ECLI:NL:RBDHA:2026:18767

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 juli 2026
Publicatiedatum
8 juli 2026
Zaaknummer
NL26.23925 en NL26.23926
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 30, eerste lid Vreemdelingenwet 2000ECLI:EU:C:2017:127
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-verantwoordelijkheid Kroatië

Eiser, een Turkse nationaliteit dragende vreemdeling, heeft op 7 oktober 2025 in Nederland asiel aangevraagd. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag op grond van de Dublin-verordening.

Eiser voerde aan dat het besluit onvoldoende gemotiveerd is, met name vanwege zijn manisch-psychotische aandoening en de gevolgen van zijn voorlopige hechtenis. Hij stelde dat de overdracht naar Kroatië tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheid zou leiden, en verwees naar het arrest C.K. en een medisch advies van het BMA.

De rechtbank oordeelt dat het BMA-advies van 22 april 2026 voldoende onderbouwd is en dat eiser kan reizen onder bepaalde voorwaarden, waaronder begeleiding door een psychiatrisch verpleegkundige. Er zijn geen nieuwe objectieve medische gegevens die een andere beoordeling rechtvaardigen. De rechtbank concludeert dat de minister het beroep terecht ongegrond heeft verklaard en dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.23925 en NL26.23926
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Latul).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 27 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië ervoor verantwoordelijk is.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep van eiser op 22 juni 2026 op zitting behandeld.
Verschenen is eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1.2.
Eiser heeft een verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.23926) ingediend. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbankWaar gaat deze zaak over?

2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2002. Eiser heeft de Turkse nationaliteit. Op 7 oktober 2025 heeft eiser in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat hij eerder in Kroatië asiel heeft aangevraagd. Kroatië is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. [2]
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser stelt dat de gegeven motivering het besluit niet kan dragen. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat er geen indicaties bestaan dat een overdracht naar Kroatië een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheidstoestand met zich zal brengen. Ten tijde van de zienswijze van 22 januari 2026 kon dit echter ook niet worden onderbouwd nu eisers medische dossier nog niet beschikbaar was. Het BMA-advies van 22 april 2026 is slechts gebaseerd op het patiëntdossier van 22 januari 2026. Eiser is vervolgens vanuit het AZC Dronten overgeplaatst naar het HTL Hoogeveen. Daar heeft hij ongeveer twee en een halve maand in strafrechtelijke voorlopige hechtenis gezeten. Dit heeft wellicht te maken met zijn manisch-psychotische ontregeling. De voorlopige hechtenis is inmiddels geschorst. Verder blijkt uit het feit dat het BMA adviseert om een psychiatrisch verpleegkundige mee te laten reizen met eiser, dat er wel degelijk iets met eiser aan de hand is.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiser op goede gronden niet in behandeling heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.
Arrest C.K.
6. Eiser beroept zich op het arrest C.K. [3] Uit dit arrest volgt dat de overdracht van een vreemdeling achterwege dient te blijven indien de overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand zou leiden. De vreemdeling moet in dat verband objectieve gegevens overleggen die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. [4] Eerst indien eiser deze gegevens heeft overgelegd, dient verweerder het risico op een dergelijke verslechtering van de gezondheidstoestand te laten onderzoeken door het BMA, zo volgt uit de Werkinstructie 2021/3.
6.1.
Op 22 april 2026 heeft het BMA een advies uitgebracht waaruit volgt dat eiser in staat is om te reizen, mits er aan de in het advies genoemde reisvoorwaarden wordt voldaan. Het BMA raadt aan dat tijdens de reis een (psychiatrisch) verpleegkundige meereist, eiser een schriftelijke overdracht van de medische gegevens meeneemt, dat hij, indien hij medicatie voorgeschreven krijgt, hij deze medicatie blijft gebruiken en voldoende medicatie meeneemt om de periode van de reis te overbruggen. Tegen deze achtergrond heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat hij de asielaanvraag van eiser niet in behandeling hoefde te nemen vanwege de medische situatie van eiser. Verweerder heeft zich er voldoende van vergewist dat eiser kan worden overgedragen als aan de vastgestelde reisvoorwaarden wordt voldaan en heeft daarmee de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht aan Kroatië op de gezondheidstoestand van eiser deugdelijk gemotiveerd weggenomen. [5] Eiser heeft verder geen stukken overgelegd waaruit concreet blijkt dat de reisvoorwaarden van het BMA voor hem niet volstaan.
6.2.
Verder overweegt de rechtbank dat het BMA-advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Uit het advies blijkt dat het BMA alle bijzondere medische omstandigheden van eiser kenbaar heeft betrokken. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de juistheid en de volledigheid van het BMA-advies. De stelling dat het BMA ten tijde van het advies niet bekend was met de recente medische toestand van eiser, nu het advies alleen stoelt op de stukken tot en met december 2025, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser heeft immers geen (nieuwe) objectieve gegevens overgelegd die aannemelijk maken dat een verandering of verslechtering is opgetreden die maakt dat de overdracht aan Kroatië alsnog tot een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand zou leiden. Er bestaat dus geen indicatie voor het doen opmaken van een nieuw BMA-onderzoek. Gemachtigde van eiser heeft ter zitting verklaard dat eiser in de afgelopen periode niet is behandeld voor zijn klachten, maar dat dit in de toekomst waarschijnlijk wel zal gebeuren. Deze toekomstige behandeling en de mogelijke medische informatie die hieruit zou kunnen voortvloeien, kan op dit moment echter, mede gelet op het voorgaande, geen aanleiding vormen om het beroep aan te houden in afwachting van nadere medische informatie en een mogelijk nader BMA-advies.
6.3.
Tot slot merkt de rechtbank op dat op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel eiser in Kroatië toegang heeft tot dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden als in Nederland. Ten aanzien van de lopende strafzaak tegen eiser benadrukt de rechtbank dat dit een andere procedure is dan onderhavige en dat het aan verweerder is om met het Openbaar Ministerie in contact te treden over eisers overdracht en de mogelijke gevolgen die dit heeft voor zijn strafzaak.

Conclusie en gevolgen

7. De beroepsgronden slagen niet. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en het besluit van verweerder om de asielaanvraag van eiser niet in behandeling te nemen omdat Kroatië ervoor verantwoordelijk is, in stand blijft.
8. Nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [6] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
9. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54 Algemene Pro wet bestuursrecht.
2.Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.ECLI:EU:C:2017:127.
4.Zie uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2580, r.o. 2.2.
5.Zie de uitspraken van de Afdeling van 15 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:92, en van 8 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2726.
6.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.