ECLI:NL:RBDHA:2026:18181

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
NL26.29858
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 35 AMBVArt. 43 AMBVArt. 83 AMBV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek. De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde niet aanwezig waren.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het verzoek van eiser vóór 12 juni 2026 is ingediend, waardoor het overgangsrecht van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBV) van toepassing is en de Dublinverordening de criteria bepaalt voor de verantwoordelijke lidstaat. Nederland heeft een verzoek tot terugname aan Duitsland gedaan, dat is aanvaard.

Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet van toepassing is omdat hij vreest geen toegang te krijgen tot medische zorg en rechtsbijstand in Duitsland en mogelijk uitgezet zal worden. De rechtbank oordeelt echter dat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen heeft geleverd om het vertrouwensbeginsel te doorbreken. De Duitse autoriteiten zullen zijn asielverzoek behandelen en eiser kan daartegen in Duitsland bezwaar maken.

De rechtbank stelt dat de minister terecht geen gebruik heeft gemaakt van de discretionaire bevoegdheid uit artikel 17 van Pro de Dublinverordening, omdat de angst van eiser voor het ontbreken van medische zorg niet is onderbouwd en geen onevenredige hardheid oplevert. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor het besluit tot niet in behandeling nemen in stand blijft en eiser kan worden overgedragen aan Duitsland.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de overdracht aan Duitsland blijft mogelijk.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.29858
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.G. Wiebes),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. M.W.A. van Hoof).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 28 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet schenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toepasselijk recht
4. Op 12 juni 2026 is de Asiel- en Migratiebeheerverordening (AMBV) in werking getreden.1 Artikel 83, eerste volzin, van de AMBV bepaalt dat de Dublinverordening2 op 12 juni 2026 wordt ingetrokken. De rechtbank bespreekt daarom als eerste welk recht in deze zaak van toepassing is.
1. EU 2024/1351 en EU 2025/90929 rectificatie.
2 EU 604/2013.
Overgangsrecht
5. Artikel 84, tweede lid, van de AMBV bepaalt dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria.
6. Eisers verzoek om internationale bescherming is vóór 12 juni 2026 ingediend. Dat betekent dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is, op grond van het overgangsrecht wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria.
7. Het besluit gaat ook over de toepassing van de discretionaire bevoegdheid van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Op grond van dat artikel kan elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht. Artikel 35, eerste lid, van de AMBV kent eenzelfde discretionaire bevoegdheid aan de lidstaten toe. In zoverre brengt de inwerkingtreding van de AMBV geen wijziging in de bevoegdheid van een lidstaat. Gelet op het hierna te bespreken nationale overgangsrecht, kan in het midden blijven of artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening van toepassing is onder de werking van artikel 84, tweede lid, van de AMBV of dat artikel 35 van Pro de AMBV van toepassing is op grond van de onmiddellijke werking van de AMBV.
8. Op grond van artikel IX van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 20263 blijven – voor zover hier relevant – de voorschriften gesteld bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 van vóór 12 juni 2026 van toepassing. Dat betekent ook dat het beleid van de minister in C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 over de toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening van toepassing blijft. Dit geldt beleid geldt ook als artikel 35, eerste lid, van de AMBV van toepassing is.
9. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank bij de beoordeling van dit beroep uit van het beleid dat is opgenomen in C2/5 van de Vreemdelingencirculaire, zoals dat luidde voor 12 juni 2026.
Overgangsrecht draagwijdte rechtsmiddel
10. Artikel 43, eerste lid, van de AMBV bepaalt dat de draagwijdte van een rechtsmiddel tegen een overdrachtsbesluit beperkt is tot de beoordeling van de punten die in de onderdelen a, b en c van dat artikellid zijn genoemd. Artikel 43, eerste lid, van de AMBV valt niet onder de werking van het overgangsrecht van artikel 84, tweede lid, van de AMBV zodat dat artikel onmiddellijke werking heeft. De rechtbank is echter van oordeel dat artikel 43, eerste lid, van de AMBV niet van toepassing is op zaken die onder het overgangsrecht van de AMBV vallen. Artikel 43 valt Pro onder Afdeling IV van de AMBV over procedurele waarborgen die zien op een overdrachtsbesluit in de zin van artikel 42 van Pro de AMBV. Bij verzoeken ingediend voor 12 juni 2026 en die vallen onder het overgangsrecht, is daarvan geen sprake. Bij die verzoeken is immers sprake van een overdrachtsbesluit volgend op de toepassing van de criteria van de Dublinverordening. Artikel 43, eerste lid, van de AMBV beperkt dan ook niet de rechterlijke toetsing van overdrachtsbesluiten die onder het overgangsrecht vallen.
3 Staatsblad 2026, 127.
Totstandkoming van het besluit
11. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.4 In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
12. Eiser voert aan dat ten aanzien van Duitsland niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser stelt dat hij in Duitsland geen nieuwe asielaanvraag kan indienen, maar dat hij direct met uitzetting zal worden bedreigd. Daarnaast heeft eiser geen toegang tot gratis rechtsbijstand en is hij niet financieel in staat om een advocaat te bekostigen. Ook vreest eiser dat Duitsland hem zal uitzetten naar zijn land van herkomst.
13. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag de minister er in het algemeen vanuit gaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eisers om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. Van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest zal, in geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn als de tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.5
14. De rechtbank oordeelt dat eiser er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat er ten aanzien van Duitsland niet meer uit kan worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft in de uitspraak van 14 februari 20256 ten aanzien van Duitsland bevestigd dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. In deze uitspraak heeft de Afdeling onder meer geoordeeld dat de Duitse praktijk rondom de toegang tot rechtsbijstand niet leidt tot de conclusie dat er sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure. Eisers stelling dat hij geen toegang heeft tot gratis rechtsbijstand in Duitsland slaagt daarom niet. Ook eisers stelling dat de Duitse autoriteiten zijn asielaanvraag niet in behandeling zullen nemen slaagt niet. Immers hebben de Duitse autoriteiten met het claimakkoord bevestigd dat zij eisers verzoek om internationale bescherming in behandeling zullen nemen. Indien eiser van mening is dat de Duitse autoriteiten zijn verzoek niet in overeenstemming behandelen met het unierecht, is het aan eiser om daar in Duitsland over te klagen. Niet is gebleken of gesteld dat dit niet mogelijk is. De beroepsgrond slaagt niet.
15. De beroepsgrond van eiser dat sprake is van (indirect) refoulement omdat hij vreest dat Duitsland hem zal uitzetten, slaagt niet. Eiser kan in de Dublinprocedure geen beroep doen op het (indirect) refoulementbeginsel wanneer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit volgt onder andere uit het arrest van het Hof van
4 Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
Justitie van de Europese Unie van 30 november 20237 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2024.8 De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening
16. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen toepassing is gegeven aan de discretionaire bevoegdheid uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eiser wordt behandeld aan zijn ogen. Eiser heeft eerder ervaren geen toegang te hebben tot medische zorg en hij vreest bij overdracht geen toegang te hebben tot een medische behandeling. Eiser ervaart hier veel angst door.
17. Volgens paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 maakt de minister niet snel gebruik van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening. Volgens het beleid in paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is dat in ieder geval bijzondere individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. Volgens vaste rechtspraak9 is het aan de minister om dit te beoordelen en dient de rechter deze beoordeling terughoudend te toetsen.
18. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij geen toepassing geeft aan de discretionaire bevoegdheid uit artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Zoals eerder overwogen geldt ten aanzien van Duitsland het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit betekent dat de rechtbank ervan uitgaat dat eiser in Duitsland toegang heeft tot medische zorg. Eisers stelling dat hij dit niet zal hebben, is niet onderbouwd. Zo heeft eiser niet aangetoond dat hij heeft geprobeerd zorg te krijgen in Duitsland, maar dat hem dit is geweigerd. De angst voor het niet krijgen van medische zorg is onvoldoende om te spreken van onevenredige hardheid. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

19. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat dat eiser kan worden overgedragen aan Duitsland. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
7 ECLI:EU:C:2023:934.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 juni 2026

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.