ECLI:NL:RBDHA:2026:18558

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
6 juli 2026
Zaaknummer
NL26.4460 en NL26.10897
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 KwalificatierichtlijnArt. 6:20 AwbArtikel 3 EVRMRichtlijn 2011/95/EUArtikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende individuele risicobeoordeling

Eiser, een Syrische minderjarige die in 2021 Syrië verliet vanwege oorlog en militaire dienstplicht, vroeg asiel aan in Nederland. Verweerder wees de aanvraag af op basis van een lagere mate van willekeurig geweld in Damascus, het gebied van herkomst waar eiser zijn hoofdverblijf had. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende individuele omstandigheden had betrokken, zoals het ontbreken van een netwerk en de kwetsbaarheid van eiser als jonge adolescent die terugkeert.

Daarnaast was verweerder te laat met het nemen van een besluit, waarvoor eiser eerder al een gegrondverklaring van beroep had gekregen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk omdat inmiddels een besluit was genomen, maar veroordeelde verweerder wel in de proceskosten.

De rechtbank stelde vast dat verweerder mocht uitgaan van Damascus als herkomstgebied, maar dat de beoordeling van het risico op willekeurig geweld en een schending van artikel 3 EVRM Pro onvoldoende was gemotiveerd. Verweerder had de individuele kwetsbaarheid van eiser moeten meenemen in de beoordeling. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd en verweerder wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.4460 en NL26.10897

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.P.M. Ngasirin),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Witteman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen van verweerder op zijn asielaanvraag en tegen het alsnog genomen besluit waarin verweerder zijn asielaanvraag heeft afgewezen.
1.1.
Eiser heeft op 12 september 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 26 januari 2026 heeft eiser (vervolg)beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.
1.2.
Verweerder heeft met het bestreden besluit van 19 februari 2026 eisers aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Omdat eiser zich niet kan verenigen met het genomen besluit, is het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit van rechtswege ook gericht tegen dit besluit. [1]
1.3.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, H. Rida als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2006 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiser was ten tijde van de asielaanvraag minderjarig en alleen in Nederland. Aan zijn asielaanvraag heeft hij ten grondslag gelegd dat hij in 2021 Syrië heeft verlaten vanwege de oorlog, de algemene onveiligheid en de militaire dienstplicht. Eiser vreest bij terugkeer slachtoffer te worden van milities en gewapende bendes. Hij heeft verklaard dat een goede vriend van hem is ontvoerd en hij vreest dat hem hetzelfde zal overkomen.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiseres bestaat volgens verweerder uit de volgende asielmotieven: identiteit, nationaliteit en herkomst.
3.1.
Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Er is in Syrië volgens verweerder geen sprake van een reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15 van Pro de Kwalificatierichtlijn. [2] Uit het beleid [3] van verweerder volgt dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Ook volgt uit de algemeen ambtsberichten over Syrië van mei 2025 en januari 2026, dat er sprake is van incidentele geweldsuitbarstingen en vooral sprake is van gericht geweld. Nu er sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, moet eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft geen risico verhogende omstandigheden aangedragen.
3.2.
Ten aanzien van de verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen stelt verweerder zich op het standpunt dat het onderzoek naar de vraag of er voldoende opvangmogelijkheden zijn in het land van herkomst niet kon worden afgerond. Eiser is namelijk meerderjarig geworden binnen de verlengde beslistermijn.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van de hoogste gradatie van willekeurig geweld in Syrië en dat eiser geen risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. In [plaats 1] (eisers gebied van herkomst) vallen burgerslachtoffers door conflict gerelateerd geweld en gerichte moorden. Daarbij lukt het de nieuwe regering niet om haar autoriteit in alle gebieden te vestigen. Dit heeft volgens eiser geleid tot een groot aantal binnenlandse ontheemden, waardoor de humanitaire situatie slecht is in dit gebied. De humanitaire omstandigheden zijn onvoldoende betrokken bij de beoordeling of er sprake is van een 15c situatie.
4.1.
Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij niet in een situatie terecht zal komen in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. [4] Eiser zal niet kunnen voorzien in zijn meest basale behoeftes.
4.2.
Ten slotte stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder prematuur heeft beschikt en daarmee het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. Verweerder had de beantwoording van de prejudiciële vragen die de rechtbank aan het Hof van Justitie heeft gesteld, moeten afwachten. [5]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiser gelijk en zal dit oordeel hieronder uitleggen. De rechtbank gaat eerst kort in op het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag.
Het bHeaeroep niet tijdig beslissen en het beroep NL26.10897
6. Omdat het beroep oorspronkelijk gericht was tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zal de rechtbank hier eerst een oordeel over geven.
6.1.
Bij uitspraak van 8 januari 2026 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, het eerdere beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag gegrond verklaard en verweerder opgedragen om binnen twee weken na verzending van deze uitspraak een besluit te nemen op de asielaanvraag onder verbeurte van een dwangsom van €100,- voor elke dag waarmee hij deze termijn overschrijdt, met een maximum van €15.000,-.
6.2.
Op grond van de rechtbankuitspraak van 8 januari 2026 had verweerder uiterlijk op 23 januari 2026 een besluit moeten nemen op de asielaanvraag van eiser. De rechtbank stelt vast dat deze termijn is overschreden. Eiser heeft na het verstrijken van deze termijn beroep ingediend, wat is geregistreerd onder zaaknummer NL26.4460. Omdat verweerder inmiddels heeft beslist, is het belang van eiser bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag komen te vervallen. Het beroep met zaaknummer NL26.4460 is daarom niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig beslissen.
6.3.
Nu tussen partijen niet in geschil is dat de beslistermijn door verweerder is overschreden en pas na deze overschrijding een besluit op eisers asielaanvraag is genomen, ziet de rechtbank wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen.
6.4.
Eiser heeft tegen het besluit van 26 februari 2026 ook apart beroep ingesteld, wat is geregistreerd onder zaaknummer NL26.10897. Nu het beroep wat eiser (aanvankelijk) heeft ingediend tegen het niet tijdig nemen van het besluit van rechtswege ook is gericht tegen het besluit van 26 februari 2026, [6] is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang heeft bij de behandeling het beroep wat door hem is ingediend nadat het besluit van 26 februari 2026 is genomen. Het beroep met zaaknummer NL26.10897 is daarom niet-ontvankelijk.
Inhoudelijke beoordeling van het beroep
7. De rechtbank stelt voorop dat verweerder niet gehouden was een antwoord op de door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, gestelde prejudiciële vragen af te wachten. De rechtbank zal het beroep van eiser hierna beoordelen aan de hand van de overige door hem aangevoerde gronden.
Mocht verweerder uitgaan van Damascus als gebied van herkomst van eiser?
8. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit niet heeft gespecificeerd wat volgens hem het gebied is waar eiser uit afkomstig is en naartoe zou moeten terugkeren. Eiser heeft zich in zijn zienswijze en beroepsgronden op het standpunt gesteld dat hij afkomstig is uit [plaats 1] , waar zijn familie vandaan komt en waar eiser de eerste zeven jaar van zijn leven heeft gewoond. In het verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser afkomstig is uit Damascus , omdat hij daar heeft gewoond in de laatste zeven jaar voor zijn vertrek uit Syrië. Verweerder heeft daarom getoetst aan de situatie bij terugkeer naar Damascus en niet aan terugkeer naar [plaats 1] .
8.1.
De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder al in het bestreden besluit duidelijk had moeten maken aan welk gebied van herkomst wordt getoetst, juist ook omdat de ‘15c-beoordeling’ vereist dat er kenbaar informatie wordt betrokken over de regio van herkomst van eiser. Er is daarom sprake van een gebrek in de besluitvorming. In het verweerschrift heeft verweerder dit gebrek hersteld door aan te geven aan welk gebied van herkomst is getoetst en daar informatie over te betrekken. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich in dit geval op het standpunt heeft mogen stellen dat er getoetst moet worden aan de situatie bij terugkeer naar Damascus . Eiser heeft verklaard dat hij met zijn familie in 2014 naar Damascus is verhuisd en daar heeft verbleven tot zijn vertrek uit Syrië in 2021. Eiser was gedurende die jaren tussen de leeftijd van acht en vijftien jaar oud. Gelet op dit lange verblijf overweegt de rechtbank dat eiser zijn hoofdverblijf en het centrum van zijn leven heeft verplaatst naar Damascus . De rechtbank betrekt hierbij dat eiser zijn vormende jaren in Damascus heeft doorgebracht. Daarom mag verweerder uitgaan van Damascus als herkomstgebied van eiser. De rechtbank overweegt ten slotte dat het voorgaande oordeel anders was geweest indien eiser en zijn familie waren gevlucht naar Damascus of vanwege de oorlog zouden zijn gedwongen om [plaats 1] te verlaten. Dat is echter niet gesteld of onderbouwd.
Is voldoende gemotiveerd dat eiser niet te vrezen heeft vanwege de algemene situatie in Syrië?
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, [7] maar onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet te vrezen heeft vanwege de algemene situatie in Syrië. De 15c beoordeling van verweerder is namelijk niet volledig geweest. Verweerder heeft bij deze beoordeling nagelaten om alle individuele omstandigheden van eiser kenbaar te betrekken. De rechtbank overweegt als volgt.
9.1.
In het verweerschrift heeft verweerder uitgebreid stilgestaan bij de situatie in Damascus . Verweerder heeft er onder meer op gewezen dat het geweld en het aantal burgerslachtoffers is afgenomen en dat de humanitaire omstandigheden niet worden veroorzaakt of in stand gehouden door strijdende partijen. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op verschillende bronnen en cijfers over de situatie in Damascus tot en met eind februari 2026. Eiser heeft hier geen informatie tegenover gezet en ter zitting alleen verklaard dat er ook in Damascus nog wordt gevochten. De rechtbank overweegt dat dit algemene standpunt onvoldoende toelichting biedt over welke feiten of omstandigheden volgens eiser relevant zijn om te concluderen dat er een hogere mate van willekeurig geweld is. De rechtbank kan hier ook niet uit opmaken welke informatie verweerder op onjuiste wijze zou hebben gewogen. Gelet daarop heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat er sprake is van een lagere gradatie van willekeurig geweld.
9.2.
De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder vervolgens niet alle individuele omstandigheden van eiser heeft betrokken bij de beoordeling of hij een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft verklaard dat hij als kind is vertrokken uit Syrië en dat hij als jonge adolescent zou terugkeren zonder netwerk, woning of vangnet. Verweerder heeft deze omstandigheden niet kenbaar betrokken en niet beoordeeld of deze omstandigheden eiser al dan niet kwetsbaarder maken voor het willekeurig geweld. De enkele stelling dat eiser inmiddels meerderjarig is, is daartoe onvoldoende. Ook de ter zitting ingenomen stelling dat niet is onderbouwd dat eiser geen netwerk heeft bij terugkeer, vindt de rechtbank hiertoe onvoldoende. Eiser heeft namelijk verklaard dat zijn familieleden zich (grotendeels) buiten Syrië bevinden en dat de familieleden die nog wél in Syrië zijn, zich bevinden in [plaats 1] . Naast dat eiser heeft verklaard geen contact te hebben met die familieleden, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser kan terugkeren naar Damascus – en niet naar [plaats 1] . De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaringen van eiser dat hij bij terugkeer naar Syrië (uitgaande van Damascus ) geen familieleden of netwerk heeft. Verweerder moet ook deze omstandigheid dus in de beoordeling betrekken. De beroepsgrond slaagt.
Artikel 3 van Pro het EVRM
10. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder ook onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM.
10.1.
De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026 geoordeeld dat verweerder moet beoordelen of eiser bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. [8] Verweerder kan voor deze beoordeling niet slechts verwijzen naar zijn beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het Hof van Justitie van de EU heeft eerder al geoordeeld dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 3 van Pro het EVRM verschillen qua inhoud en dat de uitlegging van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn autonoom moet plaatsvinden. [9]
10.2.
Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi [10] twee situaties onderscheidt:
- In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
- In de tweede situatie worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor.
In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor het aannemen van een reëel risico op ernstige schade hoger.
10.3.
Verweerder heeft zich in het verweerschrift en ter zitting op het standpunt gesteld dat van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM geen sprake is. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat moet worden voldaan aan de hogere lat van
"very exceptional circumstances where the humanitarian grounds against removal are compelling",omdat de humanitaire omstandigheden niet worden veroorzaakt door strijdende partijen en omdat het arrest Sufi en Elmi niet vergelijkbaar is met de situatie van eiser. Volgens verweerder heeft eiser geen individuele omstandigheden aangevoerd waarmee de hoge lat wordt gehaald.
10.4.
De rechtbank stelt vast dat eiser desgevraagd heeft aangegeven niet op te komen tegen de door verweerder gehanteerde ‘zwaardere’ toets. Maar ook als van deze toets zou moeten worden uitgegaan, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat hieraan niet wordt voldaan. Verweerder heeft namelijk de individuele omstandigheden van eiser niet kenbaar betrokken in dit onderdeel van de beoordeling. De rechtbank wijst daarbij op het vertrek van eiser op jonge leeftijd uit Syrië en zijn terugkeer als jonge adolescent. Ook in dit kader had verweerder stil moeten staan bij de vraag of eisers individuele omstandigheden hem al dan niet kwetsbaar(der) maken voor de humanitaire omstandigheden in Syrië.
11. Nu het bestreden besluit al wordt vernietigd vanwege de bovenstaande redenen, ziet de rechtbank geen aanleiding om de overige beroepsgronden te beoordelen.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep met nummer NL26.10897 is niet-ontvankelijk.
13. Het beroep met nummer NL26.4460 is niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig beslissen.
14. Het beroep met nummer NL26.4460 is gegrond voor zover het is gericht tegen het alsnog genomen besluit. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.
15. Omdat verweerder te laat heeft beslist en omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 2.335,-. [11]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep met nummer NL26.10897 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep met nummer NL26.4460 niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit;
  • verklaart het beroep met nummer NL26.4460 gegrond voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit van 19 februari 2026;
  • vernietigt het bestreden besluit van 19 februari 2026;
  • draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
2.Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking).
3.Zie paragraaf C7/33.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
4.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 29 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:25445.
6.Dit volgt uit artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).
7.Zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.
9.Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 17 februari 2009, ECLI:EU:C:2009:94 (
10.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (
11.1 punt voor het indienen van het beroepschrift niet tijdig beslissen met een waarde per punt van