ECLI:NL:RBDHA:2026:19267

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
12 juli 2026
Zaaknummer
NL26.28822
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:83 AwbArt. 18 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000EVRM art. 3
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland

Eiser, van Syrische nationaliteit, diende een asielaanvraag in Nederland in, maar deze werd niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is op grond van de Dublinverordening. Nederland verzocht Duitsland om terugname van eiser, waarmee Duitsland instemde.

De rechtbank beoordeelde of het interstatelijk vertrouwensbeginsel, dat uitgaat van correcte behandeling door Duitsland, kon worden doorbroken. Eiser stelde dat Duitsland zijn verplichtingen niet nakomt, maar dit werd onvoldoende onderbouwd bevonden.

De rechtbank concludeerde dat het vermoeden van correcte behandeling door Duitsland niet is weerlegd. Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en partijen kunnen binnen zes weken verzet aantekenen. Tegen de beslissing op het voorlopige voorzieningsverzoek staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.28822 en NL26.28823
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser], geboren op [geboortedag] 1976, van Syrische nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna; eiser.)
(gemachtigde: mr. E. van den Hombergh),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 21 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Bondsrepubliek Duitsland (hierna; Duitsland) verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank doet op grond van artikelen 8:54 en 8:83 van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
1. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening [1] . Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan [2] . In dit geval is gebleken dat eiser op 30 september 2024 een asielaanvraag in Duitsland heeft ingediend. Om deze reden heeft Nederland de autoriteiten van Duitsland op 10 februari 2026 verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening. Op 17 februari 2026 zijn de Duitse autoriteiten hiermee akkoord gegaan op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening.
Het oordeel van de rechtbank
2. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel betekent dat de lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM [3] , het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van het betreffende land, omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure voor personen die om internationale bescherming verzoeken.
3. De rechtbank overweegt daarom dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Duitsland niet in strijd zal zijn met artikel 4 van Pro het EU-Handvest [4] en artikel 3 van Pro het EVRM. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Duitsland, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Duitse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling.
4. De rechtbank oordeelt dat ten aanzien van Duitsland nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. [5] Eisers betoog dat hij er niet op vertrouwt dat Duitsland zijn asielaanvraag op een juiste manier zal beoordelen omdat dit eerder ook niet is gebeurd en hij dat nu evenmin verwacht, is onvoldoende om niet uit te mogen gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat Duitsland met het claimakkoord heeft gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de internationale verplichtingen. Ook als Duitsland op enig moment zou besluiten eiser uit te zetten naar zijn land van herkomst, moet Duitsland zich daarbij houden aan de bedoelde verplichtingen. Als eiser vindt dat Duitsland zijn verplichtingen niet nakomt, dan ligt het op eisers weg om daarover in Duitsland te klagen bij de autoriteiten of de daartoe geëigende instanties.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is kennelijk ongegrond. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep, is er geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep (NL26.28822) ongegrond.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.28823) af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
4.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:588) en 8 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4770).