ECLI:NL:RBDHA:2026:19132

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
NL25.26955
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 64 VwArt. 3:2 AwbArt. 3:9 AwbVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugkeerbesluit wegens medische omstandigheden zonder uitstel van vertrek

Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de minister om haar geen uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De minister baseerde zijn besluit op een medisch advies van het Bureau Medische Advisering (BMA). Na behandeling van het beroep en aanvullend medisch advies concludeert de rechtbank dat het BMA-advies zorgvuldig en inhoudelijk inzichtelijk is en dat er geen sprake is van een acute medische noodsituatie die uitstel van vertrek rechtvaardigt.

De rechtbank oordeelt dat het eerste BMA-advies, hoewel ouder dan zes maanden, nog geldig is omdat de medische situatie ongewijzigd bleef. Het nieuwe advies bevestigt dat er geen levensbedreigende situatie binnen drie tot zes maanden te verwachten is, maar wel op langere termijn. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat dit geen reden is om het terugkeerbesluit te schorsen.

Echter, de rechtbank vernietigt het terugkeerbesluit zelf omdat in een andere procedure het terugkeerbesluit is vernietigd en de rechtbank dit oordeel overneemt. Het beroep wordt gegrond verklaard voor zover het terugkeerbesluit betreft, maar het besluit tot weigering van uitstel van vertrek blijft in stand. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het terugkeerbesluit wordt vernietigd, het besluit tot weigering van uitstel van vertrek blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.26955

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H. Postma)
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. T.C. Vosman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de ambtshalve weigering om eiseres uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van Pro de Vw. [1] Eiseres is het niet eens met dat besluit. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister het besluit heeft mogen nemen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van de minister in stand kan blijven. Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het bestreden besluit en procesverloop

2. Op 29 mei 2024 heeft de minister de opvolgende asielaanvraag van eiseres afgewezen en haar op grond van artikel 64 van Pro de Vw voorlopig uitstel van vertrek verleend in afwachting van de beslissing op de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 van Pro de Vw 2000.
2.1.
Op 1 oktober 2024 heeft de minister beslist dat eiseres niet in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000. Dit besluit is gebaseerd op een medisch advies van het BMA [2] van 25 september 2024.
2.2.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
2.3.
Met het bestreden besluit van 21 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij zijn besluit gebleven om eiseres geen uitstel van vertrek te verlenen.
2.4.
Eiseres is in beroep gegaan tegen het bestreden besluit en zij heeft op 23 juli 2025 beroepsgronden ingediend.
2.5.
Eiseres heeft haar beroepsgronden op 9 januari 2026 aangevuld en daarbij nieuwe, medische informatie overgelegd. Naar aanleiding hiervan heeft de minister verzocht de behandeling op de zitting van 22 januari 2026 aan te houden, omdat hij het BMA om een aanvullend advies wil vragen.
2.6.
Het BMA heeft op 16 februari 2026 advies uitgebracht. Eiseres heeft daarop gereageerd op 12 juni 2026.
2.7.
De minister heeft op 18 juni 2026 een verweerschrift ingediend.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door een tolk, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Herhalen en inlassen bezwaargronden
3. De rechtbank overweegt dat de algemene stelling van eiseres in beroep dat haar bezwaargronden als herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd, onvoldoende is om aan te kunnen merken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het bestreden besluit ingegaan op de bezwaargronden. De rechtbank zal daarom de bezwaargronden, waarvan eiseres in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens haar niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.
Heeft de minister zich op de BMA-adviezen kunnen baseren?
4. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [3] is een advies van het BMA een deskundigenadvies aan de minister ten behoeve van het uitvoeren van zijn bevoegdheden. [4] Een bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van Pro de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van Pro de Awb voor andere adviseurs. Als een partij concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Het is aan de vreemdeling om aan te tonen dat het BMA-advies niet voldoet aan de vereisten. [5]
4.1.
De rechtbank ziet in wat eiseres aanvoert onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan het BMA-advies. Dat het eerste BMA-advies ouder was dan zes maanden, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat de minister dit niet ten grondslag mocht leggen aan zijn besluit. In het BMA-protocol staat weliswaar dat het BMA adviseert om geen beslissingen te nemen op basis van een medisch advies ouder dan zes maanden, maar daarbij is eveneens aangegeven dat wordt geadviseerd geen nieuw adviesverzoek in te dienen als binnen of na deze periode wordt aangetoond dat de medische situatie ongewijzigd is. In dat geval is sprake van verlenging van de houdbaarheidstermijn van het BMA-advies. [6] Tussen het moment van het uitbrengen van het eerste BMA-advies (25 september 2024) en de datum van het bestreden besluit (21 mei 2025) is niet gebleken van een gewijzigde, medische situatie. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de minister zich bij het bestreden besluit dan ook baseren op het eerste BMA-advies.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is het nieuwe BMA-advies van 16 februari 2026 inhoudelijk inzichtelijk, zorgvuldig en concludent. Uit het advies blijkt dat alle relevante informatie is betrokken die door eiseres is overgelegd, waaronder het medisch journaal van de huisarts waaruit volgt dat de dosering van de metformine is verhoogd. Verder blijkt uit het advies dat eiseres medicatie krijgt voor diabetes mellitus. Toegelicht is dat de behandeling van deze vorm van diabetes blijvend van aard is, maar dat de diagnose in sommige gevallen, bij levensstijlveranderingen, omgekeerd en de behandeling overbodig (obsoleet) kan worden. Uit het advies blijkt dat rekening is gehouden met het feit dat eiseres een extra medicijn, gliclazide, krijgt en er dus twee middelen gebruikt worden voor de behandeling van haar diabetes. De arts van het BMA heeft toegelicht dat de bloedsuikers van eiseres kunnen stijgen als de behandeling van de diabetes mellitus uitblijft. Omdat eiseres met twee middelen wordt behandeld in lage dosering waarbij goed resultaat is behaald en geen andere aandoeningen heeft, verwacht de arts niet dat bij het uitblijven van deze behandeling er levensbedreigende situaties zullen ontstaan. Op langere termijn, meerdere maanden tot jaren, kunnen er wel levensbedreigende situaties ontstaan.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat het feit dat het BMA in zowel het advies van 25 september 2024 als dat van 16 februari 2026 aangeeft dat geen medische noodsituatie wordt verwacht binnen de indicatieve termijn van drie tot zes maanden niet tegenstrijdig is met de bevinding in beide adviezen dat op langere termijn, meerdere maanden tot jaren, wel levensbedreigende situaties kunnen ontstaan. Uit het advies is duidelijk op te maken dat met ‘meerdere maanden’ een periode wordt bedoeld langer dan de indicatieve termijn van drie tot zes maanden.
4.4.
Het BMA heeft een termijn van drie tot zes maanden gehanteerd om te beoordelen of zich al dan niet in dat tijdsbestek een medische noodsituatie zal voordoen indien behandeling uitblijft. Hoewel uit het arrest X [7] volgt dat een lidstaat geen strikte termijn mag stellen waarbinnen de voormelde toename van pijn moet intreden opdat die toename in de weg kan staan aan uitzetting, betekent dat in dit geval niet dat de minister de conclusie van het BMA-advies niet heeft mogen volgen. In het arrest X heeft het Hof overwogen dat geen terugkeerbesluit of verwijderingsmaatregel mag worden genomen jegens een illegaal op het grondgebied van die lidstaat verblijvende derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt wanneer er zwaarwegende en gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de terugkeer van deze derdelander hem zou blootstellen aan een reëel risico van een significante daling van zijn levensverwachting of een snelle, aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand, leidend tot ernstige pijn, omdat er in het land van bestemming geen passende zorg beschikbaar is. Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van eiseres, gelet op de BMA-adviezen, geen sprake van een situatie van een ernstige ziekte die leidt tot ernstige pijn als behandeling uitblijft.
Heeft de minister kunnen afzien van horen in bezwaar?
5. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt kon stellen dat er op voorhand geen twijfel over mogelijk was dat de bezwaren niet konden leiden tot een andersluidend besluit. De rechtbank overweegt dat eiseres geen andere informatie of medische stukken heeft overgelegd waaruit volgt dat de minister niet van de inhoud van de BMA-adviezen uit kon gaan.
Terugkeerbesluit
6. In het primaire besluit van 1 oktober 2024 is bepaald dat eiseres moet terugkeren naar Somalië. Dit terugkeerbesluit is gehandhaafd in het bestreden besluit. In de uitspraak van 15 juni 2026 in de asielprocedure van eiseres heeft deze rechtbank en zittingsplaats het terugkeerbesluit vernietigd. [8] De rechtbank is bekend met de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2026 [9] en de daarin gestelde prejudiciële vragen, maar is van oordeel dat gelet op de hiervoor genoemde rechtbankuitspraak ook in deze procedure het terugkeerbesluit geen stand kan houden.

Conclusie en gevolgen

7. Gelet op wat is overwogen onder 6. is beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover het gaat om het terugkeerbesluit. Voor het overige blijft het bestreden besluit in stand.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1). Ook moet de minister het griffierecht aan eiseres vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 21 mei 2025, maar alleen voor zover het gaat om het terugkeerbesluit;
  • bepaalt dat het bestreden besluit voor het overige in stand blijft;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van eiseres;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Bureau Medische Advisering.
3.Afdeling bestuursrecht van de Raad van State.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 16 augustus 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:826, r.o. 3.3), 30 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1674) en 8 september 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3422).
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3976, r.o. 9.3).
6.Zie het Protocol Bureau Medische Advisering (Team Beoordeling & Medisch Advies) 2023, p. 24.
7.Arrest van het Hof van Justitie van 22 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:913).