ECLI:NL:RBDHA:2026:18901

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
9 juli 2026
Zaaknummer
AWB 26/7606
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55c AwbArt. 8:55d AwbWetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen beëindiging Landelijke Vreemdelingenvoorziening in Utrecht

De zaak betreft het bezwaar van eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren tegen de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in Utrecht. De LVV bood opvang en begeleiding aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven, maar is per 1 januari 2025 in Utrecht beëindigd.

Eiser maakte bezwaar tegen deze beëindiging, maar de minister stelde dat eiser geen procesbelang meer had omdat hij geen gebruik meer maakt van de LVV-opvang. De rechtbank oordeelt dat dit standpunt terecht is, aangezien eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend en daardoor recht heeft op opvang via het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). Hierdoor is het doel van het bezwaar niet meer van feitelijke betekenis.

De rechtbank wijst ook het verzoek van eiser om vrijstelling van griffierecht toe en wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke beslistermijn af, omdat deze termijn nog niet is overschreden en er geen onderbouwing van schade is gegeven. Daarnaast wordt gewezen op de juiste procedure voor dwangsommen via de burgerlijke rechter.

De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 19 juni 2026.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de beëindiging van de LVV is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 26/7606

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van de minister waarin zijn bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard.
1.1.
Omdat over de uitkomst van deze zaak geen twijfel bestaat, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Vrijstelling van betaling griffierecht

2. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst het verzoek toe.

Feiten

3. De zaak is begonnen met de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in de gemeente Utrecht. De LVV (ook wel de ‘bed-bad-brood’ regeling genoemd) bood opvang en begeleiding bij terugkeer aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven. Eind 2024 heeft de minister aan diverse van deze vreemdelingen kenbaar gemaakt dat de opvang en de begeleiding op grond van de LVV in Utrecht vanaf 1 januari 2025 stopt. Eiser heeft een dergelijk besluit gekregen. Hij is het hier niet mee eens en heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
3.1.
In het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen (proces)belang meer heeft bij de behandeling van het bezwaarschrift, omdat eiser geen gebruik meer maakt of hoeft te maken van de opvang op grond van de LVV.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat geen sprake is van procesbelang. Het beroep is dus kennelijk ongegrond.
4.1.
Het is vaste rechtspraak dat procesbelang het belang is dat een betrokkene heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het erom gaat of het doel dat die betrokkene voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor hem van feitelijke betekenis is. Een betrokkene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. [1]
4.2.
In het bestreden besluit staat dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend, waarop nog niet is beslist. Als gevolg hiervan heeft eiser recht op opvang van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). De rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat eiser geen gebruik maakt van deze opvangmogelijkheid.
4.3.
De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De vraag naar de rechtmatigheid van de beëindiging van de opvang op grond van de LVV heeft voor eiser dan ook geen feitelijke betekenis meer. Hij heeft immers een andere vorm van opvang gekregen. Verder is gesteld noch gebleken dat de LVV-opvang voor eiser voordelen kent ten opzichte van de opvang van het COa. De minister heeft dan ook terecht bepaald dat eisers procesbelang bij de bezwaarprocedure daarom is komen te vervallen.
5. De rechtbank wijst het verzoek van eiser om schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke beslistermijn af. De redelijke termijn voor het doorlopen van een bezwaar- en beroepsprocedure is in beginsel twee jaar. Die termijn is hier nog niet overschreden. Desondanks kan er schade zijn als gevolg van een te lange bezwaarfase. Die schade moet worden onderbouwd. Van een dergelijke onderbouwing is niet gebleken.
6. Verder voert eiser aan dat de minister ten onrechte niet beslist op de verbeurde wettelijke en rechterlijke dwangsommen. Eiser verwijst daarbij naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 13 augustus 2025. [2]
6.1.
De rechtbank oordeelt dat de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke dwangsom en de vaststelling door de minister van de hoogte van de verbeurde rechterlijke dwangsom geschieden volgens de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. [3] In dit verband zal eiser zich dus tot de burgerlijke rechter moeten wenden.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:515).
3.Vgl artikel 8:55c en 8:55d, tweede lid, van de Awb.