ECLI:NL:RBDHA:2026:18864

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 juli 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
NL26.10024
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 3 EVRMArt. 4 Handvest EUArt. 17 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering asielaanvraag wegens onzorgvuldige beoordeling overdracht Polen

Eiseres, van Sri Lankaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister weigerde deze aanvraag in behandeling te nemen omdat Polen verantwoordelijk zou zijn voor de asielprocedure op grond van de Dublinverordening. Eiseres voerde aan dat zij vanwege haar kwetsbare positie en mentale gezondheid niet veilig naar Polen kon worden overgedragen.

De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende rekening had gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiseres, zoals vereist op grond van het arrest C.K. De minister had zich beperkt tot een algemene beoordeling van het Poolse asiel- en zorgsysteem en had onvoldoende gemotiveerd waarom overdracht aan Polen geen onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand van eiseres zou veroorzaken.

Medische adviezen toonden aan dat eiseres ernstige psychische klachten heeft en begeleiding nodig heeft bij overdracht. De minister had dit onvoldoende betrokken bij zijn besluit. De rechtbank stelde vast dat het besluit onzorgvuldig was voorbereid en onvoldoende was gemotiveerd, waardoor het besluit werd vernietigd. Eiseres kreeg tevens een proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onzorgvuldige en onvoldoende gemotiveerde beoordeling van de overdracht aan Polen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10024

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres

gemachtigde: mr. E. Derksen,
en

de minister van Asiel en Migratie,

gemachtigde: mr. K. Jansen.

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiseres stelt van Sri Lankaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2005. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 23 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Polen verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek, geregistreerd onder nummer NL26.10025, op 25 maart 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting heeft de minister verzocht om aanhouding van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in verband met de op de dag van de zitting overgelegde medische stukken. Eiseres kon zich in dit verzoek vinden, maar heeft de rechtbank niettemin gevraagd al een uitspraak te doen over één van de door haar aangevoerde gronden, waarna het onderzoek is gesloten. De rechtbank heeft vervolgens bij tussenuitspraak van 27 maart 2026 het onderzoek heropend, uitspraak gedaan over de bewuste grond, en de minister in de gelegenheid gesteld om na ontvangst van aanvullende medische informatie daar op te reageren tegen het licht van de overige aangevoerde beroepsgronden. De minister heeft daarop een BMA-advies gevraagd, welk advies 4 mei 2026 is verkregen. Op 13 mei 2026 heeft gemachtigde van eiseres het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken. Gebeurtenissen nadien hebben ertoe geleid dat een aanvullend BMA-advies is opgevraagd in verband waarmee de geplande zitting van 18 mei 2026 niet is doorgegaan. Dit nader advies is opgesteld op 21 mei 2026, waarna partijen nog diverse standpunten en stukken hebben gewisseld.
1.4
De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft, nu partijen, desgevraagd, niet hebben aangegeven gebruik te willen maken van hun recht op een nadere zitting te worden gehoord. Gemachtigde van eiseres heeft gevraagd op zowel het beroep als het verzoek om een voorlopige voorziening, geregistreerd onder nummer NL26.37120, een uitspraak te doen voor de geplande overdracht op 9 juli 2026. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten en de zaak is niet behandeld op een zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit
2. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Polen een verzoek om terugname gedaan. Polen heeft dit verzoek aanvaard.
Is overdracht van eiseres in strijd met de internationale verplichtingen?
Wat is het standpunt van eiseres?
3. Eiseres stelt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat in haar geval geen sprake is van een bijzondere, individuele situatie die aan overdracht aan Polen in de weg staat. Eiseres is op grond van haar eigen ervaringen van mening dat sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure voor kwetsbare, jonge, alleenstaande vrouwen in Polen. Bij overdracht aan Polen loopt zij een reëel risico op een met artikel 3 van Pro het EVRM [2] en artikel 4 van Pro het Handvest [3] strijdige behandeling.
Uit het bestreden besluit blijkt niet dat de minister zich, naar aanleiding van de door eiseres afgelegde verklaringen, aan de hand van actuele en kenbare landeninformatie heeft
vergewist van de positie van kwetsbare, jonge, alleenstaande vrouwen in Polen. In het bestreden besluit wordt uitsluitend ingegaan op de medische zorg in Polen, terwijl de verklaringen van eiseres betrekking hebben op meerdere aspecten van haar kwetsbare positie.
3.1
Eiseres stelt daarnaast dat de minister miskent dat, gelet op het arrest C.K. [4] een zelfstandige en individuele beoordeling dient plaats te vinden van de vraag of overdracht, in het licht van de persoonlijke omstandigheden van eiseres, zal leiden tot een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van haar gezondheidstoestand of tot een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest. De minister heeft volstaan met een verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en een algemene beoordeling van het Poolse asiel- en zorgsysteem. Daarmee is geen concrete, op eiseres toegespitste toets verricht. Een overdracht aan Polen zou eiseres blootstellen aan hernieuwde traumatisering, ernstige psychische ontregeling en een reëel risico op lichamelijke schade met onomkeerbare gevolgen. Daarmee zou haar menselijke waardigheid worden aangetast, hetgeen onverenigbaar is met artikel 3 EVRM Pro zoals uitgelegd in C.K. e.a. tegen Slovenië.
3.2.
Tot slot betoogt eiseres dat in haar geval sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan de minister haar asielaanvraag in behandeling dient te nemen als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
Wat is het standpunt van de minister?
4. De minister stelt voorop dat hij mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
4.1
Daarnaast stelt de minister, onder verwijzing naar de BMA-rapportages van 4 en 21 mei 2026, dat er zijn geen belemmeringen zijn geconstateerd om eiseres over te dragen aan Polen. Aan het BMA-advies om eiseres te laten vergezellen door een psychiatrisch verpleegkundige wordt gehoor gegeven en van een ernstige en onomkeerbare achteruitgang in de gezondheid van eiseres bij terugkeer naar Polen is niet gebleken.
4.2
In reactie op het beroep van eiseres op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening wijst de minister erop dat hem niet van bijzondere individuele omstandigheden is gebleken waardoor de minister de procedure van eiseres aan zich moet houden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat de minister mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen ( het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit uitgangspunt bij uitspraak van 4 september 2024 [5] bevestigd. De Afdeling heeft dit oordeel recent nog herhaald, bijvoorbeeld in de uitspraken van 15 april 2025 en 14 augustus 2025. [6]
5.1
Het voorgaande betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Polen zijn internationale verplichtingen tegenover eiseres zal nakomen en dat de behandeling van eiseres in Polen niet in strijd zal zijn met artikel 4 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest) en artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiseres om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Polen, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Poolse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan zij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Polen overleggen of verklaringen afleggen over eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Polen. Van een schending van artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM zal, in geval eiseres aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 maart 2019) [7] .
5.2
Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Polen systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. In de (eerdergenoemde) uitspraak van 4 september 2024 heeft de Afdeling geoordeeld dat uit de beschikbare informatie niet blijkt dat asielzoekers die in het kader van de Dublinverordening worden overgedragen, het risico lopen om in Polen slachtoffer te worden van pushbacks. De rechtbank ziet geen aanleiding hier anders over te oordelen.
5.3
Eiseres heeft ook niet met verklaringen over wat zij persoonlijk heeft meegemaakt in Polen aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Polen, als gevolg van het niet nakomen van de internationale verplichtingen door de Poolse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest strijdige behandeling. De Poolse autoriteiten hebben met het claimakkoord gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiseres in behandeling zullen nemen, in overeenstemming met de verdragsverplichtingen. Indien eiseres zich na overdracht aan Polen geconfronteerd zou zien met nieuwe problemen, geldt dat zij zich hierover dient te beklagen bij de Poolse (desnoods hogere of rechterlijke) autoriteiten (vgl. het arrest van het EHRM van 2 december 2008, in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk) [8] . Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Poolse autoriteiten haar niet willen of kunnen helpen of dat klagen voor Dublinclaimanten in Polen onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
5.4
Voor wat betreft de medische voorzieningen waar eiseres, gelet op haar situatie naar verwachting gebruik van dient te maken, geldt evenzeer dat de minister zich in beginsel op het standpunt mag stellen dat ervan uitgegaan mag worden dat deze voorzieningen in Polen vergelijkbaar zijn aan die van Nederland, dat Polen in staat moet worden geacht om de medische klachten van eiseres te kunnen behandelen en dat eiseres na aankomst in Polen toegang zal hebben tot de benodigde zorg. Door eiseres in niet aannemelijk gemaakt dat dit in het geval van eiseres niet geldt.
5.5
Uit het arrest C.K. van het Hof van Justitie [9] volgt echter dat sprake kan zijn van behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het Handvest wanneer de overdracht van een Dublinasielzoeker met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening leidt tot een reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van diens gezondheidstoestand, zelfs indien niet ernstig gevreesd moet worden voor systeemfouten in de verantwoordelijke lidstaat. Uit dit arrest volgt verder dat wanneer een asielzoeker objectieve gegevens overlegt, zoals medische attesten met betrekking tot zijn toestand, die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen, de autoriteiten van de betrokken lidstaat, de rechterlijke instanties daaronder begrepen, die gegevens bijgevolg niet buiten beschouwing mogen laten. Het is aan de rechterlijke instantie om in zo’n geval te oordelen over de rechtmatigheid van een overdrachtsbesluit, aangezien de tenuitvoerlegging van dat besluit tot een onmenselijke of vernederende behandeling van de betrokkene zou kunnen leiden. Het is, indien dit het geval zou kunnen zijn, aan de autoriteiten van de lidstaat om iedere ernstige twijfel over de weerslag van de overdracht op de gezondheidstoestand van de betrokkene weg te nemen. In het bijzonder wanneer er sprake is van een ernstige psychische aandoening, mag daarbij niet worden volstaan met te kijken naar de gevolgen van het fysieke vervoer van de betrokkene van een lidstaat naar een andere, maar moet rekening worden gehouden met alle aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen die uit de overdracht zouden voortvloeien. De autoriteiten moeten in dat verband nagaan of de gezondheidstoestand van de betrokken persoon passend en voldoende kan worden beschermd door voorzorgsmaatregelen te treffen.
5.6
De rechtbank stelt, het vorenstaande in ogenschouw nemende, vast dat de volgende medische documenten deel uitmaken van het dossier:
  • Melding calamiteiten 23 november 2025;
  • Patiëntendossiers 24 maart 2026 en 13 mei 2026;
  • Aanvullend medisch dossier 13 mei 2026;
  • BMA-advies 4 mei 2026 en 21 mei 2026;
  • Samenvatting arts Justitieel Complex Zeist 6 juli 2026.
5.7
Uit deze stukken blijkt wat de rechtbank betreft een zorgelijk beeld als het gaat om de mentale toestand van eiseres. Haar medisch dossier maakt melding van een suïcide poging in 2023/2024 in Sri Lanka naar aanleiding van traumatische ervaringen aldaar. Eiseres is daarop bevraagd en verschillende keren is opgetekend dat de suïcidale gedachten waren geweken. De suïcidekans werd op 27 februari 2026 nog als matig ingeschat. Op 2 maart 2026 echter maakt het medisch dossier melding van een suïcide poging met medicatie, welke poging in verband zou staan met het bericht dat eiseres terug zou moeten naar Polen. Deze informatie is op 25 maart 2026 door eiseres aan de rechtbank en de minister beschikbaar gesteld en was onder meer redengevend voor het alsnog aanvragen van een BMA-advies door de minister. De minister zag daartoe eerder geen aanleiding.
5.8
Uit dit BMA-advies dat is gedateerd op 4 mei 2026 volgt dat eiseres last heeft van depressieve gevoelens, nachtmerries, slaapproblemen en piekeren. Eiseres staat onder behandeling bij de POH-GGZ. Deze behandeling bestaat uit het voeren van therapeutische gesprekken. Uit het dossier blijkt volgens de arts niet dat er medicatie was voorgeschreven. Een formele diagnose was niet gesteld en van concrete suïcide pogingen is de arts evenmin gebleken. Er waren geen aanwijzingen dat enige medische voorziening noodzakelijk was. Volgens de arts van BMA kon eiseres reizen. Er werd wel aanbevolen om een schriftelijke overdracht van haar medische gegevens mee te geven (zoals bijvoorbeeld een ingevuld Europees Medisch Paspoort) en mocht eiseres medicatie voorgeschreven krijgen, deze voor de reis te continueren en voldoende mee te geven om de periode van de reis te overbruggen.
5.9
Eiseres zou daarop omstreeks 11 mei 226 een nieuwe suïcidepoging hebben ondernomen. Dat was aanleiding voor de minister om een aanvullend BMA-advies op te vragen. Uit dit korte aanvullende BMA-advies van 21 mei 2026 blijkt dat begeleiding door een (psychiatrische) verpleegkundige gedurende de reis volgens de arts noodzakelijk is. De arts van het BMA stelt vast dat er op basis van de aanvullende gegevens geen sprake is geweest van een daadwerkelijke suïcidepoging maar eerder van een mogelijk voornemen daartoe. De minister heeft zich daarop op het standpunt gesteld dat uit deze informatie nadrukkelijk niet blijkt van serieuze aanwijzingen dat overdracht van eiseres aan Polen (mogelijk) zal leiden tot een ernstige en onomkeerbare achteruitgang in de gezondheid van eiseres. Het beroep van eiseres dient daarom ongegrond te worden verklaard.
5.1
De rechtbank volgt de minister niet zijn het standpunt. Weliswaar volgt uit dit BMA-advies dat er geen beletsels zijn voor de overdracht, de arts heeft klaarblijkelijk wel in de gezondheidstoestand van eiseres reden gezien te adviseren om haar begeleid over te dragen aan Polen. Dit geeft de rechtbank de indruk dat sprake is van ernstige en serieus te nemen psychische klachten waarvoor eiseres ook in Polen adequaat behandeld dient te worden. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, mag de minister er in beginsel vanuit gaan dat deze zorg aanwezig is, onduidelijk is of deze ook aansluitend op de zorg vanuit Nederland verleend zal worden. Het rapport spreekt immers niet over een ‘fysieke overdracht’, in welk geval eiseres door de begeleidende verpleegkundige wordt overgedragen aan een arts ter plaatse en daarmee op zijn minst eventueel nieuwe suïcide pogingen of voornemens daartoe verhinderd kunnen worden. In het BMA-advies is enkel gekeken naar de overdracht zelf en naar de situatie direct na de overdracht. Er heeft geen beoordeling plaatsgevonden van het risico in de periode voor of na de overdracht, terwijl uit de medische gegevens expliciet volgt dat het risico op suïcide al ontstaat vanaf de aankondiging van overdracht aan Polen. Daarom heeft de minister met het nemen van het bestreden besluit in dit geval niet voldaan aan de beoordeling die plaats moet vinden op grond van het arrest C.K.
Verder overweegt de rechtbank dat gelet op de afwezigheid van familieleden aldaar (die haar hier in Nederland voor deze pogingen en/of voornemens tot dusverre hebben weten te behoeden) en de recente medische informatie waaruit onverminderd de zorg over haar mentale gezondheid blijkt, het op de weg van de minister had gelegen om zich ook op dit punt uit te laten. Dit aspect is naar het oordeel onvoldoende betrokken bij de beoordeling van de vraag of overdracht naar Polen zal leiden tot een ernstige en onomkeerbare achteruitgang in de gezondheid van eiseres. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Het bestreden besluit kan daarom geen stand houden. De beroepsgrond slaagt. De overige beroepsgronden hoeven geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 23 februari 2026;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Bruins, rechter, in aanwezigheid van
H.B. Slot - Akkerman, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
3.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
4.ECLI:EU:C:2017:127.
7.ECLI:EU:C:2019:218.
8.ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308.
9.HvJEU 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127, in de zaak C.K. tegen Slovenië.