ECLI:NL:RBDHA:2026:18146

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
24/3334
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 110 VWEUArt. 267 VWEUArt. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 3:2 AwbArt. 7:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag bpm en toekenning immateriële schadevergoeding na overschrijding redelijke termijn

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag bpm opgelegd door de Belastingdienst voor drie gebruikte motorvoertuigen geïmporteerd uit Polen. De naheffingsaanslag werd opgelegd na controle door Domeinen Roerende Zaken (DRZ) en betrof een bedrag van €10.220 zonder belastingrente. Eiseres voerde onder meer aan dat de naheffingsaanslag in strijd was met het Unierecht, dat de hoorplicht was geschonden en dat de afschrijvingspercentages onjuist waren.

De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, maar dat de aanslag verminderd moet worden op basis van correcte afschrijvingspercentages conform de Uitvoeringsregeling bpm. De rechtbank wijst het beroep op schending van het verdedigingsbeginsel en hoorplicht af, omdat eiseres voldoende gelegenheid tot horen is geboden. Ook wordt geoordeeld dat het heffingssysteem van aangifte en voldoening niet in strijd is met artikel 110 VWEU Pro en dat de controle door DRZ als deskundige toelaatbaar is.

De rechtbank acht het beroep gegrond en vermindert de naheffingsaanslag tot €4.712. Tevens wordt een immateriële schadevergoeding van €2.000 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van 46 maanden, waarvan verweerder €909 en de Minister van Justitie en Veiligheid €1.091 vergoeden. Daarnaast worden proceskosten en griffierecht aan eiseres toegekend. Het hoger beroep staat open bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: De naheffingsaanslag bpm wordt verminderd tot €4.712 en eiseres krijgt een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/3334

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven)
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres ter zake van de registratie van drie motorvoertuigen met dagtekening 2 september 2022 een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) opgelegd ter hoogte van € 10.220. Er is daarbij geen belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 februari 2023 het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft geen proceskosten vergoed of ambtshalve teruggaaf verleend.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .

Overwegingen

Feiten
Auto 1
1. Eiseres heeft een aangifte bpm ingediend met dagtekening 7 april 2022, voor de registratie van een gebruikte Renault Clio uit Polen, waarvan het VIN-nummer eindigt op [nummer 1] (hierna: auto 1), in het kentekenregister. De registratie is op 16 juni 2022 voltooid door tenaamstelling van het Nederlandse kenteken [kenteken 1] . De auto is op 7 april 2022 gekeurd door de Rijksdienst Wegverkeer (RDW).
2. In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens betreffende de auto vermeld.
Datum eerste toelating
18-03-2021
CO2-uitstoot
117 gr/km WLTP
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 16.140
Bruto bpm
€ 2.750
Historische nieuwprijs cf. taxatierapport
€ 22.635
Handelsinkoopwaarde cf. taxatierapport
€ 1.896
Verschuldigde bpm
€ 230
3. Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van [naam 4] en ondertekend door [naam 5] . Daarin is vermeld dat de auto – net als de andere twee auto’s – fysiek is opgenomen op 7 april 2022 tussen 12:20 en 12:45 uur te [plaats]. Verder is daarin vermeld dat de auto in onbeschadigde staat een handelsinkoopwaarde heeft van € 11.712 (herleid aan de hand van vier referentievoertuigen die op internet te koop stonden) waarvan een deel van de reparatiekosten is afgetrokken (vastgesteld op € 9.816,72, inclusief btw). Bij het taxatierapport is de inkoopfactuur of de inkoopverklaring van de auto niet gevoegd.
4. De aangifte van de auto is door verweerder geselecteerd voor een nadere controle. De auto is op 15 april 2022 bekeken door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). In het verslag van DRZ zijn onder meer de volgende gegevens vermeld die gedeeltelijk afwijken van de gegevens in de aangifte.
Datum eerste toelating
18-03-2021
CO2-uitstoot
149 gr/km WLTP
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 14.476
Consumentenprijs (historische nieuwprijs)
€ 20.265
Laagste handelsinkoopwaarde zonder schade
€ 13.441 (
referentievoertuigen)
Bruto schadecalculatie
€ 0
Vastgestelde waardevermindering door schade
€ 0
Handelsinkoopwaarde
€ 13.441
5. Bij brief van 23 juni 2022 heeft verweerder aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt om bpm na te heffen. Uitgaande van de gegevens van DRZ, heeft verweerder de verschuldigde bpm bepaald op € 4.618. Na aftrek van de voldane bpm (€ 230), resteert een te betalen bedrag van € 4.388. Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om binnen drie weken te reageren op het voornemen. Verweerder heeft eiseres op 18 juli 2022 medegedeeld de naheffingsaanslag op te leggen. Daarop heeft verweerder de naheffingsaanslag conform zijn voornemen opgelegd.
Auto 2
6. Eiseres heeft een aangifte bpm ingediend met dagtekening 7 april 2022, voor de registratie van een gebruikte Renault Clio uit Polen, waarvan het VIN-nummer eindigt op [nummer 2] (hierna: auto 2), in het kentekenregister. De registratie is op 1 juni 2022 voltooid door tenaamstelling van het Nederlandse kenteken [kenteken 2] . De auto is op 7 april 2022 gekeurd door de RDW.
7. In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens betreffende de auto vermeld.
Datum eerste toelating
30-07-2021
CO2-uitstoot
117 gr/km WLTP
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 16.264
Bruto bpm
€ 2.750
Historische nieuwprijs cf. taxatierapport
€ 22.785
Handelsinkoopwaarde cf. taxatierapport
€ 1.990
Verschuldigde bpm
€ 240
8. Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van [naam 4] en ondertekend door [naam 5] . Daarin is vermeld dat de auto fysiek is opgenomen op 7 april 2022 tussen 12:20 en 12:45 uur te [plaats]. Verder is daarin vermeld dat de auto in onbeschadigde staat een handelsinkoopwaarde heeft van € 11.806 (herleid aan de hand van vier referentievoertuigen die op internet te koop stonden) waarvan een deel van de reparatiekosten is afgetrokken (vastgesteld op € 9.816,72, inclusief btw). Bij het taxatierapport is de inkoopfactuur of de inkoopverklaring van de auto niet gevoegd.
9. De aangifte van de auto is door verweerder geselecteerd voor een nadere controle. De auto is op 15 april 2022 bekeken door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). In het verslag van DRZ zijn onder meer de volgende gegevens vermeld die gedeeltelijk afwijken van de gegevens in de aangifte.
Datum eerste toelating
30-7-2021
CO2-uitstoot
128 gr/km WLTP
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 18.255
Consumentenprijs (historische nieuwprijs)
€ 24.970
Laagste handelsinkoopwaarde zonder schade
€ 15.152 (
referentievoertuigen)
Bruto schadecalculatie
€ 0
Vastgestelde waardevermindering door schade
€ 0
Handelsinkoopwaarde
€ 15.152
10. Bij brief van 23 juni 2022 heeft verweerder aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt om bpm na te heffen. Uitgaande van de gegevens van DRZ, heeft verweerder de verschuldigde bpm bepaald op € 2.549. Na aftrek van de voldane bpm (€ 240), resteert een te betalen bedrag van € 2.309. Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om binnen drie weken te reageren op het voornemen. Verweerder heeft eiseres op 18 juli 2022 medegedeeld de naheffingsaanslag op te leggen. Daarop heeft verweerder de naheffingsaanslag conform zijn voornemen opgelegd.
Auto 3
11. Eiseres heeft een aangifte bpm ingediend met dagtekening 7 april 2022, voor de registratie van een gebruikte Renault Clio uit Polen, waarvan het VIN-nummer eindigt op [nummer 3] (hierna: auto 3), in het kentekenregister. De registratie is op 6 mei 2022 voltooid door tenaamstelling van het Nederlandse kenteken [kenteken 3] . De auto is op 7 april 2022 gekeurd door de RDW.
12. In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens betreffende de auto vermeld.
Datum eerste toelating
25-02-2021
CO2-uitstoot
117 gr/km WLTP
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 16.140
Bruto bpm
€ 2.062
Historische nieuwprijs cf. taxatierapport
€ 22.635
Handelsinkoopwaarde cf. taxatierapport
€ 2.199
Verschuldigde bpm
€ 200
13. Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van [naam 4] en ondertekend door [naam 5] . Daarin is vermeld dat de auto fysiek is opgenomen op 7 april 2022 tussen 12:20 en 12:45 uur te [plaats]. Verder is daarin vermeld dat de auto in onbeschadigde staat een handelsinkoopwaarde heeft van € 12.015 (herleid aan de hand van vier referentievoertuigen die op internet te koop stonden) waarvan een deel van de reparatiekosten is afgetrokken (vastgesteld op € 9.816,72, inclusief btw). Bij het taxatierapport is de inkoopfactuur of de inkoopverklaring van de auto niet gevoegd.
14. De aangifte van de auto is door verweerder geselecteerd voor een nadere controle. De auto is op 14 april 2022 bekeken door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). In het verslag van DRZ zijn onder meer de volgende gegevens vermeld die gedeeltelijk afwijken van de gegevens in de aangifte.
Datum eerste toelating
30-7-2021
CO2-uitstoot
128 gr/km WLTP
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 15.871
Consumentenprijs (historische nieuwprijs)
€ 21.955
Laagste handelsinkoopwaarde zonder schade
€ 13.866 (
referentievoertuigen)
Bruto schadecalculatie
€ 426
Vastgestelde waardevermindering door schade
€ 307
Handelsinkoopwaarde
€ 13.559
15. Bij brief van 23 juni 2022 heeft verweerder aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt om bpm na te heffen. Uitgaande van de gegevens van DRZ, heeft verweerder de verschuldigde bpm bepaald op € 3.723. Na aftrek van de voldane bpm (€ 200), resteert een te betalen bedrag van € 2.523. Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om binnen drie weken te reageren op het voornemen. Verweerder heeft eiseres op 18 juli 2022 medegedeeld de naheffingsaanslag op te leggen. Daarop heeft verweerder de naheffingsaanslag conform zijn voornemen opgelegd.
Geschil16. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is opgelegd.
17. Eiseres heeft in beroep de volgende grieven naar voren gebracht:
Verweerder heeft onvoldoende onderkend dat aanslagen als de onderhavige worden beheerst door het recht van de Europese Unie. Eiseres acht de opgelegde naheffingsaanslag daarmee in strijd. In dit licht heeft eiseres ook benadrukt dat de rechtbank met betrekking tot deze geschilpunten gehouden is prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie;
Uitlegging van de Hoge Raad over diverse door eiseres in eerdere procedures ingenomen standpunten, zoals de mogelijkheid na te heffen na het belastbaar feit, de schending van het verdedigingsbeginsel en de bewijslastverdeling acht eiseres onverbindend en rechtsongeldig, omdat de rechtmatigheid van artikel 81 lid 1 RO Pro in geschil is door de ABRvS (13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4632);
Alle nationale bepalingen inzake de bpm zijn volgens eiseres in kennelijke strijd met het recht van de Unie;
Het hoorrecht in de bezwaarfase is geschonden;
De rechten van eiseres, die kunnen worden ontleend aan het verdedigingsbeginsel, zijn geschonden;
Het opleggen van een naheffingsaanslag nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan is – gegeven het bepaalde in artikel 110 het Pro Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) – niet toegestaan;
De bewijslast met betrekking tot de hoogte van de te betalen bpm berust volledig bij verweerder;
Het onderzoek door DRZ kan niet aan een naheffing ten grondslag worden gelegd nu deze dienst niet onafhankelijk is;
Het forfaitaire afschrijvingspercentage waarmee verweerder rekent is te laag;
Het uitgangspunt dat slechts 72% van de schadeherstelkosten in aanmerking wordt genomen is in strijd met het Unierecht;
Er mag niet meer geheven worden dan voor een soortgelijk voertuig;
Verweerder heeft onterecht een belastingcontrole uitgevoerd;
Eiseres heeft recht op een werkelijke proceskostenvergoeding in bezwaar.
Eiseres concludeert daarom tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van de naheffingsaanslag. Subsidiair concludeert eiseres tot vermindering van de naheffingsaanslag. Eiseres verzoekt om vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten en om vergoeding van het griffierecht alsmede van wettelijke rente over de proceskosten en het betaalde griffierecht. Tevens verzoekt eiseres om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
18. Verweerder concludeert tot gegrondverklaring van het beroep.
19. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
De toepasselijkheid van het Europees recht en de gevolgen daarvan (grief a)
20. Eiseres heeft ter onderbouwing van de grieven veelvuldig een beroep gedaan op het Europees recht, met name op artikel 110 van Pro het VWEU. Eiseres heeft daarbij het standpunt ingenomen dat het de nationale rechter niet vrijstaat een uitleg te geven aan het Unierecht zonder daaromtrent prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Dit geldt in de optiek van eiseres evenzeer indien sprake is van een zogenaamde ‘acte claire’. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van eiseres niet. Een verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen geldt ingevolge artikel 267 van Pro het VWEU slechts voor het gerecht dat in hoogste instantie rechtspreekt, zoals ook blijkt uit het door eiseres genoemde arrest Cilfit (283/81). Een dergelijke verplichting geldt in beginsel niet voor de gerechtelijke instanties op lagere niveaus. De daarop geldende uitzondering, neergelegd in het arrest Foto-Frost (314/85) ziet op de situatie waarin de verwijzende rechter van oordeel is dat een handeling van een Europese instelling nietig is. Die situatie doet zich hier niet voor.
21. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank in het hierna volgende per grief zal beoordelen of er aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. De rechtbank zal daarbij ook meewegen of sprake is van een ‘acte claire’, dit wil zeggen een situatie waarin de betreffende Europeesrechtelijke bepaling dusdanig helder is geformuleerd dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de uitleg of het toepassingsbereik van die bepaling. Voor de visie van eiseres dat ook in geval van een ‘acte claire’ het stellen van prejudiciële vragen geïndiceerd kan zijn ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Evenmin volgt de rechtbank eiseres in diens betoog dat reeds de vraag of sprake is van een rechtsvraag die zich leent voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU er toe dient te leiden dat deze vragen moeten worden gesteld.
De stelling dat de arresten van de Hoge Raad niet kunnen worden gevolgd (grief b)
22. Het betoog van eiseres, dat de Hoge Raad niet bevoegd is Unierechtelijke regelgeving te beoordelen en dat deze jurisprudentie daarom ‘onverbindend en rechtsongeldig’ is, onderschrijft de rechtbank niet. Daarbij wijst de rechtbank er op, onder verwijzing naar de conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Minea (ECLI:EU:C:2015:74), dat in zijn algemeenheid het Hof van Justitie in het kader van een prejudiciële procedure niet beoordeelt of concrete bepalingen van het nationale recht van de lidstaten in overeenstemming zijn met het Unierecht, maar zich beperkt tot een uitlegging van het Unierecht op basis waarvan de nationale rechterlijke instanties zich vervolgens over die verenigbaarheid kunnen uitspreken. Dat de Hoge Raad in onderhavig geval buiten zijn bevoegdheden is getreden is door eiseres niet of althans onvoldoende aannemelijk gemaakt. Voor zover eiseres in dit verband een beroep doet op het recente arrest in de zaak Remling, C-767/23, inzake onder meer de toepasselijkheid van artikel 81 van Pro de Wet op de Rechterlijke Organisatie, stelt de rechtbank vast dat voornoemd artikel geen betrekking heeft op de wijze van afdoening van rechtsgeschillen door rechtbanken en gerechtshoven, zodat ook een toekomstig oordeel van het Hof van Justitie van de Europese Unie over deze materie geen gevolgen kan hebben voor de uitkomst van het onderhavige beroep.
De gestelde onverenigbaarheid van de heffing van bpm met het Unierecht (grief c)
23. In dit kader heeft eiseres betoogd dat sprake is van een relevant verschil in heffingsmodaliteiten, nu de verschuldigde belasting reeds bij het doen van de aangifte bpm voldaan dient te worden, terwijl voor binnenlandse auto’s een eventuele restantbelasting, die nog drukt op binnenlandse gebruikte auto’s die voorheen op grond van de Wet bpm van de heffing waren vrijgesteld, eerst wordt voldaan bij de voltooiing van de registratie in het kentekenregister (de tenaamstelling). Volgens eiseres volgt onder meer uit Grundig Italiana Spa, C-68/96 (HvJ EU 17 juni 1998, ECLI:NL:EU:C:1998:299), reeds dat een belastingstelsel een discriminerend karakter heeft, wanneer sprake is van een verschil in heffingsmodaliteiten. Verweerder betwist dat er een verschil in heffingsmodaliteiten bestaat.
24. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 maart 2021 (ECLI:NL:HR:2021:415) geoordeeld dat het systeem van de Wet bpm, namelijk dat de belasting moet worden betaald voordat het belastbare feit (de tenaamstelling) zich voordoet, niet in strijd is met artikel 110 van Pro het VWEU. De rechtbank heeft, na bestudering van de door eiseres aangehaalde jurisprudentie van het HvJ, geen aanknopingspunten kunnen vinden dat hierin anders moet worden geoordeeld dan door de Hoge Raad op 26 maart 2021 is gedaan.
25. De rechtbank acht bovenstaand oordeel in lijn met de Unierechtelijke jurisprudentie, zodat het voor het doen van uitspraak niet noodzakelijk is op dit punt het HvJ te verzoeken prejudiciële vragen te beantwoorden met betrekking tot de door eiseres opgeworpen rechtsvraag. De rechtbank ziet geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de toepassing door de Hoge Raad van artikel 110 van Pro het VWEU, gegeven de uitleg die het HvJ daaraan heeft gegeven in zijn jurisprudentie.
26. Anders dan eiseres betoogt doet zich, bij de inschrijving in het kentekenregister van gebruikte uit andere lidstaten afkomstige voertuigen en de daarmee verbonden heffing van bpm, niet de situatie voor dat de bij de vaststelling van de grondslag van de berekende belasting waarderingsfactoren in aanmerking worden genomen die een waardeverschil ten opzichte van het overeenkomstige nationale product creëert of vergroot. Het heffingsmoment, de registratie in het kentekenregister, is immers bij dat overeenkomstige nationale product over het algemeen de datum van eerste toelating in Nederland. Op dat moment zijn er eenvoudigweg nog geen waarde verminderende factoren die tot een lagere heffing kunnen leiden. Dat in de spaarzame gevallen waarin een binnenlands product wel op een later moment aan de heffing wordt onderworpen – zoals bijvoorbeeld bij voormalige taxi’s - een waarderingsmethode wordt gehanteerd die afwijkt van de methode die wordt gebruikt bij geïmporteerde voertuigen is gesteld noch gebleken.
27. Ook het betoog van eiseres dat sprake is van een ‘exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap’, waardoor elk optreden van een lidstaat op hetzelfde domein a priori in strijd is met het Verdrag, snijdt geen hout. De heffing van belastingen betreft immers geen exclusieve bevoegdheid van enig Unierechtelijk orgaan.
De hoorplicht in de bezwaarfase (grief d)
28. Eiseres stelt dat verweerder in bezwaar de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank leidt uit de stukken in het dossier af dat eiseres voorafgaand aan het doen van uitspraak op bezwaar twee keer is uitgenodigd voor een hoorgesprek op 1 november 2022, namelijk bij brieven van 12 oktober 2022 en 18 oktober 2022. Deze brieven zijn per aangetekende post aan de gemachtigde van eiseres gezonden. Deze aangetekende poststukken zijn door gemachtigde geweigerd en vervolgens retour ontvangen door verweerder. De brieven zijn ook per gewone post aan gemachtigde gezonden. Verweerder heeft de dossiers ook digitaal aan gemachtigde aangeboden. Verweerder heeft ook per e-mail een uitnodiging gestuurd voor het hoorgesprek via WebEx. Gemachtigde van eiseres heeft niet ingelogd via WebEx om deel te nemen aan het hoorgesprek.
29. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres voldoende gelegenheid geboden om te worden gehoord. Gemachtigde heeft hier geen gehoor aan gegeven. Dat gedurende de bezwaarfase geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden komt dan ook voor rekening en risico van eiseres. Van schending van de hoorplicht is daarom geen sprake.
De gestelde schendingen van het verdedigingsbeginsel (grief e)
30. Eiseres stelt dat verweerder de naheffingsaanslagen in strijd met artikel 47 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie (HGEU) heeft opgelegd, nu eiseres daaraan voorafgaand niet in de gelegenheid is gesteld mondeling te reageren. Het door eiseres bedoelde recht om te worden ‘gehoord’ voordat een voor eiseres nadelig besluit wordt genomen houdt in dat de betrokkene de gelegenheid wordt geboden het standpunt over een voorgenomen bezwarend besluit naar behoren kenbaar te maken. Uit het Unierecht vloeit niet voort dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Het Unierecht schrijft immers niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken mits de vorm waarvoor het bestuursorgaan kiest geen hindernis vormt van het recht gebruik te maken. Dit betekent dat indien eiseres is uitgenodigd om schriftelijk een standpunt kenbaar te maken en eiseres in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid aan de eisen van het Unierecht is voldaan.
31. In het onderhavige geval heeft eiseres met dagtekening 23 juni 2022, respectievelijk 18 juli 2022, een zogenaamde ‘Kennisgeving naheffingsaanslag bpm en een ‘Mededeling naheffingsaanslag bpm’ gekregen en is eiseres in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid gebruik kunnen maken van die mogelijkheid. Dat eiseres kennelijk ervoor heeft gekozen om dit niet te doen, blijft voor eisers rekening. De conclusie dat sprake is van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (artikel 47 HGEU Pro) kan nier niet aan worden ontleend. De verwijzing van eiseres naar artikel 47 HGEU Pro maakt vorenstaande niet anders. Deze bepaling waarborgt het recht op een eerlijk proces en een onpartijdig gerecht en niet het recht op een mondelinge toelichting voorafgaand aan het opleggen van een naheffingsaanslag. De verwijzing van eiseres naar artikel 7:2 van Pro de Awb biedt voor een dergelijke verplichting ook geen grondslag. Deze nationaal rechtelijke bepaling heeft betrekking op de bezwaarfase en niet op de periode voorafgaande aan de besluitvorming. In laatstgenoemde fase gaat het erom dat een bestuursorgaan de nodige zorgvuldigheid in acht neemt bij de voorbereiding van zijn besluit. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:2 van Pro de Awb. Vormvereisten zijn daarin – anders dan voor de bezwaarfase – niet gegeven. Een tweemaal gegeven mogelijkheid om schriftelijk te reageren acht de rechtbank niet in strijd met dat zorgvuldigheidvereiste. Voor het stellen van prejudiciële vragen op dit punt bestaat, gegeven de hierboven weergegeven gang van zaken, geen aanleiding.
De bevoegdheid van verweerder een naheffingsaanslag op te leggen (grief f)32. De stelling van eiseres dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt (vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht) motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393. Het is evenmin in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiseres van artikel 110 VWEU Pro ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat middels een corrigerende (naheffings-)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening – dat ook bij bijvoorbeeld de veelvuldig aan het Unierecht getoetste omzetbelasting wordt gebruikt – brengt immers met zich mee dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.
De verdeling van de bewijslast (grief g)
33. Uit de arresten van de Hoge Raad van 12 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:847) en 17 januari 2020 (ECLI:NL:HR:2020:296) volgt dat op de belastingplichtige die zich beroept op een vermindering van de op aangifte voldane bpm, de plicht rust om feiten te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, die kunnen leiden tot een vermindering van de verschuldigde belasting. Indien de belastingplichtige er in is geslaagd dergelijke feiten aannemelijk te maken is het vervolgens aan verweerder om aan te tonen dat, met die feiten in aanmerking genomen, de geheven belasting niet in strijd is met artikel 110 VWEU Pro. De heffing op geïmporteerde gebruikte auto’s mag, al dan niet rechtstreeks, niet tot een hogere binnenlandse belasting leiden dan welke van gelijksoortige nationale producten wordt geheven en de import van dergelijke auto’s mag niet onderworpen zijn aan een zodanige binnenlandse belasting, dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 15 november 2019; ECLI:NL:HR:2019:1783. Gelet op hetgeen hiervoor overwogen concludeert de rechtbank dat eiseres niet aan de bewijslast voldaan heeft.
De onafhankelijkheid van de DRZ (grief h)
34. De rechtbank stelt voorop dat het verweerder vrij staat om voor de door hem noodzakelijk geachte controle een door hem te kiezen deskundige in te schakelen. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen reden te twijfelen aan de deskundigheid van de gekozen taxateur, terwijl er evenmin aanleiding kan worden gevonden om vanwege de werkwijze van de DRZ geen of minder waarde aan het rapport van DRZ te hechten. De rechtbank volgt eiseres daarom niet in diens betoog dat de rapportage van DRZ niet aan de bestreden naheffingsaanslag ten grondslag kan worden gelegd. De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 februari 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:1676).
De door verweerder gehanteerde afschrijvingspercentages (grief i)
35. Eiseres heeft betoogd dat de forfaitaire afschrijvingspercentages waarmee verweerder rekent te laag is voor alle drie de auto’s. Niet in geschil is dat de naheffingsaanslag verminderd moet worden.
36. Verweerder stelt dat ten aanzien van auto 1 de naheffingsaanslag verminderd moet worden van € 4.388 naar € 1.668. Ten aanzien van auto 2 zou de naheffingsaanslag verminderd moeten worden van € 2.309 naar € 1.508. Ten aanzien van auto 3 berekent verweerder een vermindering van € 3.523 naar € 1.536.
37. De rechtbank acht deze berekeningen juist en neemt die over. Het nieuwe bedrag van de naheffingsaanslag komt daarmee neer op € 4.712.
De hoogte van de in aanmerking te nemen schade (grief j)
38. Het door eiseres bestreden en door verweerder gehanteerde percentage berust op de (Bijlage bij de) Uitvoeringsregeling bpm (tekst 2020). Deze regeling is volgens vaste jurisprudentie aanvaardbaar. Verwezen is naar bijvoorbeeld de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 juli 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:2998). Van doorslaggevende betekenis is daarbij geacht dat de regeling een tegenbewijsregeling kent, zodat onder omstandigheden, ook de volledige schade in aanmerking kan worden genomen. In verband met deze tegenbewijsmogelijkheid is volgens deze jurisprudentie ook geen sprake van strijd met artikel 110 VWEU Pro. De rechtbank sluit zich bij dit oordeel aan. In het onderhavige geval is van de mogelijkheid van tegenbewijs geen gebruik gemaakt. Daarnaast ontbreken de aankoopnota, de nota van herstel en de reparatienota’s, waardoor de rechtbank geen ruimte ziet om het taxatierapport van eiseres te volgen. Ook het gegeven dat drie auto’s op dezelfde dag tussen 12.20 en12.45 zijn beoordeeld draagt bij aan het bewijs dat de drie rapporten niet kunnen dienen. Bijgevolg sluit de rechtbank aan bij het standpunt van verweerder.
De CO2-uitstoot (grief k)
39. De grief van eiseres dat uit een prijslijst van Renault Nederland de heffing kennelijk begrensd is met een uitstoot van 118 gram voor een soortgelijk binnenlands voertuig, waardoor verweerder het risico op schending van artikel 110 VWEU Pro kennelijk aanvaardt, omdat voor de auto uitgegaan wordt van de werkelijke uitstoot van het voertuig zonder de waarde van het importvoertuig te vergelijken met de waarden van soortgelijke binnenlandse voertuigen, leidt niet tot gegrondverklaring van het beroep. Op geen enkele wijze is immers gebleken dat verweerder in de praktijk voorrang geeft aan hetgeen eiseres heeft gesteld met betrekking tot de betreffende koerslijst boven de wettelijke bepalingen inzake de uitstoot van CO² en de daaraan te verbinden fiscale gevolgen.
De belastingcontrole door verweerder (grief l)
40. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder een belastingcontrole heeft uitgevoerd, waarvan binnenlandse voertuigen a priori zijn uitgezonderd. Dat is in flagrante strijd met het recht van de Unie, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie in zijn arrest van 10 oktober 1978, Hansen en Balle, EU:C:1978:173, r.o. 17 en 18. De aanslag moet vernietigd worden. De rechtbank is, aldus eiseres, kennelijk niet bevoegd uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie en dus van de uitlegging in het arrest Hansen en Balle.
41. De stelling van eiseres dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt, vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht, motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister, na 1 januari 2022 goedkeuring door de RDW) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393). Voor zover het standpunt van eisers aldus moet worden verstaan dat bij voldoening op aangifte er voor in Nederland reeds aanwezig voertuigen geen controles plaatsvinden overweegt de rechtbank aanvullend als volgt. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van Pro de AWR de te weinig geheven belasting naheffen. Daartoe mag de inspecteur een concrete aangifte aan een controle onderwerpen. Dat geldt zowel voor de registratie van zogenoemde binnenlandse voertuigen als voor de registratie van voertuigen afkomstig uit een andere lidstaat. Van schending van artikel 110 VWEU Pro is dan ook geen sprake. Het is niet in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiseres van artikel 110 VWEU Pro ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat door middel van een corrigerende (naheffings)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening dat ook bij bijvoorbeeld de – veelvuldig aan het Unierecht getoetste - omzetbelasting wordt gebruikt, brengt immers met zich dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.
42. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. Het beroep dat eiseres in dit verband heeft gedaan op het arrest Hansen en Balle gaat naar het oordeel van de rechtbank over een juridisch en feitelijk andere situatie. Voor de algemene conclusie van eiseres dat de controle na het doen van aangifte in strijd is met het Unierecht kan in dat arrest geen steun worden gevonden.
De proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase (grief m)
43. Eiseres heeft betoogd dat verweerder in gevallen als deze, wanneer een aangevochten aanslag niet volledig in stand blijft omdat deze niet in overeenstemming met het Unierecht is opgelegd, gehouden is de ‘werkelijke’ proceskosten van de bezwaarmaker te vergoeden. Daargelaten de vraag of die situatie zich hier voordoet, hetgeen verweerder betwist, brengt de omstandigheid dat de gemachtigde van eiseres voor haar optreedt op basis van een zogenaamde ‘no-cure-no-pay-overeenkomst’ met zich dat dergelijke ‘werkelijke’ proceskosten bij gebrek aan facturen en/of betaalbewijzen niet kunnen worden vastgesteld. De grief slaagt dan ook niet.

Conclusie

44. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.
Beoordeling van het verzoek om immateriële schadevergoeding
45. De gemachtigde heeft verzocht om een vergoeding voor immateriële schade als gevolg van de lange afhandelingsduur van de zaak. Deze zaak is ter zitting gelijktijdig behandeld met een aantal andere zaken van dezelfde eiseres. In het arrest van 31 januari 2020 van de Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2020:154, is het volgende overwogen:
“2.4.3 Indien zaken vanwege hun samenhang gezamenlijk worden behandeld en beslist, moet bij overschrijding van de redelijke termijn per fase van de procedure eenmaal € 500 per half jaar als vergoeding van immateriële schade worden toegekend. In dit verband verdient opmerking dat voor het antwoord op de vraag of de redelijke termijn is overschreden, de bezwaarfase en de beroepsfase tezamen als één fase hebben te gelden. Ook indien zaken die zien op voorwerpen van geschil die met elkaar samenhangen en die in de bezwaarfase niet, maar in de beroepsfase wel gezamenlijk zijn behandeld en beslist, bedraagt de vergoeding van immateriële schade eenmaal € 500 per half jaar.
Indien de rechtsmiddelen waarmee een fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel.”
46. De rechtbank stelt vast dat de beroepen van eiseres met zaaknummers
SGR 24/3334, SGR 23/7154, SGR 23/5979, SGR 23/7207, SGR 23/8321, SGR 24/3459 en SGR 24/3602 in de hoofdzaak op dezelfde onderwerpen betrekking hebben. Ze zijn in beroep gezamenlijk en in samenhang met elkaar behandeld. De rechtbank merkt deze zaken daarom aan als samenhangend.
47. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek om een schadevergoeding uit van de regels die de Hoge Raad hiervoor heeft gegeven in zijn arresten van onder meer
19 februari 2016 (ECLI:NL:HR:2016:252) en 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:853). Anders dan eiseres betoogt, is deze jurisprudentie van de Hoge Raad niet in strijd met het Unierecht.
48. Op grond van het aan artikel 6 van Pro het EVRM ten grondslag liggende en algemeen aanvaarde rechtszekerheidsbeginsel moeten belastinggeschillen binnen een redelijke termijn worden berecht. Een redelijke termijn is in beginsel een termijn van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsprocedure samen. In genoemd arrest van 14 juni 2024 heeft de Hoge Raad vervolgens beslist dat voor zaken waarin het financieel belang minder dan € 1.000 bedraagt (zogenoemde ‘bagatelzaken’), en waarin de redelijke termijn met minder dan twaalf maanden is overschreden, niet langer recht bestaat op vergoeding van immateriële schade. Indien het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000 bedraagt en de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, beslist de belastingrechter op een verzoek om vergoeding van immateriële schade naar bevind van zaken. Het staat de belastingrechter vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – ook in die gevallen te volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. Ten slotte heeft de Hoge Raad bepaald dat deze nieuwe regel niet geldt voor zaken waarin (i) belanghebbende voorafgaand aan de datum van het arrest om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft verzocht, en (ii) de redelijke termijn voor de desbetreffende fase van de procedure (bezwaar en beroep, hoger beroep, cassatieberoep) op de datum van het arrest is overschreden.
49. Vast staat dat de gemachtigde in zijn nadere stuk van 17 oktober 2025 voor het eerst verzoekt om een vergoeding van immateriële schade, zodat het hiervoor genoemde overgangsrecht niet van toepassing is. De rechtbank stelt verder vast dat de redelijke termijn is overschreden, omdat het oudste bezwaarschrift langer dan twee jaar geleden is ingediend, teruggerekend vanaf het moment dat de rechtbank uitspraak doet. De pleitnotities van de gemachtigde bevatten enkele cijfermatige onderbouwingen van zijn stellingen. Uitgaande van deze berekeningen stelt de rechtbank vast dat het financiële belang in deze zaken bij elkaar opgeteld groter is dan € 1.000. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de gemachtigde van eiseres diverse stellingen heeft ingenomen waarbij de feitelijke grondslag ontbreekt of de stelling op geen enkele wijze concreet is onderbouwd. Deze stellingen heeft de rechtbank bij de vaststelling van het financiële belang buiten beschouwing gelaten (vgl. rechtbank Gelderland 9 juli 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:5453). Nu het financiële belang groter in de onderhavige zaken groter is dan € 1.000, heeft eiseres recht op een vergoeding voor immateriële schade.
50. Het oudste bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 16 september 2022 en verweerder heeft de laatste uitspraak op bezwaar gedaan op 21 februari 2024. De uitspraak van de rechtbank is op 23 juni 2026 gedaan. Dat is afgerond 46 maanden na indiening van het bezwaarschrift. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd zou moeten worden, zijn niet gesteld of gebleken. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt dan afgerond 21 maanden, zodat eiseres recht heeft op een immateriële schadevergoeding van € 2.000. Van de overschrijding van de redelijke termijn dienen (afgerond) zeven maanden aan de bezwaarfase te worden toegerekend en het overige aan de beroepsfase. Verweerder dient daarom van de immateriële schadevergoeding van
€ 2.000 een bedrag van (afgerond) € 909 te vergoeden en de Staat (afgerond) € 1.091. De vergoeding voor immateriële schade wordt toegekend in deze zaak. In de met deze zaak samenhangende zaken volstaat de rechtbank met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Proceskosten en griffierecht
51. Omdat het beroep gegrond is, heeft eiseres recht op vergoeding van proceskosten.
52. Eiseres verzoekt om vergoeding van de werkelijke kosten die zij ter zake van het bezwaar en het beroep heeft moeten maken. Verweerder is het met dit laatste niet eens. Voor een integrale proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding. Een hogere dan forfaitaire vergoeding kan slechts worden toegepast indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Dergelijke omstandigheden zijn gesteld noch gebleken. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar standpunt dat aan artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie een hogere vergoeding kan worden ontleend, omdat een forfaitaire vergoeding volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) niet passend zou zijn. Derhalve is er geen aanleiding een hogere vergoeding toe te kennen dan de vergoeding van de forfaitaire proceskosten als bedoeld in het Bpb.
53. De proceskosten stelt de rechtbank daarom op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.801. De rechtbank neemt daarbij samenhang in de zaken met zaaknummers SGR 24/3334, SGR 23/7154, SGR 23/5979,
SGR 23/7207, SGR 23/8321, SGR 24/3459 en SGR 24/3602. Omdat er sprake is van meer dan vier samenhangende zaken, levert dat een factor 1,5 op. De rechtbank gaat hierbij uit van 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 666, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1,5.
54. Verweerder moet ook het door eiseres betaalde griffierecht van € 371 vergoeden. Eiseres heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van rente ter zake van het griffierecht. De rechtbank honoreert die aanspraak in zoverre dat recht bestaat op een vergoeding van wettelijke rente indien het griffierecht niet aan eiseres wordt uitbetaald binnen vier weken na de datum van deze uitspraak.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag tot € 4.712;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treeft van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.801, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 371 aan eiseres te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
  • veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade van eiseres tot een bedrag van € 1.091, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
  • veroordeelt de Minister van Justitie en Veiligheid tot betaling van een immateriële schadevergoeding aan eiseres tot een bedrag van € 909, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
  • neemt voor wat betreft de immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding samenhang aan in de zaken met zaaknummers SGR 24/3334, SGR 23/7154,
SGR 23/5979, SGR 23/7207, SGR 23/8321, SGR 24/3459 en SGR 24/3602.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van
K.D. Duin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).