ECLI:NL:RBDHA:2026:18513
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep tegen vrijheidsbeperkende maatregel
Eiseres kreeg op 28 mei 2026 een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Op 29 mei 2026 stelde zij beroep in tegen dit besluit en vroeg om een voorlopige voorziening. De minister beëindigde de maatregel op 1 juni 2026 vanwege voortzetting van opvang in het AZC. Vervolgens trok eiseres op 2 juni 2026 het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht de rechtbank om de minister te veroordelen in de proceskosten.
De rechtbank oordeelde dat de beëindiging van de maatregel na het instellen van het beroep een tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, Awb vormde. Dit betekent dat de minister het standpunt in het bestreden besluit heeft herzien en daarmee de onrechtmatigheid erkent. De rechtbank wees het verzoek om proceskostenvergoeding toe en veroordeelde de minister tot betaling van €1868,00 aan proceskosten.
De uitspraak werd gedaan zonder zitting op basis van artikel 8:54 Awb Pro. De proceskosten zijn vastgesteld conform het Besluit proceskosten bestuursrecht, waarbij één punt werd toegekend voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verzoek om voorlopige voorziening, elk met een waarde van €934,-.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van €1868,00 aan proceskosten na intrekking van het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel.