ECLI:NL:RBDHA:2026:18694

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
NL26.10824
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 31, lid 6, onder d, Vreemdelingenwet 2000Vluchtelingenverdrag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Syriër wegens gebrek aan geloofwaardigheid en reëel risico

Eiser, een Syrische nationaliteit, verzocht op 18 januari 2025 om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister wees dit verzoek op 19 februari 2026 af wegens het ontbreken van geloofwaardige asielmotieven en het ontbreken van een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Syrië.

Eiser voerde aan dat hij Syrië in 2014 verliet vanwege gevangenneming tijdens militaire dienst in 1988/1989, een conflict met een voormalig zakenpartner in 2013 en de militaire dienstplicht van zijn zoon. De rechtbank toetste het besluit volledig, mede gelet op recente jurisprudentie van het Hof van Justitie EU.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht het referentiekader van eiser heeft betrokken en dat het nader gehoor zorgvuldig was. De verklaringen over gevangenneming en het conflict met de zakenpartner werden niet geloofwaardig bevonden, mede omdat deze pas laat in de procedure werden aangevoerd en onvoldoende onderbouwd waren.

Verder concludeerde de rechtbank dat eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat er geen reëel risico op ernstige schade bestaat bij terugkeer, mede gelet op de beëindiging van de dienstplicht in Syrië en de actuele situatie volgens ambtsberichten.

Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10824

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Syrische nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. H.R. Nobel).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. [1] Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag als ongegrond in stand kan blijven. De minister heeft de problemen van eiser vanwege de gevangenneming in 1988 of 1989 tijdens de militaire dienst en vanwege een conflict met zijn voormalig zakenpartner in 2013 terecht niet geloofwaardig geacht. Ook heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen vluchteling is en dat hij bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond.

Procesverloop

1. Eiser heeft op 18 januari 2025 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 19 februari 2026 afgewezen als ongegrond.
1.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 4 maart 2026 heeft hij de gronden van het beroep ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook was er een tolk aanwezig. Het onderzoek is op zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
2. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in 2014 Syrië heeft verlaten vanwege de onveilige situatie, de problemen met zijn voormalige zakenpartner in 2013 en zijn gevangenhouding tijdens zijn militaire dienst in 1988/1989. Bij terugkeer naar Syrië vreest eiser onzekere toekomstige gebeurtenissen en ook voor datgene wat hij heeft meegemaakt.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Problemen vanwege de gevangenneming in 1988 of 1989 tijdens de militaire dienst;
3. Problemen vanwege een conflict met eisers voormalig zakenpartner in 2013;
4. Militaire dienstplicht van eisers zoon.
3.1.
De minister vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De verklaringen van eiser over zijn problemen die voortvloeien uit de gevangenneming in 1988 of 1989 tijdens de militaire dienst, vindt de minister niet geloofwaardig. Ook vindt de minister de verklaringen van eiser over de problemen na een conflict met zijn voormalig zakenpartner in 2013, niet geloofwaardig. De minister vindt verder dat eiser niet kan worden aangemerkt als vluchteling als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en dat hij bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico op ernstige schade loopt, zoals bedoeld in artikel 3 van Pro het EVRM. [2] De minister wijst eisers asielaanvraag af als ongegrond.
3.2.
Eiser kan zich hiermee niet verenigen. De rechtbank zal hierna de beroepsgronden van eiser beoordelen, voor zover deze van belang zijn.
De toets door de rechtbank
4. In de arresten van 4 juni 2026 in de zaken Quatal en Ebilum [3] heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat de terughoudende toets, zoals de Nederlandse rechter die nu in asielzaken verricht, niet verenigbaar is met het Europees recht. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het bestreden besluit daarom vol.
Heeft de minister voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser?
5. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling [4] dat het referentiekader van de vreemdeling, waaronder diens culturele achtergrond, kenbaar betrokken moet worden in de besluitvorming. [5] De rechtbank is van oordeel dat de minister bij de beoordeling van de verklaringen van eiser voldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Hoewel in de besluitvorming het referentiekader niet is opgenomen, heeft de gemachtigde van de minister op de zitting naar voren gebracht dat eiser antwoord heeft gegeven op de aan hem gestelde vragen en dat niet is onderbouwd dat hij vanwege het referentiekader niet heeft kunnen verklaren. Zo heeft de gehoormedewerker tijdens het nader gehoor doorgevraagd over eisers verklaringen en daarbij om verduidelijking gevraagd om duidelijke antwoorden te krijgen. De rechtbank leest deze werkwijze ook terug in het rapport van het nader gehoor. [6] Bovendien volgt niet uit het verslag van het nader gehoor dat eiser moeite heeft gehad met het begrijpen van vragen. Hieruit volgt dat tijdens het nader gehoor voldoende rekening is gehouden met het referentiekader van eiser.
Is het nader gehoor zorgvuldig geweest?
6. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat hij tijdens het aanmeldgehoor en het nader gehoor regelmatig zou zijn onderbroken, en dat hij zou zijn beperkt in zijn mogelijkheden om zijn verhaal te vertellen. De verslagen van het aanmeldgehoor en het nader gehoor bieden voor de stelling van eiser geen concrete aanwijzingen. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt dat de rapporteur heeft opgemerkt dat eiser regelmatig de tolk in de rede valt en dat hem is verzocht de tolk te laten uitspreken. [7] Hoewel in het verslag van het nader gehoor [8] staat dat eiser heeft aangegeven dat zij hem niet laten uitpraten en dat hij zijn zin niet kan afmaken, blijkt daaruit niet dat eiser daarna regelmatig is onderbroken door de gehoormedewerker en dat hij is beperkt om zijn verhaal te kunnen vertellen. Uit het verslag van het nader gehoor blijkt juist dat eiser voldoende gelegenheid heeft gehad om te vertellen wat voor hem de redenen zijn geweest om Syrië te verlaten. Zoals de gemachtigde van de minister op de zitting heeft gesteld, heeft eiser daarover in de correcties en aanvullingen niets gezegd en zijn er geen aanvullingen gedaan op het relaas van eiser. Daar komt bij dat uit het verslag van het nader gehoor blijkt dat op verschillende onderwerpen is doorgevraagd door de gehoormedewerker en dat eiser antwoord heeft gegeven op de aan hem gestelde vragen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen sprake is geweest van een onzorgvuldig nader gehoor.
Heeft de minister de problemen vanwege de gevangenneming in 1988 of 1989 terecht niet geloofwaardig geacht?7. De rechtbank merkt allereerst op dat de gemachtigde van de minister op de zitting de tegenwerping aan eiser van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw heeft laten vallen. Dit geldt voor de in 3 genoemde asielmotieven onder 2 en 3. Wat eiser daarover in de gronden van het beroep heeft aangevoerd, hoeft daarom niet meer te worden besproken.
7.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de problemen vanwege de gevangenneming in 1988 of 1989 terecht niet geloofwaardig heeft geacht. De minister heeft in dit kader terecht tegengeworpen dat eiser zijn problemen pas voor het eerst tijdens het nader gehoor naar voren heeft gebracht. Daarbij heeft de minister terecht betrokken dat eiser tijdens het aanmeldgehoor van 27 januari 2025 over de reden(en) van zijn vertrek uit Syrië heeft verklaard dat hij het land moest verlaten voor de veiligheid van zijn vrouw, kinderen en hemzelf. [9] Op de vraag of er nog andere redenen zijn waarom eiser niet terug kan naar Syrië was zijn antwoord ˋNeeˊ. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat eiser dit niet heeft gecorrigeerd met de aanvullingen en correcties. De minister heeft daarnaast terecht overwogen dat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat er nog een drietal redenen ten grondslag liggen aan zijn asielaanvraag, en dat van eiser mag worden verwacht dat hij deze redenen vanaf het begin van zijn procedure noemt. Dat eiser dacht dat persoonlijke problemen niet interessant zouden zijn en dat hij deze daarom niet heeft genoemd, kan hieraan niet afdoen. Dat eiser op de zitting heeft gesteld dat aan hem tijdens het aanmeldgehoor niet is uitgelegd wat precies van hem wordt verwacht en dat niet diepgaand wordt ingegaan op de asielmotieven, heeft de minister terecht niet gevolgd. De gemachtigde van de minister heeft op de zitting gesteld dat in het aanmeldgehoor aan eiser is uitgelegd dat alleen kort wordt ingegaan op de asielmotieven en dat hij tijdens het nader gehoor de gelegenheid krijgt uitgebreid over zijn asielmotieven te vertellen. [10] Dat eiser stelt dat het aanmeldgehoor niet is bedoeld om asielmotieven naar voren te brengen, maakt het niet anders. Dat geldt ook voor de stelling van eiser dat hij tijdens het aanmeldgehoor niet werd bijgestaan door een raadsman. Aan het begin van het aanmeldgehoor is duidelijk aan eiser uitgelegd wat van hem wordt verwacht. Niet gebleken is dat hij dat niet heeft begrepen. Dat eiser stelt dat het referentiekader van belang is, maakt geen verschil.
7.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister verder terecht gesteld dat eiser na de gestelde gevangenneming in 1988/1989 zonder problemen zijn dienstplicht heeft uitgediend, dat hij nadien nog langdurig in Syrië heeft verbleven tot zijn vertrek in 2014 én dat hij in 2018 is teruggekeerd naar Syrië. Daarbij heeft de minister op goede gronden overwogen dat eiser geen problemen heeft gehad, dat hij pas in 2014 uit Syrië is vertrokken, dat hij in 2018 vanuit [land] naar Syrië is teruggekeerd en dat niet is gebleken van problemen van eiser vanwege de (gestelde) gevangenhouding tijdens de militaire dienst. Eiser heeft hiertegen in de gronden van het beroep niets aangevoerd.
Heeft de minister de problemen met eisers voormalig zakenpartner in 2013 terecht niet geloofwaardig geacht?8. De rechtbank is van oordeel dat de minister de problemen met eisers zakenpartner in 2013 terecht niet geloofwaardig heeft geacht. De minister heeft in dit kader terecht gesteld dat de verklaringen van eiser over de bedreiging door zijn voormalig zakenpartner zijn gebaseerd op een aanname. Daarbij heeft de minister op goede gronden overwogen dat het een aanname is van eiser dat hij de woorden ‶ik wil mijn geldʺ uitlegt als een bedreiging en deze bedreiging verder invult als een bedreiging aangevallen of ontvoerd te worden. De minister heeft het standpunt van eiser dat sprake zou zijn van een bedreiging door zijn voormalig zakenpartner waardoor hij voor zijn leven zou moeten vrezen, terecht niet gevolgd. De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat eiser op geen enkele wijze heeft onderbouwd of aannemelijk heeft gemaakt dat zijn voormalig zakenpartner hem heeft gezocht. De minister heeft daarbij terecht van belang geacht dat eiser bij zijn terugkeer naar Aleppo tussen 12 augustus 2018 en 12 september 2018 naar de Syrische autoriteiten is gegaan voor het aanvragen en verkrijgen van een nieuw paspoort. [11] Dat eiser stelt dat hij onder de radar is gebleven voor zijn voormalig zakenpartner, kan hieraan niet afdoen. Dat de bedreiging te maken heeft met het feit dat de zakenpartner een praktiserend moslim is, is door eiser niet onderbouwd. Dat geldt eveneens voor de stelling van eiser dat zijn voormalig zakenpartner sinds de regimewisseling in Syrië hem nu wel kan bedreigen.
Heeft de minister terecht overwogen dat eiser geen vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag?
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister op goede gronden heeft overwogen dat eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. In dit kader heeft de minister terecht gesteld dat na de val het regime van Assad op 9 december 2024 er in Syrië geen sprake meer is van verplichte militaire dienst of rekrutering. [12] Hij heeft er daarbij terecht op gewezen dat informatie van de EUAA [13] bevestigt dat de dienstplicht is beëindigd door de overgangsregering. [14] De rechtbank volgt de minister in het standpunt dat de vrees van eiser voor de dienstplicht van zijn zoon, naast het feit dat hij was vrijgesteld voor de militaire dienstplicht, niet aannemelijk is. Dat eiser op de zitting heeft gesteld dat de dienstplicht van zijn zoon reden was om Syrië te verlaten, doet hieraan niet af.
Heeft de minister terecht overwogen dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico op ernstige schade loopt?
10. De rechtbank overweegt dat de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats een oordeel heeft gegeven over de gradatie van willekeurig geweld in Syrië. [15] In die uitspraak heeft de rechtbank aan de hand van hetgeen was aangevoerd geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte heeft gekwalificeerd als een 15c-situatie in de laagste gradatie. Het na de uitspraak van de meervoudige kamer verschenen ambtsbericht [16] maakt dit niet anders, nu de minister in het bestreden besluit heeft verwezen naar dat ambtsbericht. De rechtbank verwijst verder naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 19 mei 2026. [17] Daarbij betrekt de rechtbank ambtshalve het COI-rapport van 19 mei 2026 [18] , waaruit weliswaar blijkt dat er een duidelijke geweldspiek was in onder andere Aleppo tijdens het offensief van de overgangsregering in januari 2026, maar dat dit geweld aanzienlijk afnam na het sluiten van het alomvattende akkoord op 30 januari 2026. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 19 juni 2026. [19]

Conclusie en gevolgen

11. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.ECLI:EU:C:2026:447 en ECLI:EU:C:2026:448.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1012.
6.Nader gehoor, p. 11-13 en p. 14-19.
7.Nader gehoor, p. 4 en 8.
8.Nader gehoor, p. 9.
9.Aanmeldgehoor, p. 13.
10.Aanmeldgehoor, p. 2 en 3.
11.Aanmeldgehoor, p. 11.
12.Algemeen ambtsbericht Syrië van 29 mei 2025, p. 33. Zie ook het Algemeen ambtsbericht Syrië van januari 2026, p. 26.
13.European Union Agency for Asylum.
14.Interim Country Guidance: Syria, p. 29-30.
15.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 9 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23466.
16.Algemeen ambtsbericht Syrië van januari 2026.
17.ECLI:NL:RBDHA:2026:12595. Zie ook de uitspraak van zittingsplaats Den Haag van 20 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9954
18.COI-Focus Syrië, De situatie in Noordoost-Syrië (voormalig DAANES-gebied), p. 2.