ECLI:NL:RBDHA:2026:18849

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
K/4502/12159649
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:653 BWArt. 7:653 lid 1 BWArt. 7:653 lid 3 sub b BWArt. 7:653 lid 5 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Handhaving concurrentiebeding na overstap audicien naar concurrent binnen 10 km

Beter Horen, marktleider in hooroplossingen, vordert in kort geding dat een voormalige werknemer, die na ontslag bij een concurrent binnen 10 kilometer is gaan werken, wordt verboden deze werkzaamheden voort te zetten. De werknemer had een concurrentiebeding van twee jaar en 25 kilometer, dat door Beter Horen was aangepast naar één jaar en 10 kilometer, maar de werknemer trad toch in dienst bij de concurrent binnen die afstand.

De kantonrechter stelt vast dat het concurrentiebeding formeel geldig is en dat de werknemer en concurrent willens en wetens het beding overtreden. Beter Horen heeft aannemelijk gemaakt dat het bedrijfsdebiet wordt bedreigd door het risico op klantverlies vanwege de korte afstand en de vertrouwelijke kennis van de werknemer.

De kantonrechter wijst de vorderingen toe om de werkzaamheden binnen 10 kilometer gedurende één jaar te staken en verbiedt de concurrent gebruik te maken van de werkzaamheden van de werknemer binnen dat gebied. De gevorderde boetes worden afgewezen wegens gebrek aan spoedeisendheid. De tegenvorderingen van werknemer en concurrent tot schorsing van het beding en vergoeding worden eveneens afgewezen. De proceskosten worden aan de zijde van werknemer en concurrent toegewezen.

Uitkomst: Werknemer moet werkzaamheden binnen 10 km van voormalige werkgever één jaar staken; concurrent mag geen gebruik maken van die werkzaamheden; boetes afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
JS/bc
Zaaknummer: 12159649 \ RL EXPL 26-7042
Vonnis in kort geding van 2 juli 2026
in de zaak van
BETER HOREN B.V.,
kantoorhoudende te Utrecht,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Beter Horen,
gemachtigden: mr. B. Willemse en mr. H.W. van Osch,
tegen

1.[partij B sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
2.
[partij B sub 2] B.V.,
gevestigd te [plaats 1] ,
gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie,
hierna te noemen: [partij B sub 1] en [partij B sub 2] ,
gemachtigden: mr. I.H.M. van der Ven en mr. O.A.C.H.M. Spijkers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 10 april 2026 met producties;
- de conclusie van antwoord, teven eis in reconventie, met producties.
1.2.
De mondelinge behandeling, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, heeft plaatsgevonden op 18 juni 2026. Namens Beter Horen zijn [regiomanager] (regiomanager), [HR-partner] (HR-partner), [HR-directeur] (HR-directeur) en [hoofd sales] (hoofd sales) verschenen, bijgestaan door de gemachtigden. [partij B sub 1] is verschenen en namens [partij B sub 2] is [directeur] (directeur) verschenen, beiden bijgestaan door de gemachtigden.

2.De feiten

2.1.
Beter Horen is een landelijke keten, onderdeel van de Amplifon groep en marktleider op het gebied van hooroplossingen in Nederland. Beter Horen heeft in Nederland meer dan 200 winkels en servicepunten.
2.2.
[partij B sub 1] is op 1 augustus 2016 in dienst getreden bij Beter Horen als audicien in opleiding. Per 1 juli 2018 is [partij B sub 1] de functie van audicien gaan vervullen en is de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. [partij B sub 1] is vanaf september 2020 tijdelijk werkzaam geweest als Shop Manager. Sinds april 2025 was [partij B sub 1] weer als audicien werkzaam, bij de Beter Horen vestiging in [plaats 2] . Het laatst verdiende salaris van [partij B sub 1] bedroeg € 3.6914,52 bruto per maand exclusief 8% vakantiegeld, bonussen en commissies op basis van een 40-urige werkweek.
2.3.
[partij B sub 2] is een familiebedrijf, gespecialiseerd in op maat gemaakte hooroplossingen. [partij B sub 2] heeft vestigingen verspreid over Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland.
2.4.
In de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd staat het volgende non-concurrentiebeding:

6.1 Het is werknemer verboden om binnen een tijdvak van 2 jaar na beëindiging van de dienstbetrekking in enigerlei vorm, hetzij direct, hetzij indirect, betrokken of werkzaam te zijn bij een bedrijf gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan dat van werkgever en/of aangesloten ondernemingen.
6.2
Dit concurrentieverbod geldt voor alle regio’s waarbinnen werknemer gedurende de vijf jaar, voorafgaande aan het einde van de dienstbetrekking en voor het gebied, gelegen in een kring met een straal van 25 km met als middelpunt die vestiging(en), waar werknemer gedurende de hierbij vermelde termijn van 5 jaar voor werkgever, respectievelijk zijn rechtsvoorgangers/-opvolgers, werkzaam is geweest.’
2.5.
Artikel 9 van Pro de arbeidsovereenkomst bevat een boetebeding op grond waarvan [partij B sub 1] bij overtreding van het concurrentiebeding een onmiddellijk opeisbare boete verbeurt van € 50.000,-, alsmede een boete van € 1.000,- per dag dat de overtreding voortduurt.
2.6.
Op 22 september 2025 heeft [partij B sub 1] Beter Horen laten weten dat hij Beter Horen gaat verlaten. [partij B sub 1] heeft Beter Horen verzocht om ontheffing van het concurrentiebeding, in die zin dat hij bij de vestiging van [partij B sub 2] in [plaats 3] wilde gaan werken.
2.7.
Bij e-mail van 24 september 2025 heeft Beter Horen aangeboden het concurrentiebeding aan te passen van bovenstaande 2 jaar en 25 kilometer naar 1 jaar en 10 kilometer.
2.8.
[partij B sub 1] heeft op 29 september 2025 zijn arbeidsovereenkomst met Beter Horen met ingang van 1 december 2025 opgezegd. Beter Horen heeft de opzegging bij brief van 2 oktober 2025 bevestigd en gewezen op het aangepaste concurrentiebeding en het boetebeding.
2.9.
Op 15 december 2025 is [partij B sub 1] als audicien in dienst getreden bij [partij B sub 2] . [partij B sub 1] heeft vanaf dat moment steeds in de vestiging in [plaats 3] gewerkt. Zijn salaris bedraagt € 3.912,80 bruto per maand, inclusief vakantiegeld en overige emolumenten, maar exclusief bonussen, op basis van een 32-urige werkweek. Over het eerste kwartaal van 2026 heeft [partij B sub 1] € 5.819,61 bruto aan bonus ontvangen.
2.10.
Bij aangetekende brief van 23 december 2025 heeft Beter Horen [partij B sub 1] gesommeerd zijn werkzaamheden bij [partij B sub 2] [plaats 3] te staken en heeft zij de contractuele boetes aangezegd. Nadere gesprekken en correspondentie tussen de CEO’s en (de gemachtigden van) partijen, waaronder het voorstel van [partij B sub 2] om de kwestie via een artikel 96 Rv Pro procedure aan de kantonrechter voor te leggen, hebben niet tot een oplossing geleid.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
Beter Horen vordert - samengevat en na intrekking van een deel van de vorderingen op de mondelinge behandeling - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
1. [partij B sub 1] te veroordelen tot onmiddellijke staking van zijn werkzaamheden voor [partij B sub 2] binnen een straal van 10 kilometer vanaf de Beter Horen vestiging in [plaats 2] gedurende een periode van 1 jaar te rekenen vanaf de datum van het vonnis, op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 500,- per dag dat de overtreding voortduurt;
2. [partij B sub 2] te verbieden gebruik te maken direct of indirect van de werkzaamheden van [partij B sub 1] bij de vestiging van [partij B sub 2] in [plaats 3] en alle overige vestigingen die gelegen zijn binnen een straal van 10 kilometer vanaf de Beter Horen vestiging in [plaats 2] , op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 500,- per dag of gedeelte van een dag dat de overtreding voortduurt;
3. [partij B sub 1] te veroordelen bij wijze van voorschot tot betaling aan Beter Horen van een bedrag aan boetes ter hoogte van € 99.000,-, dan wel een door de kantonrechter te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente;
4. [partij B sub 1] en [partij B sub 2] (hoofdelijk) te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente en nakosten.
3.2.
Beter Horen legt samengevat aan haar vorderingen ten grondslag dat met [partij B sub 1] rechtsgeldig een concurrentiebeding is overeengekomen, welk concurrentiebeding [partij B sub 1] overtreedt door in dienst te treden bij de vestiging van [partij B sub 2] in [plaats 3] . Beter Horen heeft [partij B sub 1] tegemoet willen komen door het concurrentiebeding in duur te beperken tot één jaar (in plaats van twee) en de straal van 25 kilometer te beperken tot 10 kilometer, maar [partij B sub 1] (en [partij B sub 2] ) zijn niet op dat voorstel ingegaan. Volgens Beter Horen handelt [partij B sub 2] jegens haar onrechtmatig omdat [partij B sub 2] profiteert van de overtreding van het concurrentiebeding door [partij B sub 1] . [partij B sub 2] is verzocht om [partij B sub 1] elders in haar organisatie, buiten de straal van 10 kilometer te plaatsen, maar daaraan heeft [partij B sub 2] niet willen meewerken. Door overtreding van het concurrentiebeding wordt afbreuk gedaan aan duurzaam bedrijfsdebiet van Beter Horen en is [partij B sub 1] boetes verschuldigd. De casus van [partij B sub 1] staat bovendien niet op zichzelf. [partij B sub 2] benadert gericht werknemers van Beter Horen om bij haar in dienst te treden.
3.3.
[partij B sub 1] en [partij B sub 2] voeren verweer. Primair concluderen zij tot afwijzing van alle vorderingen van Beter Horen. [partij B sub 1] en [partij B sub 2] stellen zich daarbij op het standpunt dat een concurrentiebeding in de audiciensbranche (ongeacht de belangen van de werknemer) in beginsel geen stand kan houden nu niet aannemelijk is dat de overstap van een audicien in een uitvoerende functie leidt tot aantasting van het bedrijfsdebiet. Subsidiair stellen [partij B sub 1] en [partij B sub 2] dat een belangenafweging in het kader van 7:653 lid 3 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) in het voordeel van [partij B sub 1] moet uitvallen, omdat Beter Horen geen zwaarwegend en concreet bedrijfsbelang heeft, waartegenover aanzienlijke persoonlijke en financiële belangen van [partij B sub 1] staan. Subsidiair verzoeken zij de door Beter Horen opgelegde boetes te matigen tot nihil, althans een bedrag/percentage in goede justitie te bepalen. De door Beter Horen gevorderde boetes zijn evident buitensporig en staan in geen enkele verhouding tot het salaris en de financiële draagkracht van [partij B sub 1] . Tot slot vragen [partij B sub 1] en [partij B sub 2] Beter Horen in de kosten te veroordelen.
in reconventie
3.4.
[partij B sub 1] en [partij B sub 2] vorderen - samengevat -:
primair: gedeeltelijke schorsing van het concurrentiebeding van [partij B sub 1] door dit te beperken tot de gemeentegrenzen van [plaats 2] , althans een zodanige maatregel te treffen die [partij B sub 1] in staat stelt zijn werkzaamheden bij [partij B sub 2] in [plaats 3] voort te zetten;
subsidiair: te bepalen dat Beter Horen gehouden is aan [partij B sub 1] voor de duur van het concurrentiebeding maandelijks een vergoeding te voldoen van € 3.685,48 bruto, althans een bedrag dat de kantonrechter gerechtvaardigd acht, teneinde in zijn levensonderhoud te voorzien, nu hij in dat geval voor de duur van zijn concurrentiebeding ernstig wordt belemmerd in zijn arbeidsmogelijkheden;
en primair en subsidiair: Beter Horen te veroordelen in de kosten van het geding, alsmede in de nakosten te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf veertien dagen na de uitspraak.
3.5.
[partij B sub 2] betwist dat zij onrechtmatig handelt door [partij B sub 1] in dienst te nemen in haar vestiging in [plaats 3] . Volgens [partij B sub 1] en [partij B sub 2] ontbreekt een toereikende rechtvaardiging voor het concurrentiebeding, omdat een concurrentiebeding in de audiciensbranche (ongeacht de belangen van de werknemer) in beginsel geen stand kan houden nu het niet aannemelijk is dat de overstap van een audicien in een uitvoerende functie leidt tot aantasting van het bedrijfsdebiet. Als wordt geoordeeld dat er wel sprake is van aantasting van het bedrijfsdebiet door de indiensttreding van [partij B sub 1] bij [partij B sub 2] , stelt [partij B sub 1] zich op het standpunt dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen. [partij B sub 1] geniet bij [partij B sub 2] aanzienlijk betere arbeidsvoorwaarden. Zijn all-in salaris ligt minimaal € 2.000,00 bruto per maand hoger. Daarnaast biedt [partij B sub 2] hem een betere werk-privébalans en past de werkwijze van [partij B sub 2] beter bij zijn professionele overtuiging.
3.6.
Beter Horen heeft verweer gevoerd. Beter Horen concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [partij B sub 1] en [partij B sub 2] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij B sub 1] en [partij B sub 2] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij B sub 1] en [partij B sub 2] in de kosten van deze procedure. Zij heeft samengevat aangevoerd dat [partij B sub 1] haar bedrijfsdebiet schaadt door indiensttreding bij [partij B sub 2] [plaats 3] . Door de korte afstand tussen de werklocaties van Beter Horen [plaats 2] en [partij B sub 2] [plaats 3] is de kans aanzienlijk dat de klanten al dan niet na actieve benadering zullen overstappen. Als audicien beschikt [partij B sub 1] over directe en relevante kennis van klanten die in handen van [partij B sub 2] een concurrentievoordeel opleveren. Naast de klantgegevens bestaat het bedrijfsdebiet van Beter Horen ook uit de kennis van de markt, de werkwijzen en diensten en achterliggende commerciële informatie.
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt voorop dat op 24 februari 2026 door de kantonrechter in Amsterdam een vonnis in kort geding is gewezen (ECLI:NL:RBAMS:2026:2159) in een procedure tussen Beter Horen en een ex-werknemer die in dienst is getreden van [partij B sub 2] bij een vestiging in Amsterdam. Die zaak vertoont opvallend veel gelijkenissen met de zaak die hier voorligt. Omdat de kantonrechter zich vrijwel volledig kan vinden in het oordeel van de kantonrechter in Amsterdam, zal dat oordeel hierna grotendeels en veelal zelfs integraal worden overgenomen.
4.2.
In deze procedure vraagt Beter Horen niet om nakoming van het concurrentiebeding zoals vastgelegd in de arbeidsovereenkomst uit 2016 (met een geografisch bereik van 25 kilometer en een duur van twee jaar), zij vraagt (naast andere vorderingen) dat [partij B sub 1] zijn werkzaamheden voor [partij B sub 2] binnen een straal van 10 kilometer vanaf de Beter Horen vestiging in [plaats 2] gedurende één jaar staakt. In reconventie vragen [partij B sub 1] en [partij B sub 2] samengevat om schorsing van het concurrentiebeding. De vorderingen in conventie en in reconventie zullen gelet op de samenhang gezamenlijk worden besproken.
4.3.
Ter beoordeling ligt onder meer voor of de kantonrechter het voorshands voldoende aannemelijk acht dat de bodemrechter het door Beter Horen gevorderde zal afwijzen, omdat [partij B sub 1] in verhouding tot het te beschermen belang van Beter Horen, bij toewijzing van het door Beter Horen gevorderde onbillijk wordt benadeeld.
4.4.
Vorderingen in kort geding kunnen alleen worden toegewezen als partijen daarbij een spoedeisend belang hebben. Het spoedeisend belang moet voor ieder afzonderlijk gedeelte van de vordering worden gesteld en bij betwisting aannemelijk worden gemaakt. Gelet op de aard van deze vorderingen is de spoedeisendheid gegeven, met uitzondering van de sub 3 door Beter Horen gevorderde boetes, waarop hieronder wordt teruggekomen.
4.5.
Verder is voor toewijzing van vorderingen in kort geding vereist dat de feiten en omstandigheden die aan de vorderingen ten grondslag zijn gelegd, voldoende aannemelijk zijn. Ook moet in voldoende mate waarschijnlijk zijn dat de vorderingen in een nog te voeren bodemprocedure zullen worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in een kort geding geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele gewone procedure. De beoordeling in dit kort geding is dus slechts een voorlopig oordeel over het geschil. Zoals ter zitting al door de kantonrechter is aangegeven betekent dat dat er geen plaats is voor een volledige analyse van de voorgelegde stukken in het kader van de goodwill, de (functie van) audicien en het zogenoemde toeloopgebied of afzetgebied van een audicienswinkel; de kantonrechter zal in deze procedure beoordelen of de stellingen aannemelijk zijn gemaakt.
4.6.
Vast staat dat het concurrentiebeding voldoet aan de formele vereisten van artikel 7:653 lid 1 BW Pro. Het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is schriftelijk aangegaan en [partij B sub 1] was bij het aangaan van het beding meerderjarig. In beginsel is [partij B sub 1] dus aan het beding gebonden. Vast staat ook dat [partij B sub 2] een concurrent is van Beter Horen en dat de vestiging van [partij B sub 2] in [plaats 3] binnen de geografische reikwijdte van het (aangepaste) concurrentiebeding valt en ook binnen de grenzen van het door Beter Horen sub 1 en 2 gevorderde. [partij B sub 1] heeft dus gehandeld in strijd met het concurrentiebeding door, aansluitend aan zijn arbeidsovereenkomst bij Beter Horen [plaats 2] , per 15 december 2025 bij [partij B sub 2] [plaats 3] in dienst te treden. [partij B sub 1] heeft dat willens en wetens gedaan en doet dat nog steeds. Beter Horen heeft namelijk zowel [partij B sub 1] als [partij B sub 2] meerdere keren uitdrukkelijk op het concurrentiebeding gewezen. Zij heeft [partij B sub 1] en [partij B sub 2] alternatieven aan de hand gedaan, maar daarvan hebben [partij B sub 1] noch [partij B sub 2] willen weten.
4.7.
[partij B sub 2] en [partij B sub 1] voeren als meest verstrekkende verweer dat [partij B sub 1] niet aan het concurrentiebeding is gebonden omdat een toereikende rechtvaardiging voor het concurrentiebeding ontbreekt. Het is de stellige overtuiging van [partij B sub 2] dat een concurrentiebeding in de audiciensbranche (ongeacht de belangen van de werknemer) in beginsel geen stand kan houden, nu het niet aannemelijk is dat de overstap van een audicien in een uitvoerende functie leidt tot aantasting van het bedrijfsdebiet. [partij B sub 2] heeft ter onderbouwing van haar standpunt mede verwezen naar het Wetsvoorstel modernisering concurrentiebeding.
4.8.
Ten aanzien van het Wetsvoorstel modernisering concurrentiebeding wordt overwogen dat dit wetsvoorstel zich nog in de voorbereidende fase bevindt, zodat daarop in deze voorlopige voorziening niet wordt vooruitgelopen. Voor zover [partij B sub 2] van de kantonrechter een algemene uitspraak wil over de geldigheid van concurrentiebedingen in de audiciensbranche wordt overwogen dat een voorlopige voorziening als de onderhavige daarvoor niet geschikt is. Wel is de kantonrechter het met [partij B sub 2] eens dat een concurrentiebeding een werknemer beperkt in zijn recht op vrije arbeidskeuze en dat een concurrentiebeding niet is bedoeld om werknemers te binden. Aan een concurrentiebeding komt slechts betekenis toe voor zover het strekt ter bescherming van het bedrijfsdebiet van de werkgever.
4.9.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Beter Horen voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een voldoende zwaarwegend belang heeft bij toewijzing van het sub 1 en 2 in conventie gevorderde, omdat dit nodig is om haar bedrijfsdebiet te beschermen. Ter toelichting dient het volgende. Het is een gegeven dat de markt waarin partijen opereren zeer competitief is. De kantonrechter vindt dat voldoende aannemelijk is geworden dat voor klanten de persoon van de audicien ertoe doet en dat klanten (met name ouderen) door een vertrouwd gezicht geholpen willen worden. Dat blijkt niet alleen uit de antwoorden van een door Beter Horen afgenomen vragenlijst onder haar klanten en uit verklaringen van regiomanagers van Beter Horen; deze stelling vindt ook steun in de omstandigheid dat op de website van [partij B sub 2] de audiciens met hun volledige naam per vestiging staan vermeld.
4.10.
Verder is voldoende aannemelijk geworden dat de functie van audicien meer inhoudt dan alleen het adviseren over en verkopen van hooroplossingen. Niet betwist is dat de audicien de fysieke ongemakken, de medische achtergrond, de voorkeuren en voortgang van de client en de geboden oplossing aan een klant kent. Ook kan de audicien verwijzen naar een KNO-arts. Klanten kopen weliswaar ‘maar’ één keer in de vijf jaar een hoortoestel, maar in de tussentijd is er klantencontact over reparaties en service gerelateerde vragen.
4.11.
Beter Horen heeft hiermee in het kader van deze voorlopige voorziening voldoende aannemelijk gemaakt dat zij het risico loopt dat zij klanten verliest door de korte afstand (6,25 kilometer) tussen de locaties van Beter Horen in [plaats 2] en die van [partij B sub 2] in [plaats 3] . Voldoende aannemelijk is geworden dat het risico bestaat dat [partij B sub 1] met vertrouwelijke kennis van klanten en producten die hij bij Beter Horen [plaats 2] heeft opgedaan, klanten van Beter Horen [plaats 2] kan (doen) bewegen naar [partij B sub 2] [plaats 3] over te stappen. Het enkele feit dat er tot op heden geen enkele klant vanuit [plaats 2] is overgestapt - voor zover dat juist zou zijn - bewijst niet dat deze mogelijkheid niet kan worden benut. Verder is voldoende aannemelijk geworden dat hij deze kennis van klanten ten behoeve van [partij B sub 2] [plaats 3] kan aanwenden om [partij B sub 2] [plaats 3] daarmee een concurrentievoordeel te geven dat zij zonder [partij B sub 1] niet zou hebben gehad. Het beperken van het concurrentiebeding tot de gemeentegrens van [plaats 2] zou dit probleem naar het oordeel van de kantonrechter niet oplossen, gelet op het bovenstaande en de beperkte afstand tussen [plaats 2] en [plaats 3] . Hoewel ook een afstand van 10 kilometer voor discussie vatbaar is, acht de kantonrechter dat gelet op de door Beter Horen overgelegde stukken een aannemelijke ‘grens’ waarop mensen een audicien wel of niet volgen. Ten overvloede overweegt de kantonrechter nog dat hij voorbij gaat aan het argument van [partij B sub 2] dat mensen niet van [plaats 2] naar [plaats 3] zullen gaan omdat het te ver lopen is. Dat is de kantonrechter op zich met [partij B sub 2] eens, alleen gaat de kantonrechter er vanuit dat mensen zich op een andere wijze van [plaats 2] naar [plaats 3] zullen verplaatsen, zoals bijvoorbeeld met de auto. Dan is de reistijd ongeveer een kwartier.
De aantasting van het bedrijfsdebiet van Beter Horen is dan ook een gegeven.
4.12.
Anders dan [partij B sub 1] is de kantonrechter van oordeel dat [partij B sub 1] bij toewijzing van het sub 1 in conventie gevorderde niet onbillijk wordt benadeeld. In dat geval kan [partij B sub 1] immers wel als audicien bij [partij B sub 2] werken, alleen niet binnen een straal van 10 kilometer vanaf de Beter Horen vestiging in [plaats 2] gedurende een periode van één jaar. [partij B sub 1] heeft aangevoerd dat zijn thuissituatie extra reistijd niet toelaat. [partij B sub 1] heeft toegelicht dat hij drie dagen per week zijn kinderen naar de opvang moet brengen voorafgaand aan het werk. Voor zover dit al is te benoemen als een uitzonderlijke privésituatie, het merendeel van de werkende ouders heeft immers hetzelfde ‘probleem’, duidelijk is dat er in het derde kwartaal van 2026 een [partij B sub 2] vestiging opent in Lisse. De extra reisafstand ten opzichte van de vestiging in [plaats 3] zou voor [partij B sub 1] verwaarloosbaar zijn. Bij toewijzing van het gevorderde sub 1 in conventie wordt aan het merendeel van de door [partij B sub 1] aangevoerde belangen tegemoetgekomen. Hij behoudt de door hem gestelde betere arbeidsvoorwaarden van [partij B sub 2] , de door hem gestelde (maar niet nader onderbouwde) betere werk-privébalans en de werkwijze van [partij B sub 2] waarvan [partij B sub 1] heeft gesteld dat deze beter past bij zijn professionele overtuiging. Los daarvan gaat de kantonrechter ervanuit dat [partij B sub 1] vanuit zijn woonplaats bij een heleboel ander audiciens aan de slag zou kunnen die niet binnen een straal van 10 kilometer vanaf de Beter Horen vestiging in [plaats 2] vallen. [partij B sub 1] heeft zelf besloten bij [partij B sub 2] (in [plaats 3] ) aan de slag te willen, maar had ook een andere keuze kunnen maken.
4.13.
Er bestaat geen aanleiding om de duur van het door Beter Horen gevorderde verbod te beperken. Beter Horen heeft het beding al ingeperkt, zowel qua tijdsduur van twee jaar naar één jaar als qua geografische reikwijdte van 25 kilometer naar 10 kilometer. Daarbij speelt mede een rol dat [partij B sub 1] (samen met [partij B sub 2] ) willens en wetens in strijd met het concurrentiebeding heeft gehandeld en inmiddels meer dan zes maanden werkzaam is bij [partij B sub 2] [plaats 3] , en dat ook is blijven doen na de uitspraak van de kantonrechter in Amsterdam. Die uitspraak heeft weliswaar geen rechtstreeks effect op deze situatie, maar daaruit hadden [partij B sub 1] en [partij B sub 2] wel degelijk kunnen afleiden dat de situatie wel eens niet door de beugel zou kunnen, voor zover zij dat niet al vermoedden.
4.14.
De conclusie is dat het onder 1 gevorderde gebod en het onder 2 gevorderde verbod zal worden toegewezen, in die zin dat [partij B sub 1] wordt veroordeeld zijn werkzaamheden voor [partij B sub 2] binnen een straal van 10 kilometer vanaf de Beter Horen vestiging in [plaats 2] gedurende een periode van één jaar te rekenen vanaf de datum van het vonnis met onmiddellijke ingang te staken en het [partij B sub 2] zal worden verboden met onmiddellijke ingang gebruik te maken direct of indirect van de werkzaamheden van [partij B sub 1] bij de vestiging van [partij B sub 2] in [plaats 3] en alle overige vestigingen die gelegen zijn binnen een straal van 10 kilometer vanaf de Beter Horen vestiging in [plaats 2] .De tegenvorderingen van [partij B sub 1] om het concurrentiebeding (geheel dan wel gedeeltelijk) te schorsen, zullen worden afgewezen.
4.15.
De vordering van [partij B sub 1] om Beter Horen op grond van artikel 7:653 lid 5 BW Pro te veroordelen voor de duur van het concurrentiebeding een vergoeding aan [partij B sub 1] te betalen, zal worden afgewezen. Zoals hiervoor is overwogen, is niet aannemelijk dat de toe te wijzen vordering sub 1 in conventie [partij B sub 1] in belangrijke mate belemmert om als audicien werkzaam te zijn.
4.16.
Gelet op de eerdere gedragingen van [partij B sub 1] en [partij B sub 2] (het willens en wetens in strijd handelen met het concurrentiebeding) zal de kantonrechter aan het verbod sub 1 in conventie en het gebod sub 2 in conventie een dwangsom verbinden van € 500,- voor elke dag dat de overtreding blijft voortduren. De kantonrechter zal de dwangsom op grond van artikel 611b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering maximeren op een bedrag van € 50.000,00.
4.17.
De door Beter Horen gevorderde contractuele boete van € 99.000,- zal worden afgewezen. Bij een vordering tot betaling van een geldsom in kort geding is terughoudendheid op zijn plaats en er moeten bovendien voldoende feiten en omstandigheden worden aangevoerd die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed geboden is. Beter Horen heeft dergelijke feiten en omstandigheden niet gesteld. Dat zij wil voorkomen dat [partij B sub 1] het overeengekomen beding overtreedt en [partij B sub 2] daarvan misbruik maakt, is daarvoor – mede met het oog op dwangsom die aan de veroordelingen wordt verbonden – niet voldoende.
4.18.
[partij B sub 1] en [partij B sub 2] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Beter Horen worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
129,54
- griffierecht
139,00
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.205,54
4.19.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. De proceskosten van Beter Horen in reconventie worden gelet op de samenhang met de conventie begroot op nihil.
4.20.
De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dit betekent dat [partij B sub 1] en [partij B sub 2] beiden kunnen worden gedwongen om het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer aan Beter Horen te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [partij B sub 1] zijn werkzaamheden voor [partij B sub 2] binnen een straal van 10 kilometer vanaf de Beter Horen vestiging in [plaats 2] gedurende een periode van één jaar te rekenen vanaf de datum van het vonnis met onmiddellijke ingang te staken, op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 500,- per dag dat de overtreding voortduurt met een maximum van € 50.000,-;
5.2.
verbiedt [partij B sub 2] met onmiddellijke ingang gebruik te maken direct of indirect van de werkzaamheden van [partij B sub 1] bij de vestiging van [partij B sub 2] in [plaats 3] en alle overige vestigingen die gelegen zijn binnen een straal van 10 kilometer vanaf de Beter Horen vestiging in [plaats 2] , op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 500,- per dag of gedeelte van een dag dat de overtreding voortduurt met een maximum van € 50.000,-;
5.3.
veroordeelt [partij B sub 1] en [partij B sub 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.205,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij B sub 1] en [partij B sub 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend;
5.4.
veroordeelt [partij B sub 1] en [partij B sub 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af;
in reconventie
5.7.
wijst de vorderingen van [partij B sub 1] en [partij B sub 2] af;
5.8.
veroordeelt [partij B sub 1] en [partij B sub 2] in de proceskosten, aan de zijde van Beter Horen begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Sluymer en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.