Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Haïtiaanse vreemdeling, werd op 28 januari 2026 in bewaring gesteld door de minister van Asiel en Migratie. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 30 januari 2026 opgeheven, waardoor de beoordeling zich beperkte tot de vraag of de bewaring onrechtmatig was en of schadevergoeding toekwam.
Eiser voerde aan dat het binnentreden onrechtmatig was vanwege een vermeend ontbreken van een rechtsgeldige ondertekening van de machtiging tot binnentreden. De rechtbank stelde vast dat de machtiging wel degelijk rechtsgeldig elektronisch was ondertekend. Daarnaast stelde eiser dat de staandehouding onrechtmatig was omdat het terugkeerbesluit gericht was op Haïti, terwijl in het proces-verbaal sprake was van terugkeer naar Panama. De rechtbank oordeelde dat verweerder op basis van een removal order voor Panama een redelijk vermoeden van illegaal verblijf mocht aannemen en de staandehouding daarom gerechtvaardigd was.
Verder stelde eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld bij de voorbereiding van de uitzetting. De rechtbank concludeerde dat verweerder adequaat had gehandeld, gezien de snelle opheffing van de bewaring na een toegewezen voorlopige voorziening. De ambtshalve toetsing leidde eveneens tot het oordeel dat de bewaring niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.