ECLI:NL:RBDHA:2026:18469

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
NL26.20364
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 6:22 AwbArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 behandeld en beoordeelt of de minister terecht heeft gehandeld.

Eiseres stelde dat Nederland de aanvraag inhoudelijk moest behandelen vanwege een ondertekende machtiging en beriep zich op het vertrouwensbeginsel. De rechtbank oordeelde dat de machtiging slechts diende voor informatie-uitwisseling en dat het vertrouwensbeginsel niet was geschonden. Ook was sprake van een kennelijke verschrijving in het besluit over Kroatië, maar dit was niet relevant omdat Frankrijk als verantwoordelijke lidstaat was aangewezen.

Verder voerde eiseres aan dat de minister ten onrechte uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk, mede vanwege haar LHBTI-status en psychische kwetsbaarheid. De rechtbank volgde dit niet, verwijzend naar recente jurisprudentie en het AIDA-rapport 2024, waarin geen structurele tekortkomingen in Frankrijk werden vastgesteld. Ook was geen sprake van een reëel risico op onmenselijke behandeling bij overdracht, zodat geen BMA-advies nodig was.

Ten slotte wees de rechtbank het beroep af omdat de minister terecht geen toepassing gaf aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Het beroep is ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitkomst: Het beroep van eiseres is ongegrond verklaard en het besluit om haar asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.20364

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 19 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.
Heeft de minister de asielaanvraag van eiseres aan zich getrokken door de machtiging op grond van artikel 34 van Pro de Dublinverordening te laten ondertekenen door eiseres?
5. Eiseres betoogt dat de minister de asielaanvraag van eiser inhoudelijk moet behandelen omdat eiseres een machtiging op grond van artikel 34 van Pro de Dublinverordening heeft ondertekend. Hierin is expliciet vermeld dat Nederland als verantwoordelijke lidstaat wordt aangemerkt en dat de machtiging strekt tot het opvragen van informatie met het oog op de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag. Dit duidt niet op een beoordeling in het kader van de Dublinverordening. Eiseres betwist niet dat een dergelijke machtiging kan worden gebruikt om informatie op te vragen bij een andere lidstaat, maar de machtiging die eiseres heeft ondertekend heeft een andere strekking. Eiseres beroept zich op het vertrouwensbeginsel. Na ondertekening van de machtiging is het gehoor beëindigd, zonder dat is verteld dat alsnog een claimverzoek bij Frankrijk zou worden gedaan. Onder deze omstandigheden heeft de minister het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat de asielaanvraag van eiseres inhoudelijk door Nederland in behandeling werd genomen. Dit is niet kenbaar in de besluitvorming betrokken.
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat de minister is aangevangen met de inhoudelijke beoordeling van haar asielaanvraag doordat eiseres de hiervoor bedoelde machtiging heeft ondertekend. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [2] (Afdeling) volgt dat niet snel wordt aangenomen dat Nederland is aangevangen met de inhoudelijke behandeling van een asielverzoek, zolang de procedure waarbij wordt bepaald welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek nog niet is afgerond. Ook volgt uit deze rechtsspraak dat de toestemmingsverklaring is bedoeld om informatie op te kunnen vragen bij andere lidstaten, zodat kan worden vastgesteld welk land verantwoordelijk is. Het enkele feit dat het nader gehoor van eiseres na ondertekening van de machtiging is beëindigd, maakt dit niet anders. Ook is het vertrouwensbeginsel niet geschonden. Anders dan eiseres betoogt is geen sprake geweest van een toezegging zoals de minister terecht stelt. De door eiseres ondertekende toestemmingsverklaring is een stap in een standaardprocedure die enkel ziet op het uitwisselen van informatie tussen lidstaten in het kader van de Dublinverordening. Uit deze handeling kan niet worden afgeleid dat Nederland de asielaanvraag van eiseres inhoudelijk zal behandelen. Bovendien heeft de minister geen uitlatingen gedaan waaruit een dergelijke toezegging blijkt.
Heeft de minister ten onrechte het interstatelijk vertrouwensbeginsel getoetst ten opzichte van Kroatië?
6. Eiseres betoogt dat de minister in het bestreden besluit ten onrechte het interstatelijk vertrouwensbeginsel toetst ten opzichte van Kroatië. Eiseres voert aan dat dit onbegrijpelijk is, aangezien de minister in hetzelfde besluit stelt dat Frankrijk de verantwoordelijke lidstaat is. Dit betreft geen kennelijke verschrijving, aangezien de beoordeling of kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel een essentieel onderdeel is van de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit. Door te toetsen aan Kroatië in plaats van aan Frankrijk heeft de minister nagelaten om te beoordelen of een overdracht aan Frankrijk in lijn is met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. Daardoor ontbreekt een dragende motivering voor het besluit. Dit gebrek kan niet worden gepasseerd met artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat niet kan worden vastgesteld dat eiseres hierdoor niet in haar belangen is geschaad. Ook kan het gebrek niet in beroep worden hersteld, omdat het gaat om een essentiële inhoudelijke beoordeling.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Op de zitting heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat dit een kennelijke verschrijving is. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding om een gebrek aan te nemen. Uit het bestreden besluit blijkt evident dat de minister het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk heeft getoetst. Zoals de minister op zitting terecht heeft gesteld wordt in het bestreden besluit immers verwezen naar vaste rechtspraak van de Afdeling ten aanzien van Frankrijk. Ook is het door eiseres aangehaalde AIDA-rapport dat ziet op Frankrijk besproken.
Mag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
7. Eiseres betoogt dat de minister ten opzichte van Frankrijk niet langer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit de vaste rechtspraak van de Afdeling waar de minister naar verwijst volgt niet dat in alle individuele gevallen zonder nadere beoordeling tot overdracht kan worden overgegaan. Eiseres behoort tot de LHBTI-gemeenschap, wat haar een kwetsbaar persoon maakt en waardoor de minister een verzwaarde onderzoeksplicht heeft. Uit het AIDA-rapport, update 2024, [3] blijkt dat er aanhoudende problemen zijn met betrekking tot de positie van LHBTI-asielzoekers in Frankrijk. De minister heeft ten onrechte niet onderzocht wat dit in het individuele geval van eiseres betekent bij overdracht aan Frankrijk. Bovendien heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat een terugkeer naar Frankrijk niet leidt tot een reëel risico op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest.
7.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling heeft recent nog bevestigd dat nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan [4] . In deze uitspraak is het AIDA-rapport, update 2024, besproken. De Afdeling heeft hierover geoordeeld dat uit dit rapport niet blijkt dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Uit het rapport blijkt dat problemen bestaan omtrent de positie van LHBTI-asielzoekers in Frankrijk, maar hieruit volgt niet dat homoseksuele en transgender asielzoekers in een nadeligere positie dan andere asielzoekers terecht komen. Ook ten aanzien van de opvang van asielzoekers is niet gebleken dat er structurele problemen bestaan die bij overdracht een reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest opleveren. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.
Is er sprake van een situatie zoals in het arrest C.K.?
8. In de aanvullende gronden van 17 juni 2026 doet eiseres een beroep op het arrest C.K. van het Hof. [5] Uit de aanvullende documenten blijkt dat eiseres kampt met ernstige psychische klachten en zich suïcidaal heeft geuit. Het is niet in het belang van eiseres dat de medische behandeling die zij ondergaat, alsmede de specialistische psychische hulp waarvoor zij is verwezen, wordt stilgezet. Op de zitting heeft eiseres betoogd dat de minister ten onrechte geen BMA-advies heeft opgevraagd en dat de minister alsnog opgedragen moet worden om dat te doen. Dit had wel op de weg van de minister gelegen, aangezien de minister zelf niet medisch deskundig is en het risico niet zelf kan inschatten.
8.1.
Uit het arrest C.K. volgt dat, ook als van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, overdracht in het kader van de Dublinverordening op zichzelf een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling als bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest kan opleveren. Dit kan met name voorkomen als de overdracht van een vreemdeling met bijzonder ernstige psychische of lichamelijke problemen een ernstige verslechtering van zijn of haar gezondheidstoestand tot gevolg zal hebben, zodat er een situatie ontstaat zoals bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest. Of dit zo is, moet worden beoordeeld bij de beslissing over de overdracht van die vreemdeling. Als een vreemdeling objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn of haar gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen waartoe een overdracht zou kunnen leiden, moet de minister bij het nemen van het overdrachtsbesluit beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Die vergewisplicht treedt onder meer in wanneer het risico dat een asielzoeker suïcide zal plegen als gevolg van zijn of haar overdracht door een medisch deskundige als reëel of hoog is ingeschat. In dat geval vereist de vergewisplicht dat de minister de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheid van een vreemdeling deugdelijk gemotiveerd wegneemt. De minister kan in beginsel met het uitvoeren van de door het BMA vastgestelde reisvereisten, de gerezen twijfel over een schending van artikel 4 van Pro het Handvest als gevolg van de overdracht zelf wegnemen, maar kan daar niet altijd mee volstaan.
8.2.
De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiseres niet met objectieve documenten heeft onderbouwd dat zij bijzonder ernstige psychische problemen heeft die tot aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen bij overdracht zouden kunnen leiden. Hierdoor komt de minister niet toe aan de vergewisplicht, aangezien het suïcide-risico als gevolg van de overdracht niet als reëel of hoog is ingeschat door een medisch deskundige. Om die reden heeft de minister geen aanleiding hoeven zien om een BMA-advies op te vragen. Hoe treurig ook, is de enkele omstandigheid dat eiseres een suïcidale poging heeft gedaan onvoldoende om aan te nemen dat de overdracht een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling oplevert. In dit kader heeft de minister op de zitting toegelicht dat ten tijde van de overdracht maatregelen getroffen kunnen worden wanneer dit nodig wordt geacht.
Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening?
9. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De minister heeft ten onrechte niet beoordeeld of de kwetsbaarheid, de positie van eiseres als LHBTI-persoon, de omstandigheid dat eiseres in Nederland onder medische behandeling staat en een sociaal netwerk heeft opgebouwd, aanleiding geven om gebruik te maken van de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
9.1.
De minister heeft deugdelijk gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De door eiseres gestelde kwetsbaarheid, de positie van eiseres als LHBTI-persoon en het feit dat zij in Nederland onder medische behandeling staat en een sociaal leven heeft opgebouwd, zijn geen zodanige bijzondere individuele omstandigheden waardoor een overdracht leidt tot onevenredige hardheid. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
mr.F.E. Brokke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.ABRvS 11 september 2014, ECLI:NL:RVS:2015:3385.
3.AIDA-rapport Frankrijk, update 2025 (juni 2025).
4.ABRvS 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623.
5.HvJEU, arrest C.K. 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.