ECLI:NL:RBDHA:2026:19319

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
13 juli 2026
Zaaknummer
SGR 25/1139
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 2 sub b VN-VrouwenverdragArt. 3:23 WazoArt. 3:18 lid 2 WazoArt. 8 lid 1 en 2 WazArt. 8:72 lid 3 sub b Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en terugvordering Wazo-uitkering startende zelfstandige in strijd met VN-Vrouwenverdrag

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft de herziening en terugvordering van de zwangerschaps- en bevallingsuitkering (Wazo/ZEZ) van een startende zelfstandige over de periode van 8 februari 2023 tot en met 31 mei 2023. Het UWV had het dagloon herzien naar € 26,73 op basis van een lage winst uit onderneming, wat leidde tot een bruto terugvordering van € 5.545,60. De eiseres voerde aan dat deze berekening in strijd was met artikel 11, lid 2, sub b, van het VN-Vrouwenverdrag, omdat het dagloon onder het wettelijk minimumloon lag en haar eerdere inkomsten uit loondienst niet waren meegewogen.

De rechtbank oordeelde dat het UWV de nationale wetgeving rekenkundig juist had toegepast, maar dat de uitkomst in dit concrete geval onverenigbaar was met het VN-Vrouwenverdrag. De lage winst in de opstartfase van de onderneming mag niet worden gezien als ondernemersrisico dat leidt tot het ontbreken van inkomenszekerheid. Omdat eiseres substantiële arbeid had verricht, waaronder loondienst, moest het dagloon worden vastgesteld op het minimumloon van € 89,28 bruto per dag.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en het herzieningsbesluit van het UWV, stelde het dagloon vast op het minimumloon en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen over de terugvordering. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van wettelijke rente, griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het dagloon van eiseres wordt vastgesteld op het minimumloon en het UWV moet een nieuw terugvorderingsbesluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/1139

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. M. Tracey)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. M. van Nederveen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de herziening en terugvordering van de zwangerschaps- en bevallingsuitkering voor zelfstandigen (Wazo/ZEZ-uitkering) van eiseres over de periode van 8 februari 2023 tot en met 31 mei 2023. Het Uwv heeft het dagloon herzien naar € 26,73 en heeft een bedrag van € 5.545,60 bruto van eiseres teruggevorderd. In het besluit op bezwaar is het Uwv hierop niet teruggekomen. De rechtbank moet de juistheid hiervan beoordelen aan de hand van wat eiseres hiertegen heeft aangevoerd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het toekenningsbesluit van 27 februari 2023 heeft het Uwv aan eiseres met ingang van 8 februari 2023 tot 31 mei 2023 een zwangerschaps- en bevallingsuitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (Wazo/ZEZ) toegekend.
2.1.
Met het besluit van 11 november 2024 (herzieningsbesluit) heeft het Uwv de Wazo/ZEZ-uitkering van eiseres met terugwerkende kracht vanaf 8 februari 2023 herzien en het dagloon definitief vastgesteld op € 26,73 bruto per dag.
2.2.
Met het besluit van 25 november 2024 (terugvorderingsbesluit) heeft het Uwv een bedrag van € 5.545,60 bruto aan te veel betaalde Wazo/ZEZ-uitkering over de periode van 8 februari 2023 tot en met 31 mei 2023 van eiseres teruggevorderd.
2.3.
Met het besluit op bezwaar van 6 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van eiseres tegen het herzieningsbesluit en het terugvorderingsbesluit ongegrond verklaard.
2.4.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.5.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en een aanvullend verweerschrift van 21 oktober 2025.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het Uwv. De gemachtigde van eiseres is niet ter zitting verschenen.

Besluitvorming

3. De hoogte van de uitkering in het toekenningsbesluit is gebaseerd op een voorlopig bruto dagloon van € 96,05. Dit voorlopige dagloon was gebaseerd op de door eiseres geschatte inkomsten als zelfstandige over het kalenderjaar 2022 van € 25.000,-.
3.1.
Met het herzieningsbesluit heeft het Uwv het dagloon van eiseres met terugwerkende kracht vanaf 8 februari 2023 herzien en definitief vastgesteld op € 26,73 bruto per dag. Het Uwv heeft hieraan ten grondslag gelegd dat uit de definitieve belastingaanslag over het kalenderjaar 2022 is gebleken dat de winst uit onderneming € 3.717,- bedroeg. Omdat dit lager is dan het voorlopig opgegeven bedrag, is het dagloon herzien. Het Uwv heeft hierbij een deel van de winst uit onderneming over 2023 meegewogen om tot een voor eiseres zo gunstig mogelijke berekening te komen.
3.2.
Met het terugvorderingsbesluit heeft het Uwv een bedrag van € 5.545,60 bruto aan te veel betaalde Wazo/ZEZ-uitkering over de periode van 8 februari 2023 tot en met 31 mei 2023 van eiseres teruggevorderd.
3.3.
Met het bestreden besluit heeft het Uwv de bezwaren van eiseres tegen de herziening en de terugvordering ongegrond verklaard. Het Uwv heeft hieraan - voor zover hier van belang - samengevat ten grondslag gelegd dat eiseres in 2022 minder dan 1.225 uren als zelfstandige heeft gewerkt, waardoor haar uitkering moet worden gebaseerd op haar feitelijke ondernemersinkomsten in de referteperiode. Op grond van de definitieve belastingaanslag over 2022 bedroeg de winst uit onderneming € 3.717,- wat leidt tot een definitief bruto dagloon van € 26,73. Omdat het voorlopige dagloon was gebaseerd op een hogere inkomensschatting (€ 25.000,-), heeft eiseres volgens het Uwv over een periode van 80 dagen in totaal € 5.545,60 bruto te veel aan uitkering ontvangen. De wet biedt volgens het Uwv geen ruimte om inkomsten uit loondienst mee te wegen of om vanwege financiële redenen van terugvordering af te zien.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
4. De voor de beoordeling van deze zaak relevante wet- en regelgeving is opgenomen in een bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Is de vaststelling van het dagloon in strijd met het VN-Vrouwenverdrag?
5. Eiseres voert aan dat het Uwv het dagloon in strijd met artikel 11, tweede lid, aanhef en onder b, van het VN-Vrouwenverdrag heeft vastgesteld op een bedrag onder het wettelijk minimumloon. Daartoe stelt zij dat zij als startende zelfstandige voorafgaand aan haar verlof nog geen representatief loonniveau kon opbouwen en dat het Uwv haar eerdere inkomsten uit loondienst ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten. De huidige wettelijke systematiek dwingt startende vrouwelijke ondernemers tot een keuze tussen gezinsuitbreiding en hun carrière om een periode zonder inkomen te voorkomen. Nu dit risico zich bij mannen niet voordoet, is sprake van verboden discriminatie. Eiseres verwijst ter onderbouwing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 25 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:218 en de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 23 december 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:12820.
5.1.
De rechtbank moet beoordelen of het Uwv de referteperiode en de grondslag voor de uitkering conform de nationale wetgeving juist heeft vastgesteld en of de uitkomst van die berekening verdragsrechtelijk aanvaardbaar is.
Berekening
5.2.
Het Uwv heeft de nationale wetgeving rekenkundig juist toegepast. Artikel 3:23 van Pro de Wazo kent twee strikte hoofdregels: een uitkering op het minimumloon bij ten minste 1.225 gewerkte ondernemersuren in het voorafgaande kalenderjaar, of een berekening op basis van de gemiddelde belastbare dagwinst uit het boekjaar voorafgaand aan het verlof. De wet biedt geen formele grondslag om inkomsten of gewerkte uren uit een eerdere loondienstperiode mee te wegen. Het Uwv was op grond van deze nationale systematiek dan ook in beginsel verplicht om het dagloon vast te stellen op € 26,73 bruto per dag.
Aanvaardbaarheid
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is de uitkomst van deze dagloonberekening in dit concrete geval evenwel onverenigbaar met het VN-Vrouwenverdrag. Artikel 11, tweede lid, aanhef en onder b, van het VN-Vrouwenverdrag heeft rechtstreekse werking. [1] Het hiermee nagestreefde minimumresultaat is onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig: voor iedere vrouw die inkomensvormende arbeid verricht, moet bevallingsverlof met behoud van een zeker inkomen openstaan. [2] Een bruto-uitkering van € 26,73 per dag (ongeveer € 580,- per maand) ligt zó ver onder het bestaansminimum dat deze objectief gezien geen inkomenszekerheid biedt. Het standpunt van het Uwv dat deze situatie verschilt van een nihil-uitkering, miskent dat van een “zeker inkomen” als door het VN-Vrouwenverdrag bedoeld in dit geval - materieel gezien - geen sprake is. Strikte toepassing van nationale regels mag er in de praktijk niet toe leiden dat startende vrouwelijke ondernemers verstoken blijven van de door het VN-Vrouwenverdrag gegarandeerde inkomensbescherming. [3]
5.4.
Uit het verdragsperspectief vloeit voort dat niet de formele neutraliteit van een regeling, maar de feitelijke uitsluiting van inkomenszekerheid in een specifiek geval de verdragsschending oplevert. [4] Het beroep van het Uwv op de zaak Nguyen/Nederland (2006) treft geen doel. Die zaak betrof een wezenlijk andere rechtsvraag en de daaruit voortvloeiende strikte benadering is door de CRvB in zijn uitspraak van 25 januari 2024 niet gevolgd. [5]
5.5.
Omdat eiseres in het refertejaar door de combinatie van haar loondienstperiode en haar startende onderneming aantoonbaar een substantiële omvang aan arbeid heeft verricht - die het criterium van 1.225 uren evenaart of overschrijdt - mag de omstandigheid dat de fiscale winst in de opstartfase laag was er niet toe leiden dat zij verstoken blijft van toereikende inkomenszekerheid. De inkomsten van personen die beginnen als zelfstandig ondernemer zullen in de eerste tijd vaak nog niet de startuitgaven overtreffen, zodat van winst geen sprake is. [6] Anders dan het Uwv ter zitting heeft betoogd, is dat geen kwestie van ondernemersrisico. Hoewel het VN-Vrouwenverdrag geen dwingende verplichting kent om een uitkering altijd op het minimumloon vast te stellen, is de rechtbank van oordeel dat aansluiting bij de minimumloongarantie in dit geval gerechtvaardigd is om de verdragsdoelstelling effectief te verwezenlijken.
5.6.
De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 11, tweede lid, aanhef en onder b, van het VN-Vrouwenverdrag. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
6.1.
De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht gedeeltelijk zelf in de zaak te voorzien.
6.1.1.
Uit het voorgaande blijkt dat het Uwv het dagloon van eiseres over de periode van 8 februari 2023 tot 31 mei 2023 ten onrechte heeft herzien naar een niveau (ver) beneden het voor die periode geldende wettelijk minimumloon. Om de geconstateerde strijdigheid met het VN-Vrouwenverdrag op te heffen, dient het definitieve bruto dagloon over deze periode te worden vastgesteld op 100% van het destijds geldende wettelijk minimumloon per dag. [7] Dit minimumloon bedroeg in de genoemde periode € 1.934,40 bruto per maand, waarbij het wettelijk bruto dagloon is vastgesteld op € 89,28. De rechtbank zal het herzieningsbesluit van 11 november 2024 dan ook herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
6.1.2.
Omdat het dagloon van € 89,28 lager is dan het voorlopige dagloon van € 96,05, resteert er in zoverre een grondslag voor terugvordering. De hoogte daarvan zal echter opnieuw moeten worden vastgesteld. Het Uwv zal daarom over de terugvordering een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak, uitgaande van een dagloon van € 89,28 bruto.
Wettelijke rente
6.2.
Eiseres heeft verzocht om vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering. De rechtbank wijst dit verzoek toe. Voor de wijze waarop het Uwv de wettelijke rente dient te berekenen, verwijst de rechtbank ter voorlichting van partijen naar de uitspraak van de CRvB van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958. [8]
Griffierecht
6.3.
Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres krijgt daarnaast een vergoeding voor haar proceskosten. Het Uwv moet deze vergoeding betalen.
Proceskosten
6.4.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend (1 punt). Met toepassing van wegingsfactor 1 bedraagt de vergoeding van de proceskosten daarom € 934,-.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 6 januari 2025;
  • herroept het herzieningsbesluit van 11 november 2024, stelt het dagloon van eiseres over de periode van 8 februari 2023 tot 31 mei 2023 vast op € 89,28 bruto en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
  • veroordeelt het Uwv tot vergoeding aan eiseres van wettelijke rente zoals onder 6.2 van deze uitspraak is vermeld;
  • draagt het Uwv op om over de terugvordering een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat het Uwv het griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.C. Bannink, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Artikel 11, tweede lid, van het VN-Vrouwenverdrag (voor zover van belang)
“Ten einde discriminatie van vrouwen op grond van huwelijk of moederschap te voorkomen en het daadwerkelijke recht van vrouwen op arbeid te verzekeren, nemen de Staten die partij zijn bij dit Verdrag passende maatregelen om: (...)
b. verlof wegens bevalling in te voeren met behoud van loon of met vergelijkbare sociale voorzieningen, zonder dat dit leidt tot verlies van de vroegere werkkring, de behaalde anciënniteit of de hun toekomende sociale uitkeringen.”
Artikel 3:18 tweede Pro lid, van de Wazo
De vrouwelijke zelfstandige heeft in verband met haar zwangerschap en bevalling recht op uitkering gedurende ten minste zestien weken. Artikel 3:1, vijfde lid, en artikel 3:3, tweede lid, tweede volzin, zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3:23 van Pro de Wazo
De uitkering in verband met zwangerschap en bevalling wordt overeenkomstig artikel 8 van Pro de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen berekend naar de grondslag met dien verstande dat bij de overeenkomstige toepassing van het derde lid van dat artikel voor «intreden van zijn arbeidsongeschiktheid als beroepsbeoefenaar» wordt gelezen: de ingangsdatum van het recht op uitkering.
De uitkering bedraagt per dag 100% van de grondslag en wordt ter zake van de vakantie-uitkering verhoogd met 8%.
Zo nodig in afwijking van het tweede lid en van artikel 3:29, derde lid, onder b, bedraagt de uitkering in verband met zwangerschap en bevalling 100% van het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, indien de vrouwelijke zelfstandige in het kalenderjaar voorafgaand aan het jaar waarin het recht op uitkering ontstaat als zelfstandige, aan werkzaamheden voor één of meer ondernemingen tenminste het aantal uren heeft besteed dat is vermeld in artikel 3.6, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001.
(…)
Het aantal uren dat is vermeld in artikel 3.6, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 bedraagt 1225 uren.
Artikel 8, eerste en tweede lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (Waz) (berekeningswijze uitkeringsbedrag)
De arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt berekend naar de grondslag.
Voor de verzekerde, bedoeld in artikel 4, is de grondslag:
a. hetgeen hij in het boekjaar, onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn arbeidsongeschiktheid als zelfstandige gemiddeld per dag aan winst heeft genoten; (…)

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de CRvB van 27 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2461.
2.Zie de uitspraken van de CRvB van 25 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:218 en van 28 oktober 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2245. Zie tevens ter vergelijking over de rechtstreekse werking: Hoge Raad 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928 (Rookverbod-arrest).
3.Zie de uitspraak van de CRvB van 25 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:218, r.o. 4.12; zie ook de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 23 december 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:12820.
4.Vergelijk CEDAW 17 februari 2014, Communication No. 36/2012 (De Blok e.a./Nederland).
5.Zie de uitspraak van de CRvB van 25 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:218, r.o. 4.7 en 4.9.
6.Zie de uitspraak van de CRvB van 25 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:218, r.o. 4.10.
7.Besluit van 3 oktober 2022 tot vaststelling van het wettelijk minimumloon met ingang van 1 januari 2023 (bijzondere verhoging en reguliere aanpassing), Stb. 2022, 381.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 29 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1613.