Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16194

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
NL24.23415
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 30a Vw 2000Art. 30b Vw 2000Art. 31 Vw 2000Art. 3:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onzorgvuldige voorbereiding en niet tijdig betrekken Griekse vluchtelingenstatus

Eiseres, afkomstig uit Somalië, diende een asielaanvraag in Nederland in nadat zij in Griekenland al internationale bescherming had gekregen. De minister wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, onder meer omdat het asielrelaas van eiseres niet geloofwaardig werd geacht en er geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer zou zijn.

De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid omdat de minister het Griekse asieldossier pas in de beroepsfase heeft opgevraagd en betrokken bij de beoordeling. Dit is in strijd met de jurisprudentie die vereist dat de beslissing van de Griekse autoriteiten ten volle wordt betrokken bij de beoordeling.

Hoewel de rechtbank het besluit vernietigt, laat zij de rechtsgevolgen van de afwijzing als kennelijk ongegrond in stand, omdat de minister de aanvraag terecht als kennelijk ongegrond heeft beoordeeld. Tevens kan de minister geen terugkeerbesluit opleggen zolang de Griekse status niet is ingetrokken. De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onzorgvuldige voorbereiding, maar de rechtsgevolgen van afwijzing als kennelijk ongegrond blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.23415

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H. Postma)
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. L.O. Augustinus).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid nu de minister pas in beroep de beslissing van de Griekse autoriteiten om aan eiseres een vluchtelingenstatus toe te kennen bij de beoordeling heeft betrokken. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, maar laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit, zijnde de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond, in stand. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 16 september 2018 in Griekenland om internationale bescherming verzocht. Deze bescherming is haar op 27 maart 2019 verleend.
2.1.
Op 2 maart 2020 heeft eiseres in Nederland een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 18 mei 2020 niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 omdat eiseres in Griekenland internationale bescherming geniet. Het door eiseres tegen dit besluit ingediende beroep is bij uitspraak van 23 september 2020 [2] van deze rechtbank en zittingsplaats ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 oktober 2020 [3] heeft de Afdeling [4] de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
2.2.
Eiseres heeft op 10 september 2021 de onderhavige aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 29 mei 2024 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres is afkomstig uit Marka in de provincie Shabelle Hoose en behoort tot de Reer Hamar. Eiseres woonde in Marka samen met haar moeder, broer en zus en haar drie kinderen. Zij was kostwinner van het gezin en verkocht kleding en artikelen voor vrouwen. Haar broer was bijrijder op een bus en is bij een overval op die bus doodgeschoten. Haar moeder, wiens gezondheid al slecht was, is spoedig daarna ook overleden. Eiseres was verslaafd aan sigaretten. Toen Marka in handen viel van Al-Shabaab werd eiseres door Al-Shabaab leden telefonisch op haar roken aangesproken. Na drie waarschuwingen ontving eiseres 35 dollar om daarvan alvast een lijkwade te kopen nu ze niet wilde luisteren. Na dit dreigement heeft men eiseres geadviseerd Somalië te verlaten. Haar achtergebleven dochter en pleegdochter worden nu verzorgd door haar ex-man met wie eiseres hertrouwd is. Haar zoon is bij vroegere buren gaan wonen.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:
  • De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres.
  • De bedreiging van eiseres door Al-Shabaab vanwege roken.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de door eiseres opgegeven identiteit, nationaliteit en herkomst in deze procedure aangehouden worden. Dat eiseres door Al-Shabaab wordt bedreigd vanwege haar roken acht de minister niet geloofwaardig.
Hiertoe heeft de minister overwogen dat uit het algemeen ambtsbericht Zuid en Centraal-Somalië blijkt dat Al-Shabaab, in de periode waarin eiseres stelt te zijn bedreigd, niet (of nauwelijks) de controle had over de woonplaats van eiseres. Daarnaast heeft eiseres niet duidelijk gemaakt hoe Al-Shabaab contact met haar heeft weten op te nemen. Zij werd anoniem gebeld en wist meteen dat het Al-Shabaab leden waren. Hoe zij dit wist is echter niet duidelijk geworden evenmin als de manier waarop de gestelde leden van Al-Shabaab aan haar telefoonnummer zijn gekomen. Ook heeft eiseres niet aangetoond dat Al-Shabaab geld aan haar heeft overgemaakt. Verder ziet de minister niet in waarom Al-Shabaab aan iedereen die niet doet wat de organisatie wil geld zou overmaken. Dat kost de organisatie veel geld terwijl zij niet eens de middelen hebben om in het gebied van eiseres de controle vast te houden. Daarbij is ook niet duidelijk gemaakt dat dit zou moeten worden gezien als doodsbedreiging. Dat eiseres als gevolg van de geloofwaardig geachte elementen een reëel risico zou lopen bij terugkeer volgt de minister niet. Zij heeft haar vrees voor Al-Shabaab niet aannemelijk gemaakt. Daarbij blijkt uit algemene landeninformatie dat de overheid de macht heeft in Marka en is het mogelijk om vanuit Mogadishu Marka te bereiken zonder door gebied te reizen dat wel door Al-Shabaab wordt beheerst. Voorts behoort eiseres weliswaar tot de Reer Hamar en stelt zij alleenstaand te zijn maar volgt uit het landenbeleid dat er voor Somalië geen kwetsbare minderheidsgroepen zijn aangemerkt en heeft eiseres zelf aangegeven dat zij is hertrouwd met haar ex-man en dus niet als alleenstaand kan worden aangemerkt. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder g van de Vw 2000.
Vluchtelingenstatus Griekenland
5. Op grond van het arrest van 18 juni 2024 QY [5] van het Hof [6] , het IB 2024/37 en de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025 [7] moet de minister bij de beoordeling ten volle rekening houden met de beslissing van de Griekse autoriteiten om aan eiseres de vluchtelingenstatus toe te kennen en met de elementen waarop die beslissing is gebaseerd.
5.1.
De rechtbank constateert dat de minister pas in de beroepsfase het asieldossier van eiseres heeft opgevraagd bij de Griekse autoriteiten. In het verweerschrift heeft de minister het aanvullend onderzoek, dat hij in Griekenland heeft verricht naar de beschermingsstatus van eiseres, betrokken bij de beoordeling van de aanvraag van eiseres en geoordeeld dat het Griekse dossier zijn standpunt niet anders maakt. De minister constateert dat de Griekse autoriteiten eiseres een verblijfsvergunning asiel hebben verleend op basis van de algehele veiligheidssituatie in Somalië.
5.2.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat de Griekse autoriteiten haar geen vluchtelingenstatus hebben verleend op basis van de algehele veiligheidssituatie in Somalië maar vanwege het behoren tot een sociale groep waarbij haar herkomst en het feit dat zij een alleenstaande vrouw is zijn betrokken. Dit betekent volgens eiseres dat de minister niet heeft voldaan aan de in het arrest van 18 juni 2024 QY [8] van het Hof gestelde dat ten volle rekening moet worden gehouden met de redenen van de aan eiseres verleende vluchtelingenstatus door Griekenland.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister hieraan inderdaad niet heeft voldaan. Hij heeft immers niet voorafgaand aan het bestreden besluit contact opgenomen met de Griekse autoriteiten om informatie te krijgen over de beschermingsstatus die eiseres in Griekenland heeft gekregen. Daarom is het beroep gegrond en zal het bestreden besluit worden vernietigd. Hierna zal de rechtbank onderzoeken of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten gelet op het aanvullende standpunt van de minister. In haar uitspraken van 2 en 3 juli 2025 [9] heeft de Afdeling immers geoordeeld dat de minister niet gebonden is aan de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus zolang maar de beslissing van de Griekse autoriteiten ten volle is betrokken bij de besluitvorming.
Geloofwaardigheid relaas
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister de door eiseres gestelde problemen met Al-Shabaab niet geloofwaardig heeft hoeven achten. Hierbij heeft hij allereerst kunnen betrekken dat uit landeninformatie, zoals de algemeen ambtsberichten van 2017 en 2019 over Somalië, blijkt dat Al-Shabaab in die jaren nooit langdurig de controle heeft gehad over de woonplaats van eiseres zoals zij stelt. Aangegeven is dat de stad in de periode 2017 en 2018 herhaaldelijk is veroverd en heroverd door afwisselend AMISOM/SNA [10] en Al-Shabaab. Eiseres kan dus gevolgd worden in haar stelling dat er Al-Shabaab leden aanwezig waren in haar woonplaats maar de minister heeft, gezien de weinig bestendige situatie, hen niet in staat hoeven achten om de bewoners te bedreigen als zij zich niet aan de regels van de sharia hielden waarbij zij dan prioriteit gaven aan vrouwen die rookten. Daarnaast heeft de minister mogen stellen dat eiseres de telefonische bedreiging onvoldoende concreet heeft weten te maken. Eiseres heeft enkel verklaard dat zij werd gebeld door een anoniem nummer en haar werd verteld dat zij moest stoppen met waar zij mee bezig was. Onduidelijk is gebleven door wie eiseres is gebeld. Dat het iemand van Al-Shabaab was is uitsluitend een aanname van eiseres. Ook kan zij niet verklaren hoe Al-Shabaab aan haar nummer zou moeten zijn gekomen. Haar stelling dat Al-Shabaab haar vervolgens bedreigd zou hebben door via EVC+ 35 dollar aan haar over te maken, wat zou betekenen dat zij haar lijkwade zou kunnen bestellen als zij niet zou gehoorzamen, heeft eiseres niet, bijvoorbeeld met een screenshot, kunnen onderbouwen. Bovendien is de minister gebleken dat het onmogelijk is om met behulp van EVC+ geld te ontvangen van een anoniem nummer. Ook met behulp van haar verklaringen heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat Al-Shabaab in een gebied dat zij niet controleren iedereen geld stuurt als zij zich niet aan de regels houden en waarom dat opportuun voor de organisatie zou zijn. Dat de minister in het kader van de bedreiging door Al-Shabaab de dood van de broer van eiseres als zelfstandig relevant element had dienen te beoordelen, volgt de rechtbank niet nu eiseres niet heeft aangegeven hoe deze moord in verband met Al-Shabaab moet worden gebracht en evenmin heeft verklaard dat zij, als gevolg van de moord op haar broer, persoonlijke problemen heeft ondervonden.
Reëel risico op ernstige schade bij terugkeer
7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat niet aannemelijk is dat eiseres vanwege de gestelde status als alleenstaande vrouw bij terugkeer naar Somalië te vrezen heeft voor vervolging dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft er terecht op gewezen dat eiseres tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat zij in 2023, toen zij al in Nederland verbleef, is hertrouwd met haar ex-man die tevens de vader is van haar jongste dochter. Deze dochter en haar pleegdochter wonen thans bij de man en worden door hem verzorgd. Dat eiseres, zoals zij heeft aangegeven, zich uitsluitend met hem heeft verzoend omwille van haar dochter en de pleegdochter maakt dit niet anders. Daarnaast is uit de verklaringen van eiseres gebleken dat zij familieleden in Somalië heeft wonen en er beschikt over een sociaal netwerk waarop zij terug kan vallen.
7.1.
Dat eiseres behoort tot de Reer Hamar-clan maakt evenmin aannemelijk dat zij bij terugkeer te vrezen heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister wijst er in het voornemen terecht op dat in het landenbeleid de Reer Hamar stam niet wordt aangemerkt als vallend binnen een risicoprofiel. Daarbij volgt uit het algemeen ambtsbericht van 2025 dat de Benadiri, inclusief Reer Hamar, weliswaar te maken hadden met discriminatie, maar dat er tijdens de verslagperiode geen significante veiligheidsdreigingen waren vanwege hun etniciteit. Ook werd de positie van de Benadiri sterker ingeschat dan die van andere minderheidsgroeperingen. Daarnaast blijkt uit het asielrelaas van eiseres niet dat zij zodanig is gediscrimineerd dat het voor haar op sociaal en maatschappelijk niveau onmogelijk was om te functioneren. Dat de moord op haar broer te maken had met zijn clanafkomst heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt en daarmee ook niet hoe deze moord een aanwijzing kan zijn voor een gegronde vrees om bij terugkeer het slachtoffer van vervolging te worden.
7.2.
De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt ten aanzien van de huidige algemene veiligheidssituatie in Somalië en die van Marka in het bijzonder. De toetsing die de minister in deze uitvoert is een ex-nunc beoordeling. De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht gewezen heeft op het algemeen ambtsbericht van april 2025 waaruit blijkt dat Marka onder controle van de overheid staat. Het EUAA-rapport van 2 oktober 2025 onderschrijft dit. Daarbij heeft de minister terecht opgemerkt er in Lower Shabelle sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld wat maakt dat er bij het huidige landenbeleid van wordt uitgegaan dat er geen reden is voor toepassing van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. [11] De stelling van eiseres dat het voor haar niet mogelijk zal zijn om veilig van Mogadishu naar Marka te reizen volgt de rechtbank evenmin. Hoewel uit openbare bronnen blijkt dat het gebied tussen Moghadishu en Marka een gemengd controlegebied is dat niet onder effectieve/volledige controle van Al-Shabaab valt mag van eiseres verwacht worden dat zij, net zoals zij volgens haar verklaringen tijdens haar vertrek uit Somalië heeft gedaan, gebruikmaakt van particuliere (vissers)boten die op het traject van Mogadishu naar Marka actief zijn.
7.3.
Eiseres heeft aangevoerd dat in het bestreden besluit een beoordeling van vluchtelingschap, ernstige schade als bedoeld in artikel 15b van de Definitierichtlijn en een inschatting van het risico op schending van artikel 3 EVRM Pro [12] en artikel 4 EU Pro-Handvest voor de grondrechten ontbreekt. De rechtbank volgt eiseres niet in dit standpunt. Zij is van oordeel dat de motivering van het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen, aangevuld in het verweerschrift en ter zitting, in combinatie met de omstandigheid dat de minister het asielrelaas van eiseres niet geloofwaardig heeft hoeven vinden, voldoende geacht kan worden.
Kennelijk ongegrond
8. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat de minister haar aanvraag ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard. De minister heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 30b, eerste lid onder g, Vw 2000. Alleen al omdat de aanvraag van eiseres een opvolgende aanvraag is die niet niet-ontvankelijk is verklaard, heeft de minister, ook gezien de jurisprudentie van de Afdeling [13] , de aanvraag mogen afwijzen als kennelijk ongegrond. Daarbij heeft eiseres ook niet gemotiveerd aangegeven welke door haar nieuw aangevoerde relevante elementen en bevindingen niet bij de beoordeling zijn betrokken.
Terugkeerbesluit
9. Nu uit het voorgaande volgt dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser geen stand kan houden, geldt dit alleen daarom al ook voor het terugkeerbesluit. Aanvullend stelt de rechtbank echter nog vast dat eiser internationale bescherming heeft in Griekenland. De minister kan de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus niet intrekken of beëindigen. Die mogelijkheid staat alleen open voor de Griekse autoriteiten. [14] Ambtshalve is het de rechtbank bekend dat de Griekse autoriteiten niet reageren op de Nederlandse verzoeken daartoe. Dit laat naar het oordeel van de rechtbank echter onverlet dat de minister geen terugkeerbesluit kan nemen in zaken van Griekse statushouders voordat hij de uitkomst van zijn beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een asielstatus heeft gedeeld met de Griekse autoriteiten en deze in reactie daarop hebben aangegeven dat zij aanleiding zien om de verleende asielstatus in te trekken. Ook om deze reden kan het terugkeerbesluit geen stand houden. [15]

Conclusie en gevolgen

10. Gelet op wat is overwogen onder 5.3. is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb. [16] Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet in het voorgaande echter aanleiding om de rechtsgevolgen op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten, zijnde de afwijzing van de aanvraag als kennelijk ongegrond. Zoals hiervoor onder 10. is overwogen kon de minister geen terugkeerbesluit opleggen. Voor zover het gaat om het opleggen van het terugkeerbesluit, kunnen de rechtsgevolgen dan ook niet in stand blijven.
10.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 29 mei 2024;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, voor zover het gaat om de afwijzing van de aanvraag als kennelijk ongegrond;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.NL20.11264.
3.Nr. 202005303/1/V3.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.ECLI:EU:C:2024:524.
6.Hof van Justitie van de Europese Unie.
8.ECLI:EU:C:2024:524.
10.African Union Mission in Somalia en de Somalia National Forces.
11.Brief van de minister van Asiel en Migratie aan de Tweede Kamer over het landenbeleid Somalië d.d. 9 september 2025.
12.Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
13.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2018:2815.
14.Uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2865.
15.Uitspraken van de Afdeling van 2 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2865) en 3 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2936).
16.Algemene wet bestuursrecht.