ECLI:NL:RBDHA:2026:1839

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
NL25.60424 en NL25.60425
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30b Vreemdelingenwet 2000Art. 31 Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRMArt. 8 EVRMArt. 62 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige identiteit en motiveringsgebrek

Eiser diende op 23 november 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke op 4 december 2025 door verweerder werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 20 januari 2026.

Verweerder achtte de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser ongeloofwaardig vanwege tegenstrijdige verklaringen, het ontbreken van documenten en het niet tijdig verschijnen bij een gehoor. Hierdoor werd niet aangenomen dat eiser een gegronde vrees voor vervolging of ernstige schade heeft volgens artikel 3 EVRM Pro. Tevens legde verweerder een inreisverbod van twee jaar op.

Eiser voerde aan dat hij bij terugkeer in Jordanië ernstige schade en vernederende behandeling zou ondervinden en dat hij een hecht sociaal netwerk in Nederland heeft. De rechtbank constateerde echter dat verweerder ten onrechte niet had gemotiveerd waarom artikel 8 EVRM Pro niet tot verlening van een reguliere vergunning noopt, wat een motiveringsgebrek vormt. Desondanks volgde de rechtbank het standpunt van verweerder dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro in eisers nadeel uitvalt.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens het motiveringsgebrek, verklaarde het beroep gegrond, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van €2.802,-.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.60424 (beroep) en NL25.60425 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. H.L.M. Janssen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Eiser heeft op 23 november 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 4 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. [1]
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. J.W.F. Menick, een vervanger van de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Asielrelaas
2. Eiser heeft aanvankelijk verklaard dat hij de Syrische nationaliteit heeft en tot de Palestijnse bevolkingsgroep behoort. Later heeft eiser verklaard dat hij de Jordaanse nationaliteit heeft. Eiser heeft ook verklaard dat hij is geboren op [geboortedatum] 2020. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij niet naar Jordanië kan terugkeren, omdat de levenssituatie daar slecht is. Zo moest eiser van zijn vader werken, terwijl hij daar niet voor betaald kreeg.

Het bestreden besluit

3. Het asielrelaas bevat volgens verweerder het volgende asielmotief:
1. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst.
3.1.
Verweerder vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst niet geloofwaardig. Eiser heeft allereerst geen oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven. Hij is namelijk niet op tijd verschenen voor zijn nader gehoor en heeft daar geen verschoonbare verklaring voor. Ook heeft eiser onvoldoende documenten gegeven en daar geen goede verklaring voor. Daar komt bij dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Zo heeft hij tegenstrijdig verklaard over zijn nationaliteit. Voorts heeft eiser zijn aanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend en daar geen goede verklaring voor. Verder kan eiser niet in grote lijnen als geloofwaardig worden beschouwd. [2] Ten aanzien van het asielrelaas overweegt verweerder dat, nu het eerste asielmotief niet geloofwaardig is, eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM. [3] Ook heeft verweerder een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Eiser is van mening dat er sprake is van een combinatie van factoren waardoor hij een gerede kans loopt om bij uitzetting naar Jordanië slachtoffer te worden van ernstige schade, dan wel een vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest [4] . Zo vreest eiser terecht te komen in een situatie van extreme deprivatie. Ook vreest hij voor zijn schuldeisers. Hij kan in Jordanië bovendien niet rekenen op overheidsbescherming. Dat verweerder eisers problemen ongeloofwaardig vindt, omdat deze nooit kunnen leiden tot vrees voor vervolging dan wel een risico op ernstige schade, gaat volgens eiser uit van een onjuiste voorstelling van zaken. Tot slot verzoekt eiser om uit humanitaire redenen af te zien van het opleggen van een inreisverbod voor de duur van twee jaar.
Wat is het oordeel van de rechtbank?5. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Verwijzing naar zienswijze
6. Eiser verwijst in zijn beroepsgronden in de eerste plaats in algemene zin naar zijn zienswijze. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de zienswijze naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank echter niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
Vrees bij terugkeer7. De rechtbank stelt vast dat verweerder eisers identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser heeft hiertegen geen beroepsgronden aangevoerd.
Nog los van dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling [5] volgt dat een asielrelaas slechts betekenis heeft tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat dit eerste niet geloofwaardige asielmotief het enige asielmotief is. Hetgeen eiser verder heeft aangevoerd zijn immers slechts economische omstandigheden die niet te herleiden zijn tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag of kunnen leiden tot een schending van artikel 3 van Pro het EVRM. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser op geen enkele wijze heeft toegelicht dat de mate van deprivatie die hem te wachten staat in Jordanië zodanig is dat het de hoge lat voor het aannemen van een dreigende schending van artikel 3 van Pro het EVRM zou kunnen halen.
Reguliere vergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM
8. De rechtbank constateert dat eiser er in de zienswijze op heeft gewezen dat hij een hecht sociaal netwerk heeft opgebouwd in Nederland. Dit heeft hij herhaald in de beroepsgronden. De rechtbank constateert dat verweerder in strijd met het bepaalde in artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit 2000 in het bestreden besluit heeft nagelaten te motiveren waarom artikel 8 van Pro het EVRM niet noopt tot het verlenen van een reguliere vergunning. Verweerder heeft dit ter zitting erkend. Het bestreden besluit bevat derhalve een motiveringsgebrek. De rechtbank ziet daarom aanleiding om het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen.
8.1.
De rechtbank ziet in hetgeen verweerder ter zitting heeft aangevoerd echter reden om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Verweerder heeft aangevoerd dat er geen sprake is van familieleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Verweerder heeft ook aangevoerd dat eiser niet heeft onderbouwd dat de banden die hij in Nederland heeft opgebouwd zodanig zijn dat niet langer van hem gevergd kan worden om Nederland te verlaten. De rechtbank kan verweerder hierin volgen. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM, voor zover er al sprake is van privéleven, in eisers nadeel uitvalt en niet noopt tot verlening van een reguliere vergunning. Dat eiser in Nederland zwart werkt en mensen kent, heeft verweerder onvoldoende mogen vinden om tot een ander oordeel te komen.
Inreisverbod
9. Nu de aanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond heeft verweerder overeenkomstig zijn beleid bepaald dat eiser onmiddellijk Nederland moet verlaten. [6] Verweerder was vervolgens gehouden om een inreisverbod tegen eiser uit te vaardigen. [7] Verweerder heeft in hetgeen eiser heeft aangevoerd, geen aanleiding hoeven zien om vanwege humanitaire redenen een inreisverbod achterwege te laten. Zoals reeds in rechtsoverweging 8.1 is overwogen, heeft eiser niet onderbouwd dat hij in Nederland een bijzonder hecht sociaal netwerk heeft dat het opleggen van een inreisverbod in de weg staat. Bovendien ziet eisers beroepsgrond dat hij in Jordanië geen sociaal netwerk heeft op de situatie die hij verwacht in Jordanië en niet op waarom de toegang tot Nederland niet mag worden beperkt.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, maar de rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit omdat verweerder in beroep alsnog voldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet in aanmerking komt voor een reguliere vergunning op grond van artikel 8 van Pro het EVRM.
10. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde per punt van € 934,-).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €2.802,-.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. S.M.H. van der Velden, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 30b, aanhef en eerste lid, onder c en h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 31, aanhef en zesde lid, onder a, b, c, d en e, van de Vw 2000.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (EU).
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:292 en van 30 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2265.
6.Artikel 62, tweede lid, van de Vw 2000.
7.Artikel 66a, eerste lid, onder a, van de Vw 2000.