ECLI:NL:RBDHA:2026:18660

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
K/4502/12163016
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:678 BWArt. 289 Rv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet wegens herhaald te laat komen en niet-productief gedrag rechtsgeldig

Een werknemer, werkzaam als leidinggevend verkoopmedewerker, werd op 2 maart 2026 op staande voet ontslagen wegens herhaaldelijk te laat komen en niet-productief gedrag tijdens werktijd. Eerder had zij schriftelijke waarschuwingen ontvangen over haar gedrag, waaronder het te laat komen op diverse dagen in januari en februari 2026, en het gebruik van haar mobiele telefoon tijdens werktijd.

De werknemer verzocht de kantonrechter het ontslag te vernietigen omdat het ontslag niet onverwijld zou zijn gegeven; de laatste overtreding vond plaats op 24 februari 2026, terwijl het ontslag pas op 2 maart 2026 werd gegeven. Ook stelde zij dat de overtredingen slechts enkele minuten te laat waren en geen dringende reden vormden.

De kantonrechter oordeelde dat het ontslag rechtsgeldig was. Het was gebruikelijk dat de werkgever de klokregistraties wekelijks controleerde en direct na vaststelling het ontslag verleende. De werknemer was gewaarschuwd en had als leidinggevende een voorbeeldfunctie, waardoor haar gedrag niet werd getolereerd. De geringe minuten te laat waren in deze context onvoldoende om het ontslag ongeldig te verklaren.

Het verzoek tot vernietiging van het ontslag werd afgewezen en de kantonrechter zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Het voorwaardelijke tegenverzoek van de werkgever werd niet behandeld vanwege het oordeel over het ontslag.

Uitkomst: Het ontslag op staande voet wegens herhaald te laat komen en niet-productief gedrag is rechtsgeldig en wordt niet vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer / rekestnummer: 12163016 \ RP VERZ 26-50389
EVV/B
Beschikking van 7 juli 2026
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
gemachtigde: mr. M. Bouman,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verweerster] B.V.,tevens handelende onder de naam
[handelsnaam],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
gemachtigde: [gemachtigde].

1.De zaak in het kort

In deze zaak verzoekt de werknemer om vernietiging van een ontslag op staande voet. De kantonrechter wijst het verzoekt af, omdat het ontslag (rechts)geldig is.

2.De procedure

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift.
2.2
Op 9 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij is [verzoekster] verschenen, vergezeld van haar gemachtigde. Namens [handelsnaam] zijn verschenen [naam 1] en [naam 2] , directeuren/aandeelhouders, vergezeld van de gemachtigde. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken.
2.3
De beschikking is bepaald op vandaag.

3.De feiten

3.1
[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 2003, heeft op 29 mei 2019 een arbeidsovereenkomst gesloten met [handelsnaam] , met ingang van 28 augustus 2023 als leidinggevend verkoopmedewerker met een loon van € 1.984,00 bruto per vier weken.
3.2
Bij brief van 6 februari 2026 heeft [handelsnaam] [verzoekster] een officiële waarschuwing gegeven. In de brief is opgenomen:
“Wij hebben geconstateerd dat je herhaaldelijk te laat op je werk bent verschenen. Dit is onder andere het geval geweest op 26, 27 en 30 januari, en op 2, 3 en 6 februari 2026. Het tijdig verschijnen op het werk is een duidelijke verplichting die voortvloeit uit je arbeidsovereenkomst en is essentieel voor een goede bedrijfsvoering.Met deze brief willen wij je officieel waarschuwen voor het hierboven beschreven gedrag. Wij verwachten dat je voortaan consequent op tijd aanwezig bent. Herhaling van dit gedrag kan leiden tot verdere arbeidsrechtelijke maatregelen.”.
3.3
Ook bij brief van 16 februari 2026 heeft [handelsnaam] aan [verzoekster] een officiële waarschuwing gegeven. In de brief is opgenomen:
“Het is ons opgevallen dat je al enige tijd niet klokt als je pauze houdt. Bij het controleren van de camerabeelden voor jouw pauzetijden is geconstateerd dat je zeer regelmatig onnodig op het kassakantoor bent en hier veelvuldig onder werktijd gebruik maakt van jouw eigen mobiele telefoon. Zoals je weet staat in ons arbeidsreglement dat dit niet is toegestaan. Concrete voorbeelden hiervan zijn zaterdag 24-1, zaterdag 31-1, vrijdag 6-2, zaterdag 7-2 en maandag 9-2, welke beelden we hebben opgeslagen. Maandag 9-2 is ook gedetailleerd met jou besproken. Ook zien we dat jouw productiviteit op bepaalde dagen erg laag is, mede door het “kassakantoor hangen” in combinatie met ongeoorloofd mobiele telefoongebruik. Je speelt zelfs meerder malen onder werktijd een spelletje op jouw telefoon (Hay Day).(…..)Voor bovenstaande zaken ontvangen je hierbij een officiële waarschuwing. We zullen z.s.m. weer met een zogenaamde activiteitenplanning gaan werken, zodat voor jou duidelijker is wat er op een dag allemaal gedaan dient te worden en productiviteit omhooggaat.(…..)”.
3.4
Op 2 maart 2026 is [verzoekster] op staande voet ontslagen. In de brief is opgenomen:
“Hierbij bevestigen wij dat wij je op 2 maart 2026 op staande voet hebben ontslagen. De reden voor dit ontslag is, zoals wij je ook op 2 maart 2026 hebben meegedeeld, herhaaldelijk te laat komen, het hangen op kantoor en het niet productief zijn tijdens werktijd.Op 6 februari 2026 heb je een schriftelijke waarschuwing ontvangen omdat je meerdere malen te laat bent verschenen op het werk. Daarbij is uitdrukkelijk aangegeven dat herhaling zou kunnen leiden tot verdere arbeidsrechtelijke maatregelen.Daarnaast heb je eerder een tweede waarschuwing ontvangen op 16 februari wegens kantoorhangen en het niet productief zijn tijdens werktijd.Ondanks deze waarschuwingen is gebleken dat je vorige week opnieuw twee keer te laat bent verschenen, namelijk op:
  • 23 februari
  • 24 februari
Op basis hiervan verlenen wij je per 2 maart 2026 ontslag op staande voet wegens een dringende reden. Deze gedragingen vormen elk afzonderlijk , en samen, een dringende reden voor dit ontslag.
De arbeidsovereenkomst is direct geëindigd. (….)”.

4.Het verzoek en het verweer

4.1
[verzoekster] verzoekt de kantonrechter het ontslag op staande voet te vernietigen en [handelsnaam] te veroordelen tot betaling van het loon tot het moment waartegen de arbeidsovereenkomst regulier had kunnen worden opgezegd. Volgens [verzoekster] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig, omdat het niet onverwijld is gegeven. De laatste aan [verzoekster] verweten gedraging heeft plaatsgevonden op 24 februari 2026 en het ontslag is pas op 2 maart 2026 gegeven. Verder is [verzoekster] op 23 en 24 februari 2026 slechts enkele minuten te laat op het werk verschenen. Dat is geen dringende reden die een ontslag op staande voet rechtvaardigt.
4.2
[handelsnaam] voert verweer. Op dit verweer wordt – voor zover belang – hierna nader ingegaan. Voor het geval de kantonrechter zou oordelen dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven, verzoekt [handelsnaam] de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens verwijtbaar handelen van [verzoekster] en [verzoekster] te veroordelen in de proceskosten, voor zover rechtens mogelijk.

5.De beoordeling

5.1
Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven en of daar een voldoende dringende reden aan ten grondslag is gelegd. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
5.2
Vast staat dat [verzoekster] voorafgaand aan het ontslag op staande voet tweemaal een officiële waarschuwing heeft ontvangen, waarvan die op 6 februari 2026 betrekking had op het feit dat [verzoekster] in nog geen twee weken zes keer te laat op het werk was verschenen. Daarmee was [verzoekster] een gewaarschuwd mens. Op tijd op het werk zijn is een wezenlijk onderdeel van een arbeidsovereenkomst. [verzoekster] heeft op de zitting gezegd dat zij het in het algemeen, ook privé, moeilijk vindt om op tijd te komen; zij schat tijden niet goed in. Zij heeft wel geprobeerd dit te verbeteren. De kantonrechter wil daar wel van uitgaan, maar nu [verzoekster] zich kennelijk van dit probleem bewust is, had van haar extra inspanning mogen worden verwacht om ervoor te zorgen dat zij na de waarschuwing consequent op tijd op haar werk zou komen, zoals [handelsnaam] als duidelijke verwachting in de schriftelijke waarschuwing had uitgesproken. [verzoekster] had ook een leidinggevende functie. Dat betekent dat zij het goede voorbeeld moet geven aan het andere personeel. Toch is zij na de waarschuwing nog twee keer te laat gekomen. Dat het daarbij maar om een paar minuten ging, is in het licht van het voorgaande niet van voldoende belang.
5.3
De stelling van [verzoekster] dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven, wordt verworpen. Bij de mondelinge behandeling is namens [handelsnaam] verklaard dat de voorvallen die [handelsnaam] in de schriftelijke waarschuwingen heeft omschreven, telkens achteraf zijn geconstateerd aan de hand van de geregistreerde in- en uitkloktijden van het personeel, omdat de directeuren niet altijd in de supermarkt aanwezig zijn vanwege het feit dat zij ook leiding geven in andere filialen. Die kloktijden werden een keer in de week nagekeken. [verzoekster] heeft dit niet weersproken. [handelsnaam] heeft ook de aan het ontslag ten grondslag gelegde voorvallen op zondag 23 en dinsdag 24 februari 2026 achteraf, op maandag 2 maart 2026, aan de hand van de kloktijden geconstateerd. Nu dit een gebruikelijke werkwijze was in de supermarkt en [handelsnaam] direct na de vaststelling op maandag 2 maart 2026 het ontslag op staande voet heeft verleend, onder gelijktijdige mededeling van de reden, acht de kantonrechter dat in dit geval voldoende onverwijld.
5.4
Het verzoek van [verzoekster] tot vernietiging van het ontslag op staande voet wordt dan ook afgewezen, omdat het ontslag rechtsgeldig is.
5.5
Aan het door [handelsnaam] voorwaardelijk ingestelde tegenverzoek komt de kantonrechter, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet toe.
5.6
[handelsnaam] heeft bij afwijzing van de verzoeken van [verzoekster] niet om een proceskostenveroordeling gevraagd en de kantonrechter ziet – met inachtneming van het bepaalde in artikel 289 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering – geen aanleiding om die ambtshalve uit te spreken.

6.De beslissing

De kantonrechter wijst het verzoek van [verzoekster] af.
Deze beschikking is gegeven door mr. N.B. Verkleij en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2026.