ECLI:NL:RBDHA:2026:1935

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
25/9222
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:83 AwbWet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling college Leiden in proceskosten na intrekking verzoek voorlopige voorziening

Verzoekster, zonder vaste woon- en verblijfplaats, maakte bezwaar tegen de afwijzing van haar verzoek om opvang en diende een verzoek om voorlopige voorziening in. Dit verzoek werd op 14 januari 2026 ingetrokken nadat het college van burgemeester en wethouders van Leiden had meegedeeld dat zij sinds 7 januari 2026 opvang in een hotel kreeg aangeboden.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek om proceskostenveroordeling en oordeelde dat het college aan verzoekster was tegemoetgekomen door opvang aan te bieden, waarmee het doel van de voorlopige voorziening was bereikt. Het standpunt van verweerder dat het e-mailbericht geen besluit zou zijn en het bezwaar en verzoek niet-ontvankelijk, werd verworpen.

De voorzieningenrechter wees het verzoek om proceskostenveroordeling toe en veroordeelde het college tot betaling van € 934,- aan verzoekster, gebaseerd op één punt voor de proceshandeling van het indienen van het verzoekschrift. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is onherroepelijk.

Uitkomst: Het college van burgemeester en wethouders van Leiden is veroordeeld tot betaling van € 934,- aan verzoekster wegens proceskosten na intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/9222

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , zonder vaste woon- en verblijfplaats, verzoekster

(gemachtigde: mr. L. Veenman),
en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder

(gemachtigde: F. Silva).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verzoekster heeft op 29 december 2025 bezwaar gemaakt tegen een e-mailbericht van 24 december 2025 waarbij haar verzoek om opvang is afgewezen en heeft ook een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
1.1.
Verzoekster heeft het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken op 14 januari 2026 omdat verweerder bij besluit van 8 januari 2026 heeft meegedeeld dat verzoekster sinds 7 januari 2026 opvang krijgt in een hotel zolang het onderzoek duurt naar aanleiding van haar melding voor reguliere maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
1.2.
Verweerder heeft per e-mailbericht van 13 januari 2026 gereageerd op het verzoek.
1.3.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
3.1.
In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt. [3]
Is verweerder aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. Verweerder is met het besluit van 8 januari 2026 aan verzoekster tegemoetgekomen door opvang aan te bieden. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoekster tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. [4] Verzoekster heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. [5] Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden.
4.1.
Het standpunt van verweerder dat het e-mailbericht van 24 december 2025 geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht en dat het bezwaar en het verzoek om een voorlopige voorziening daarom niet-ontvankelijk zou zijn, is geen bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. Wat er verder ook zij van deze specifieke e-mail, heeft verweerder door opvang aan te bieden aan verzoekster waar dit eerder door Stichting de Binnenvest was geweigerd een maatregel genomen in lijn met het verzoek om voorlopige voorziening. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen toe.
Welke kosten dient verweerder te vergoeden?
5. De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoekster heeft zich laten bijstaan door haar gemachtigde. Deze gemachtigde heeft een proceshandeling verricht: het indienen van een verzoekschrift. Deze proceshandeling levert één punt op met een waarde van € 934,- (
waarde per punt vanaf 1 januari 2026). Dat betekent dat de totale proceskosten die verweerder moet vergoeden € 934,- bedragen.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe.

Beslissing

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
3.Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
4.Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.
5.Vergelijk ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.