ECLI:NL:RBDHA:2026:18181
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek. De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet aanwezig waren.
De rechtbank heeft vastgesteld dat het verzoek van eiser vóór 12 juni 2026 is ingediend, waardoor het overgangsrecht van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBV) van toepassing is en de Dublinverordening de criteria bepaalt voor de verantwoordelijke lidstaat. Nederland heeft een verzoek tot terugname aan Duitsland gedaan, dat is aanvaard.
Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is omdat hij vreest geen toegang te krijgen tot medische zorg en rechtsbijstand in Duitsland en mogelijk uitgezet zal worden. De rechtbank oordeelt echter dat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen heeft geleverd om het vertrouwensbeginsel te doorbreken. De Duitse autoriteiten zullen zijn asielverzoek behandelen en eiser kan daartegen in Duitsland bezwaar maken.
De rechtbank stelt dat de minister terecht geen gebruik heeft gemaakt van de discretionaire bevoegdheid uit artikel 17 van Pro de Dublinverordening, omdat de angst van eiser voor het ontbreken van medische zorg niet is onderbouwd en geen onevenredige hardheid oplevert. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor het besluit tot niet in behandeling nemen in stand blijft en eiser kan worden overgedragen aan Duitsland.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de overdracht aan Duitsland blijft mogelijk.