Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Conclusie en gevolgen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Soedanese nationaliteit dragende persoon, diende op 17 februari 2026 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Kroatië op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser stelde dat het besluit onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd was, met name vanwege zijn verklaringen over mishandeling door Kroatische grensautoriteiten en zijn psychische toestand.
De rechtbank oordeelde dat Kroatië terecht als verantwoordelijke is aangewezen en dat verweerder mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser slaagde er niet in met objectieve informatie aannemelijk te maken dat Kroatië niet betrouwbaar is of dat er een reëel risico bestaat op een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro.
Verder werd geoordeeld dat verweerder voldoende aandacht heeft besteed aan de verklaringen van eiser en dat een geloofwaardigheidsbeoordeling pas aan de orde is bij de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag. Ook was er geen sprake van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat eiser zijn psychische toestand niet met medische stukken had onderbouwd.
Ten slotte was er geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.