aard is dat rechtzoekenden daarmee de toegang tot de rechter wordt ontnomen. De rechtbank betrekt in het oordeel dat ter zake van het griffierecht een beroep op betalingsonmacht gedaan kan worden indien de heffing van het ingevolge de wet verschuldigde bedrag aan griffierecht het onmogelijk, althans uiterst moeilijk maakt om gebruik te maken van een door de wet opengestelde bestuursrechtelijke rechtsgang. De klachten van eiseres over het griffierecht, mede omvattend het vooraf betalen daarvan, treffen daarom geen doel.
De gestelde schendingen van het verdedigingsbeginsel (grief e)
21. Eiseres stelt dat verweerder de naheffingsaanslagen in strijd met artikel 47 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie (HGEU) heeft opgelegd, nu eiseres daaraan voorafgaand niet in de gelegenheid is gesteld mondeling te reageren. Het door eiseres bedoelde recht om te worden ‘gehoord’ voordat een voor eiseres nadelig besluit wordt genomen houdt in dat de betrokkene de gelegenheid wordt geboden het standpunt over een voorgenomen bezwarend besluit naar behoren kenbaar te maken. Uit het Unierecht vloeit niet voort dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Het Unierecht schrijft immers niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken mits de vorm waarvoor het bestuursorgaan kiest geen hindernis vormt van het recht gebruik te maken. Dit betekent dat indien eiseres is uitgenodigd om schriftelijk een standpunt kenbaar te maken en eiseres in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid aan de eisen van het Unierecht is voldaan.
22. In het onderhavige geval heeft eiseres met, respectievelijk, dagtekening 19 april 2024 en 24 mei 2024, een zogenaamde ‘Kennisgeving naheffingsaanslag bpm’ en ‘Mededeling naheffingsaanslag bpm’ gekregen. Daarbij is eiseres in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Eiseres heeft in een reactie gesteld het niet eens te zijn met het besluit van verweerder om na te heffen, maar licht dat standpunt niet toe/verweerder heeft geen aanleiding gevonden zijn voornemen de naheffingsaanslag op te leggen te wijzigen. De conclusie dat sprake is van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (artikel 47 HGEU Pro) kan hier niet aan worden ontleend. De verwijzing van eiseres naar artikel 47 HGEU Pro maakt vorenstaande niet anders. Deze bepaling waarborgt het recht op een eerlijk proces en een onpartijdig gerecht en niet het recht op een mondelinge toelichting voorafgaand aan het opleggen van een naheffingsaanslag. Voor het stellen van prejudiciële vragen op dit punt bestaat, gegeven de hierboven weergegeven gang van zaken, geen aanleiding.
De bevoegdheid van verweerder een naheffingsaanslag op te leggen (grief f)23. De stelling van eiseres dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt (vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht) motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393. Het is evenmin in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiseres van artikel 110 VWEU Pro ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat middels een corrigerende (naheffings-)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening – dat ook bij bijvoorbeeld de veelvuldig aan het Unierecht getoetste omzetbelasting wordt gebruikt - brengt immers met zich mee dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.
De aan het taxatierapport van eiseres toe te kennen belang (grief g)
24. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder het bij de aangifte gevoegde taxatierapport ten onrechte heeft verworpen. De rechtbank volgt eiseres hierin niet. Daartoe is redengevend dat het taxatierapport niet voldoet aan de daaraan in de Uitvoeringsregeling bpm gestelde eisen (artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling in samenhang met de Bijlage bij de Uitvoeringsregeling), nu geen aankoopfactuur of aankoopverklaring van de auto is bijgevoegd. Eiseres heeft deze bescheiden ook niet later in de procedure alsnog ingebracht. Reeds daarom komt aan het taxatierapport niet de betekenis toe die eiseres daaraan toegekend wenst te zien. Ook overigens heeft eiseres de gestelde schjade niet inzichtelijk gemaakt met behulp van reparaitenota e.d., hetgeen gelet op het geclaimde bedrag van € 53.513, inclusief btw in redelijkheid mag worden verwacht. Daarbij weegt mee de gestelde tijd die het onderzoek van de auto, namelijk 20 minuten, heeft gevergd. Deze grief faalt.
Het door verweerder gehanteerde afschrijvingspercentage (grief h)
25. Verweerder heeft de forfaitaire tabel van juli 2023 toegepast op voertuigen met een eerdere toelating en handelt daarmee – zo heeft eiseres gesteld – in kennelijke strijd met artikel 110 VWEU Pro (Hof van Justitie, 16 november 2023, EU:C:2023:888, dictum). Verweerder heeft de juistheid van het standpunt van eiseres betwist. De rechtbank overweegt en oordeelt als volgt. Het wettelijke stelsel biedt de mogelijkheid om via verschillende wegen de afschrijving van voertuigen, en daarmee de vermindering van de Bpm, te bepalen. Eén van die wegen is toepassing van de forfaitaire tabel. Dit wettelijke systeem is in overeenstemming met artikel 110 VWEU Pro.
26. Het staat de wetgever in beginsel vrij om een nieuwe tabel in te laten gaan op een door de wetgever zelf te bepalen tijdstip mits daarbij het Unierecht wordt geëerbiedigd. Naar het oordeel van de rechtbank is dat het geval, eiseres heeft haar standpunt niet cijfermatig noch anderszins onderbouwd en de rechtbank is ook ambtshalve niet van de juistheid daarvan gebleken. Daarbij geldt dat deze tabel op alle voertuigen betrekking heeft, binnenlandse en vanuit een andere lidstaat ingevoerde voertuigen. Van een zwaardere belastingheffing die tot discriminatie zou kunnen leiden voor een uit een lidstaat in te voeren voertuig is niet gebleken. In zoverre faalt het beroep.
De proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase (grief i)27. Eiseres heeft betoogd dat verweerder in gevallen als deze, indien een aangevochten aanslag niet volledig in stand blijft omdat deze niet in overeenstemming met het Unierecht is opgelegd, gehouden is de ‘werkelijke’ proceskosten van de bezwaarmaker te vergoeden. Daargelaten de vraag of die situatie zich hier voordoet, hetgeen verweerder betwist, brengt de omstandigheid dat de gemachtigde van eiseres voor haar optreedt op basis van een zogenaamde ‘no-cure-no-pay-overeenkomst’ met zich dat dergelijke ‘werkelijke’ proceskosten bij gebrek aan facturen en/of betaalbewijzen niet kunnen worden vastgesteld. De grief slaagt dan ook niet.
Belastingrente en artikel 110 VWEU Pro (grief j)
28. Verweerder heeft eiseres belastingrente in rekening gebracht. Dat is, zo heeft eiseres gesteld, in kennelijke strijd met het recht van de Unie, nu belastingrente onder het bereik van artikel 110 VWEU Pro valt (Hof van Justitie, 27 april 2022, AirBNB Ierland/ Brussels Hoofdstedelijk Gewest, EU:C:2022:303, r.o. 27 en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Eiseres heeft in dit kader gewezen op het hiervoor vermelde arrest van het Hof van Justitie. Daarin wordt, onder verwijzing naar eerdere jurisprudentie, in punt 27 overwogen dat het begrip “fiscale bepalingen” van artikel 114, tweede lid, VWEU zowel ziet op materiële regels als op procedureregels en dat de wijze van invordering niet los kan worden gezien van het heffings- of belastingstelsel waartoe zij behoort. Derhalve valt de heffing van belastingrente onder de reikwijdte van 110 VWEU. Verweerder heeft dat gemotiveerd bestreden. De rechtbank overweegt en oordeelt als volgt.
29. De rechtbank stelt voorop dat het Airbnb-arrest geen betrekking heeft op artikel 110 VWEU Pro, maar antwoord geeft op vragen over Richtlijn 2000/31/EG en het dienstenverkeer als bedoeld in artikel 56 VWEU Pro. In onderhavige zaak is noch die Richtlijn van toepassing noch is sprake van dienstenverkeer als bedoeld in artikel 56 VWEU Pro.
30. In artikel 6 van Pro de Wet Bpm is bepaald dat tot 1 januari 2022 de belasting op aangifte moet worden voldaan voordat een personenauto op naam is gesteld in het kentekenregister. Verweerder heeft onweersproken verklaard dat ook bij de registratie van binnenlandse personenauto’s geen kenteken wordt afgegeven zolang de ter zake van die registratie verschuldigde belasting niet is voldaan. Zo de nadere invulling van artikel 114, tweede lid, VWEU uit het Aribnb-arrest al onverkort heeft te gelden voor artikel 110 VWEU Pro, is in het voorliggend geval dan ook geen sprake van een met artikel 110 VWEU Pro strijdig verschil in heffingsmodaliteiten. Dat er wellicht bij de registratie van een ingevoerde gebruikte auto een langere periode kan zijn gelegen tussen de betaling van de verschuldigde belasting en de registratie van die auto dan bij de registratie van een binnenlandse auto en daardoor wellicht rentenadeel wordt ondervonden, maakt dat niet anders. Dat is immers niet het gevolg van de heffingssystematiek maar van de keuze om het voertuig pas op een latere datum te laten registreren (zie ook Hoge Raad 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:415, r.o. 3.6.4.).
31. Het in rekening brengen van belastingrente is gebaseerd op het niet tijdig hebben voldaan van het wettelijk verschuldigde bedrag aan belasting. Dat geldt voor zowel binnenlandse voertuigen als voor voertuigen welke hier te lande worden ingevoerd. Een onderscheid wordt daarbij derhalve niet gemaakt. Van strijd met artikel 110 VWEU Pro kan dan ook niet worden gesproken. Het vorenstaande geldt, zo oordeelt de rechtbank, onverkort voor het voldoen van bpm na 1 januari 2022 waarbij het belastbare feit is verlegd naar het doen van aangifte en goedkeuring door de RDW. De rechtbank verwerpt derhalve deze stelling.
Conclusie32. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Vergoeding van immateriële schade
33. Eiseres heeft verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding in verband met de lange afhandelingsduur van haar bezwaar- en beroepsprocedure tegen de hem opgelegde naheffingsaanslag.
34. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt als regel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond.
35. Het bezwaarschrift is ontvangen op 15 juli 2024, de uitspraak op bezwaar is gedaan op 15 oktober 2024 en de rechtbank doet uitspraak op 29 juni 2026, zodat in deze zaak de redelijke termijn niet is overschreden.
36. Nu de redelijke termijn niet is overschreden, is er geen aanleiding om verweerder te veroordelen in het vergoeden van de immateriële schade
Proceskosten en griffierecht
37. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond, en
  • wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van
K.D. Duin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).