ECLI:NL:RBDHA:2026:1807

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
NL26.03569
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling maatregel bewaring en overdracht vreemdeling aan Duitsland

De minister legde op 21 januari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet, vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht aan Duitsland en het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt.

De rechtbank behandelde het beroep op 30 januari 2026, waarbij eiser niet aanwezig was omdat hij op die dag werd overgedragen aan Duitsland. De rechtbank oordeelde dat de beperking van het recht om te worden gehoord evenredig was, mede omdat de minister zich had ingespannen om de zitting op een ander moment te plannen en eiser werd vertegenwoordigd door een gemachtigde.

De zware en lichte gronden voor bewaring, waaronder het niet op juiste wijze binnenkomen, het verstrekken van onjuiste gegevens en het niet meewerken aan overdracht, werden niet betwist. De rechtbank vond dat de minister voldoende rekening had gehouden met de medische en psychische toestand van eiser en dat een lichter middel niet passend was.

De overdracht aan Duitsland vond spoedig plaats, binnen een week na bekendmaking, en er was voldoende zicht op overdracht. De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig was en dat het beroep ongegrond was, evenals het verzoek om schadevergoeding. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3569

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. F.A. Broersma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Inleiding

1. De minister heeft op 21 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen de maatregel van bewaring op beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser en de minister hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(zware gronden)3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
(lichte gronden)4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Voortraject
3. De gemachtigde van eiser wijst er op de zitting op dat het dossier geen informatie bevat over het moment waarop eiser naar het detentiecentrum Rotterdam is overgebracht. De enkele mededeling hierover in een brief van de minister is volgens eiser onvoldoende. De rechtbank stelt vast dat uit de brief van de minister van 29 januari 2026 blijkt dat de regievoerder van de DTenV [2] kenbaar heeft gemaakt dat eiser op 21 januari 2026 in het detentiecentrum is geplaatst. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank
vast dat eiser binnen 24 uur na de inbewaringstelling in detentiecentrum Rotterdam is
geplaatst. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de
inbewaringstelling verder niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond
onrechtmatig.
Aanwezigheidsrecht
4. De gemachtigde van eiser voert aan dat het recht van eiser om bij de zitting aanwezig te zijn, is geschonden. Eiser wordt op het moment van het behandelen van dit op zitting namelijk overgedragen aan Duitsland. De minister had zich zodra bekend was dat eiser op vrijdag 30 januari 2026 zou worden overgedragen, (meer) moeten inspannen om het voor eiser mogelijk te maken bij de zitting aanwezig te zijn. Het is de minister immers bekend dat deze zittingsplaats op vrijdag de bewaringszittingen heeft. De minister had dus kunnen weten dat het beroep op dezelfde dag als de overdracht op zitting zou worden behandeld.
4.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Door de Afdeling [3] is meermaals geoordeeld [4] dat het recht om te worden gehoord een fundamenteel onderdeel is van de mogelijkheden die een vreemdeling heeft om zijn inbewaringstelling te bestrijden. Volgens de Afdeling is het recht om te worden gehoord echter niet absoluut en kan het onder omstandigheden worden beperkt. Een beperking moet wel evenredig zijn en de kern van het recht niet aantasten. De toetsing aan het evenredigheidsbeginsel is afhankelijk van een individuele beoordeling. Of de minister een inspanningsverplichting heeft om alternatieven te onderzoeken zodat een vreemdeling bij een zitting aanwezig kan zijn, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval [5] .
4.2.
In dat verband is het volgende van belang. De overdracht met vertrek op 30 januari 2026 is op 23 januari 2026 aangekondigd. Met de wetenschap dat het beroep van eiser op de zitting van 30 januari 2026 zou worden behandeld, heeft de minister vervolgens contact opgenomen met DTenV met het verzoek de overdracht op een later tijdstip te plannen. Dit bleek niet mogelijk. Op de zitting heeft de minister toegelicht dat dat te maken heeft met werkafspraken met de Duitse autoriteiten. De rechtbank stelt vast dat de minister zich dus heeft ingespannen om eiser de mogelijkheid te bieden bij de zitting aanwezig te zijn. De rechtbank volgt de minister daarnaast in de stelling dat een spoedige overdracht eveneens van groot belang is. Ook van belang is dat de gemachtigde van eiser pas op de zitting een beroep heeft gedaan op zijn recht om te worden gehoord. Van de gemachtigde had verwacht mogen worden dat hij dit kenbaar had gemaakt op het moment dat hij erachter kwam dat de telehoorzitting en de overdracht op dezelfde dag waren gepland. Als de gemachtigde van eiser dit had gedaan, had de rechtbank kunnen onderzoeken of een eerder tijdstip voor de telehoorzitting, eerder of op een andere dag, mogelijk was geweest. Gelet op het voorgaande, is de beperking van het recht om te worden gehoord in het geval van eiser evenredig.
4.3.
Daar komt bij dat eiser zich in deze procedure heeft laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting de beroepsgronden toegelicht en daarmee de belangen van eiser behartigd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de kern van het recht om te worden gehoord in dit geval niet is aangetast door de beperking van het recht om te worden gehoord.
Grondslag
5. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht zoals bedoeld in de Dublinverordening. Op 16 mei 2025 heeft Duitsland namelijk akkoord gegeven op het door Nederland ingediende claimverzoek.
Gronden
6. De zware en lichte gronden zijn door eiser niet betwist. De rechtbank ziet ook
ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang bezien, de
maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Ten tijde van de inbewaringstelling bestond er
dan ook voldoende grond voor het standpunt van de minister dat er een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
7. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister
er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem
rustende vertrekplicht. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser eerder zou worden
overgedragen aan Duitsland, maar toen met onbekende bestemming is vertrokken. Bovendien heeft eiser in het gehoor voorafgaand aan deze bewaring aangegeven suïcidale gedachten te hebben wanneer hij denkt aan terugkeer naar Duitsland. Ook in het vertrekgesprek van 23 januari 2026 geeft eiser meermaals aan niet mee te willen werken aan terugkeer. De stelling dat hij bij wijze van een lichter middel langer in de vrijheidsbeperkende locatie (vbl) had kunnen blijven, slaagt gelet op het voorgaande niet.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende rekening heeft gehouden
met de medische en psychische toestand van eiser en dit ook voldoende bij het opleggen van
de maatregel heeft betrokken. Zo is eiser tijdens het gehoor bijgestaan door een verpleegkundige. In de maatregel is daarnaast aangegeven dat eiser bij risico op suïcide in het detentiecentrum in een speciale kamer kan worden geplaatst, indien nodig onder cameratoezicht. Ook een observatiecel met constant toezicht is mogelijk. Eiser heeft daarnaast aangegeven een nierziekte te hebben, waarvoor hij ook medicijnen gebruikt. Eiser is er door de minister op gewezen dat er een medische dienst in het detentiecentrum aanwezig is waar hij een intake zal krijgen bij aankomst. De minister heeft in deze omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser en dat zicht op overdracht niet ontbreekt. De overdracht van eiser is op 23 januari 2026 bekend gemaakt en op 30 januari 2026 gerealiseerd. Daarnaast is op 23 januari 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd.

Conclusie en gevolgen

9. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat het opleggen van de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht. [6] Bovendien is niet gebleken dat het beginsel van non-refoulement en/of de eerbiediging van zijn gezins- of familieleven zich tegen de uitzetting van eiser verzet. [7]
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier¸ en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Dienst Terugkeer en Vertrek.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Zie o.a. de Afdelingsuitspraak van 7 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:991) en van 25 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3939).
5.Afdelingsuitspraak van 15 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:86).
6.Arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022 in de zaak C, B en X tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-704/20 en C-39/21, ECLI:EU:C:2022:858.
7.Arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025 in de zaak GB tegen de Minister van Asiel en Migratie, C-313/25 PPU (Adrar), ECLI:EU:C:2025:647.