Uitspraak
Scheiding met nevenvoorzieningen
Beschikking op het op 29 november 2024 ingekomen verzoek van:
[de man] ,
[de vrouw] ,
Procedure
- het verzoekschrift;
- het F9-formulier van 10 oktober 2024 van de zijde van de man, met bijlage;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;
Feiten
Verzoek en verweer
€ 142.240,50 of subsidiair € 89.908,50 en aldus te bepalen dat de man aan de vrouw uit dien hoofde een bedrag van € 142.240,50 of subsidiair € 89.908,50 dient te voldoen;
Beoordeling
€ 14.873,-- per jaar (in 2025). De vrouw kan daarmee in haar eigen huwelijksgerelateerde behoefte voorzien. Het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud zal daarom worden afgewezen.
- de echtelijke woning aan de [adres] , [plaats 2] en bijbehorende hypothecaire geldleningen
- de inboedel in de echtelijke woning
ad a) de echtelijke woning
De vrouw heeft verzocht de beslissingen ten aanzien van de woning niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Dit verzoek was ingegeven door de wens om de nodige tijd te hebben om na het uitspreken van de echtscheiding aan de hand van haar nieuwe financiële situatie passende beslissingen te kunnen nemen ten aanzien van de aankoop van een nieuwe woning. Op de zitting heeft de vrouw ermee ingestemd dat de verkoop van de woning op korte termijn in gang wordt gezet. De rechtbank zal daarom de beslissingen ten aanzien van de woning uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit neemt niet weg dat de rechtbank ervan uitgaat dat partijen een redelijke termijn afspreken voor de oplevering van de woning, zodat de vrouw ook in de gelegenheid wordt gesteld om een passende nieuwe woning voor zichzelf te vinden.
“Geen verrekening heeft plaats:
- bankrekeningen (door de vrouw, anders dan verwijzing naar aangiftes IB niet
- het vermogen in [vennootschap 1] BV (waaronder de verkoopopbrengst van de
- de eenmanszaak van de man
- dat het saldo op de en/of rekeningen bij helfte gedeeld wordt, onder oplegging aan
- dat voor alle overige bankrekeningen geldt dat het aanwezige saldo per
“(…) 4.2.2 De uitleg van een verrekenbeding in huwelijkse voorwaarden moet plaatsvinden aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Dit betekent dat het antwoord op de vraag of een stamrecht valt aan te merken als overgespaard inkomen dat voor verrekening in aanmerking komt, afhangt van de uitleg die in het concrete geval moet worden gegeven aan het in het desbetreffende verrekenbeding opgenomen inkomensbegrip. Daarbij is (…) niet uitgesloten dat het inkomensbegrip in een concreet geval zo moet worden uitgelegd dat een stamrecht daar niet onder valt, ongeacht hoe het stamrecht is gevormd. (…)4.2.3. Het oordeel van het hof dat het stamrecht in het onderhavige geval niet valt aan te merken als overgespaard inkomen in de zin van (…) artikel 8 lid 2 van Pro de huwelijkse voorwaarden zolang het stamrecht nog niet tot uitkering is gekomen, moet kennelijk aldus worden verstaan dat niet van belang is dat het stamrecht is gevormd door een ontslagvergoeding, omdat deze vergoeding in de omstandigheden van dit geval niet als te verrekenen netto-inkomen in de zin van (…) artikel 8 lid 2 van Pro de huwelijkse voorwaarden moet worden beschouwd. (…) geeft dat oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. (…)”
in het desbetreffende gevalen
onder de specifieke omstandigheden van dat gevalgeen sprake was van te verrekenen vermogen, geen oordeel geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Blijkens r.o. 2.1.1 luidde het inkomensbegrip in het desbetreffende geval als volgt:
Artikel 8(…)2. Onder netto-inkomen wordt verstaan het inkomen onder aftrek van de daarover verschuldigde belasting op inkomen, premieheffing-volksverzekeringen en andere wettelijke inhoudingen of heffingen (…)”[sic]
“Onder inkomsten uit arbeid worden verstaan de inkomsten uit arbeid als bedoel in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (…) Onder inkomsten uit arbeid worden mede begrepen uitkeringen ter vervanging van inkomsten uit arbeid, zoals sociale uitkeringen en pensioenuitkeringen, alsmede winst uit onderneming (…)”Anders dan (kennelijk) in het geval waarover de Hoge Raad oordeelde, hebben partijen in het onderhavige geval aldus expliciet opgenomen dat ook uitkeringen ter vervanging van inkomsten uit arbeid onder te verrekenen inkomen vallen.
Beslissing
[plaats 2] en bijbehorende hypothecaire geldleningen:
bepaalt dat aan de vrouw ter zake van het stamrechtvermogen in [vennootschap 1] BV een bedrag van € 71.219,50 toekomt, waarbij de man dit bedrag fiscaal neutraal zal dienen te storten in een op naam van de vrouw aan te kopen lijfrentepolis, dan wel (indien dit niet mogelijk blijkt) dat de man aan de vrouw dit bedrag dient te voldoen, rekening houdend met een belastinglatentie van ten hoogste 25%;
bepaalt dat de man aan de vrouw de helft van het eigen vermogen in [bedrijfsnaam] (de eenmanszaak van de man) per de peildatum, te weten 29 november 2024, dient te voldoen, waarbij de man dit vermogen inzichtelijk dient te maken door het tonen van bankafschriften en jaarcijfers;
mr. N.C. Gantenbein als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juni 2026.