ECLI:NL:RBDHA:2026:18901
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen beëindiging Landelijke Vreemdelingenvoorziening in Utrecht
De zaak betreft het bezwaar van eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren tegen de beëindiging van de Landelijke Vreemdelingenvoorziening (LVV) in Utrecht. De LVV bood opvang en begeleiding aan vreemdelingen die illegaal in Nederland verbleven, maar is per 1 januari 2025 in Utrecht beëindigd.
Eiser maakte bezwaar tegen deze beëindiging, maar de minister stelde dat eiser geen procesbelang meer had omdat hij geen gebruik meer maakt van de LVV-opvang. De rechtbank oordeelt dat dit standpunt terecht is, aangezien eiser een herhaalde asielaanvraag heeft ingediend en daardoor recht heeft op opvang via het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa). Hierdoor is het doel van het bezwaar niet meer van feitelijke betekenis.
De rechtbank wijst ook het verzoek van eiser om vrijstelling van griffierecht toe en wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke beslistermijn af, omdat deze termijn nog niet is overschreden en er geen onderbouwing van schade is gegeven. Daarnaast wordt gewezen op de juiste procedure voor dwangsommen via de burgerlijke rechter.
De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 19 juni 2026.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de beëindiging van de LVV is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.