ECLI:NL:RBDHA:2026:19085

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
AWB - 24 _ 1783
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.29 Wet IB 2001
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling pensioenuitkering voor vennootschapsbelasting 2020-2022 na eerdere onherroepelijke uitspraak

Eiseres, een B.V. die pensioenuitkeringen doet aan haar directeur-grootaandeelhouder (DGA), is het niet eens met de door verweerder vastgestelde pensioenuitkering van € 8.305 voor de jaren 2020, 2021 en 2022. Eiseres ging uit van een hogere uitkering van € 9.200, gebaseerd op het pensioenreglement van augustus 2015 en eerdere aangiften.

In een eerdere procedure over de aanslag vennootschapsbelasting 2016 is onherroepelijk vastgesteld dat de pensioenuitkering € 8.305 bedraagt. Deze uitspraak is bevestigd door het gerechtshof en de Hoge Raad. De rechtbank ziet geen aanleiding om voor de latere jaren anders te oordelen.

De rechtbank benadrukt dat hoewel eiseres en de DGA vrij zijn om pensioenuitkeringen af te spreken, de pensioenuitkering binnen een beschikbare premieregeling is opgebouwd, waardoor verweerder de zakelijkheid van de uitkering mag beoordelen en corrigeren. De beroepen van eiseres worden daarom ongegrond verklaard.

Daarnaast wijst de rechtbank erop dat correcties in de inkomstenbelasting niet aan de orde zijn in deze vennootschapsbelastingprocedures. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 2 juli 2026.

Uitkomst: De pensioenuitkering voor de jaren 2020, 2021 en 2022 wordt vastgesteld op € 8.305 en de beroepen worden ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 24/1783, SGR 24/7744 en SGR 24/9812

uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juli 2026 in de zaken tussen

[eiseres] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor de jaren 2020, 2021 en 2022 aanslagen vennootschapsbelasting (Vpb) opgelegd.
Verweerder heeft bij de bestreden uitspraken op bezwaar de bezwaren van eiseres deels gegrond verklaard.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.
De rechtbank heeft op verzoek van eiseres de onderhavige zaken en de zaak van eiseres met zaaknummer SGR 24/8316 gevoegd. Laatstgenoemde zaak is met instemming van partijen opgenomen in een aparte uitspraak.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026.
Namens eiseres is [naam] verschenen. Namens verweerder zijn mr. [medewerker belastingdienst 1], mr. drs. [medewerker belastingdienst 2] en [medewerker belastingdienst 3] verschenen.
Eiseres heeft na sluiting van het onderzoek ter zitting nog een stuk ingediend. De rechtbank heeft in dit stuk geen aanleiding gezien om het onderzoek te heropenen.

Overwegingen

Feiten
1. Eiseres is opgericht op [datum 1] 1999. Haar activiteiten bestaan onder meer uit het doen van pensioenuitkeringen, stamrecht- en/of lijfrente- en/of andere periodieke uitkeringen aan haar directeur-grootaandeelhouder (de DGA).
2. Eiseres vormt met ingang van [datum 1] 1999 een fiscale eenheid voor de Vpb met haar dochtermaatschappij [vennootschap 1] B.V. ([vennootschap 1]).
3. De DGA is in dienstbetrekking werkzaam geweest bij [vennootschap 1] en in die periode zijn pensioenaanspraken opgebouwd binnen een beschikbare premieregeling. Daartoe had [vennootschap 1] bij [vennootschap 2] NV (h.o.d.n. [handelsnaam]) ([vennootschap 2]), pensioenverzekeringen afgesloten. Deze expireerden per 1 augustus 2015. In de loop van het jaar 2015 is aan [vennootschap 2] verzocht om de corresponderende waarde van de pensioenpolis aan eiseres, als pensioenuitvoerder, over te dragen. [vennootschap 2] heeft in het eerste kwartaal van het jaar 2016 een bedrag van € 193.397 naar eiseres overgemaakt.
4. In verband met de overdracht van het pensioenkapitaal hebben eiseres en de DGA afspraken gemaakt die zijn vastgelegd in het pensioenreglement van augustus 2015. Daarbij hebben zij onder meer afgesproken dat de omvang van de pensioenuitkering zal worden aangepast aan de hand van het beleggingsresultaat, de ontwikkeling van het sterfteresultaat en de ontwikkeling in de levensverwachting. Eiseres heeft zich verplicht een jaarlijks ouderdomspensioen uit te keren van (aanvankelijk) € 9.200. Dit bedrag is de uitkomst van een omrekening van het overgedragen pensioenkapitaal naar een jaarlijkse pensioenuitkering. Bij de omrekening is de rekenrente gesteld op 1,27%. Er is geen rekening gehouden met een leeftijdscorrectie.
5. De DGA bereikte op [datum 2] 2015 de AOW-gerechtigde leeftijd. De pensioenuitkering is ingegaan op 1 januari 2016.
6. Tussen de DGA en verweerder is op enig moment een dispuut ontstaan over de pensioenregeling, in het bijzonder over de hoogte van de uitkering. In het kader van dit dispuut heeft de DGA op 14 september 2020 een afschrift aan verweerder toegestuurd van de notulen van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van eiseres van 1 september 2020. In deze notulen staat onder meer dat de hoogte van het ouderdomspensioen per 1 januari 2020 wordt gewijzigd naar € 8.305 per jaar, dat deze pensioenuitkering niet zal worden geïndexeerd en ook anderszins niet zal worden gewijzigd (het besluit van de AvA).
7. Verweerder heeft mede naar aanleiding van het besluit van de AvA de eerder opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2015 (IB/PVV 2015) verminderd tot nihil.
8. Eiseres en de DGA hebben tot op heden het pensioenreglement niet aangepast conform het besluit van de AvA.
De procedure 2016
9. Partijen hebben met betrekking tot de aanslag Vpb 2016 geprocedeerd bij achtereenvolgens de Rechtbank, het Hof en de Hoge Raad (de procedure 2016). In de procedure 2016 was ook de hoogte van de onderhavige pensioenuitkering aan de orde.
10. De rechtbank [1] heeft in de procedure 2016, voor zover hier van belang, het volgende geoordeeld:
“11. Een klein deel van de correctie ziet op de aanpassing van de jaarlijkse pensioenuitkering van € 9.200 naar € 8.305 voor de berekening van de fiscale boekwaarde. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op de offerte van de verzekeraar, rekening houdend met zakelijke grondslagen, een jaarlijkse pensioenuitkering van € 8.305 zakelijk is. De verzekeraar kwam in de offerte op een jaarlijkse pensioenuitkering van € 11.757 bij een verzekerd kapitaal van € 273.796. Aan eiseres is een lager kapitaal van € 193.397 overgedragen. De som die verweerder maakt is (11.757 x (193.397/273.796) = € 8.305. Dit bedrag is in de Ava van 20 september 2020 [2] ook afgesproken. Eiseres heeft onvoldoende aangevoerd om in afwijking hiervan van een hoger bedrag uit te gaan. In het beroep van eiseres op het Besluit van de staatssecretaris van 19 maart 2019, Stcrt. 2019, 17206, ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te beslissen.”
11. Gerechtshof Den Haag [3] heeft vervolgens het oordeel van de rechtbank bevestigd en de Hoge Raad [4] heeft de uitspraak van het Gerechtshof in stand gelaten. Met het arrest van de Hoge Raad is de uitkomst van de procedure 2016 onherroepelijk geworden.
Aangiften en aanslagen
12. Eiseres is bij het doen van de aangifte Vpb voor de jaren 2020, 2021 en 2022 uitgegaan van de hoogte van een pensioenuitkering van € 9.200. Verweerder is bij het opleggen van de aanslagen over die jaren uitgegaan van een pensioenuitkering van € 8.305. Dit heeft geresulteerd in de navolgende aangiftes en aanslagen.
12.1.
Eiseres heeft voor 2020 aangifte Vpb gedaan naar een belastbare winst van € 3.685. Verweerder heeft bij het vaststellen van de aanslag de belastbare winst gecorrigeerd naar € 23.685. Na verrekening van een verlies van € 5.529 resteert een belastbaar bedrag van € 18.156. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft verweerder alsnog een extra dotatie aan de (stamrecht- en) pensioenvoorziening van € 32.917 in aanmerking genomen, waardoor per saldo een verlies is vastgesteld van € 9.232.
12.2.
Eiseres heeft voor 2021 aangifte Vpb gedaan naar een belastbaar bedrag van nihil. De aanslag is vastgesteld conform de aangifte. Het bezwaar tegen die aanslag is opgevat als een bezwaar tegen de verliesvaststellingsbeschikking. Verweerder heeft bij de uitspraak op bezwaar een lagere vrijval van de (stamrecht- en) pensioenvoorziening berekend en de vrijval van een deel van de coronareserve gecorrigeerd, waardoor voor 2021 een verlies is vastgesteld van € 19.799. De verliesvaststellingsbeschikking is daarom verminderd.
12.3.
Eiseres heeft voor 2022 aangifte Vpb gedaan naar een verlies van € 127.454. De aanslag is vastgesteld conform de aangifte. Bij de uitspraak op bezwaar heeft verweerder, vanwege een lagere vrijval van € 7.374, het verlies nader vastgesteld op € 134.828.
Geschil13. Tussen partijen is enkel nog in geschil op welk bedrag de pensioenuitkering moet worden vastgesteld en, als uitvloeisel daarvan, hoe hoog de pensioenvoorziening moet zijn. Niet langer is tussen partijen in geschil de toepassing van artikel 3.29 van de Wet IB 2001, de zuiverheid van de pensioenregeling, de stamrechtvoorziening en het moment van vrijval van de coronareserve.
14. Het (principiële) standpunt van eiseres is dat bij de berekening van de pensioenvoorziening moet worden uitgegaan van een pensioenuitkering van € 9.200. Eiseres stelt dat in de procedure 2016 de hoogte van de pensioenuitkering wel aan de orde is gekomen, maar dat hier nog geen uitspraak over is gedaan. Daarnaast stelt eiseres dat het verweerder (wettelijk) niet is toegestaan om in te grijpen in de hoogte van de pensioenuitkering. Verder verzoekt eiseres de rechtbank om verweerder te gelasten tot een correctie in de inkomstenbelasting en om toekenning van een schadevergoeding
15. Verweerder stelt dat de pensioenuitkering moet worden vastgesteld op € 8.305. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst verweerder primair naar de procedure 2016, subsidiair naar de toezegging van eiseres dat de pensioenregeling zal worden aangepast aan het besluit van de AvA en meer subsidiair naar de offerte van [vennootschap 2], die onderdeel uitmaakt van de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
16. In de procedure 2016 is onherroepelijk komen vast te staan dat voor de Vpb 2016 uitgegaan moet worden van een pensioenuitkering van € 8.305. In al hetgeen eiseres in deze procedure heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om daarover in deze procedures met betrekking tot de Vpb voor 2020, 2021 en 2022 anders te oordelen. Daarom stelt de rechtbank, onder verwijzing naar de in de uitspraak 2016 gegeven motivering, ook voor de onderhavige jaren de hoogte van de pensioenuitkering vast op € 8.305.
17. Ter nadere toelichting merkt de rechtbank nog op dat het eiseres en de DGA vrijstaat om een bepaalde pensioenuitkering af te spreken. Dit neemt echter niet weg dat de onderhavige pensioenaanspraak is opgebouwd binnen een beschikbare premieregeling (zodat niet een vast bedrag aan toekomstig pensioen is toegezegd) en dat verweerder de zakelijkheid van een uit die aanspraak voortvloeiende pensioenuitkering, gegeven de specifieke feiten en omstandigheden van het geval (waaronder bijvoorbeeld het beschikbare verzekerde kapitaal), kan beoordelen. Vervolgens staat het verweerder vrij om – als de pensioenuitkering hoger is dan een willekeurige derde in die gegeven omstandigheden zou hebben toegekend – de (kwalificatie als) pensioenuitkering en de balanswaarde van de pensioenvoorziening (fiscaal) te corrigeren.
18. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.
19. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om verweerder te gelasten tot een correctie voor de inkomstenbelasting. De inkomstenbelasting kan echter niet aan de orde komen in de onderhavige procedures over aanslagen in de Vpb.
Proceskosten
20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. Pelinck, voorzitter, en mr. D.M. Drok en mr. K.G. Scholten, leden, in aanwezigheid van mr. W.M.M.A. van der Vegt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

2.De rechtbank meent dat hier 1 september 2020 had moeten staan, zoals ook staat vermeld onder de feiten, onder 4.