ECLI:NL:RBDHA:2026:19567

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
NL26.36938
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 50 Vreemdelingenwet 2000Art. 94 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring ondanks vertraagde kennisgeving

Deze zaak betreft het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring die op 1 juli 2026 aan hem is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betwist onder meer dat verweerder de rechtbank onverwijld heeft geïnformeerd over de oplegging van de maatregel.

De rechtbank constateert dat door een computerstoring de kennisgeving aan de rechtbank pas twee dagen na oplegging van de maatregel is verzonden, wat niet voldoet aan de wettelijke verplichting tot onverwijlde kennisgeving. Dit gebrek komt voor rekening van verweerder. Desondanks acht de rechtbank dit gebrek niet onrechtmatig omdat de rechtbank nog tijdig uitspraak kan doen binnen de wettelijke termijn van vijftien dagen, zodat eiser tijdig een oordeel krijgt over de rechtmatigheid van de bewaring.

Eiser voerde aan dat de maatregel onevenredig bezwarend is vanwege zijn astmatische klachten en eerdere bewaring in Zwitserland. De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat de maatregel passend is en dat de medische zorg in het detentiecentrum adequaat is. De belangenafweging leidt tot het oordeel dat het belang van verweerder bij voortzetting van de maatregel zwaarder weegt dan het belang van eiser.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter M. Kraefft en griffier R. Pronk op 15 juli 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard ondanks de vertraagde kennisgeving.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.36938

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J. van Dam).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel, onder meer omdat hij vindt dat verweerder de rechtbank hiervan niet onverwijld in kennis heeft gesteld.
1.2
De rechtbank concludeert dat verweerder de rechtbank niet onverwijld in kennis heeft gesteld van de bewaring. Dit is een gebrek. Door een computerstoring zitten er twee dagen tussen de oplegging van de maatregel en de kennisgeving. Deze storing komt voor rekening van verweerder. De rechtbank is echter van oordeel dat het gebrek de bewaring in dit geval niet onrechtmatig maakt. De rechtbank kan namelijk zonder problemen nog tijdig uitspraak doen zodat eiser binnen de wettelijke termijn van vijftien dagen na de oplegging ervan een oordeel heeft over de rechtmatigheid van de maatregel. Verweerders belang bij voortzetting van de maatregel is dan ook groter dan het belang van eiser. Het beroep is ongegrond.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 1 juli 2026 heeft verweerder aan eiser, die stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 2002, de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
2.1.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep is ook een verzoek om schadevergoeding. [1]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, mr. M.H.K. van Middelkoop als waarnemer van eisers gemachtigde, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Wat voorafging
3. Eiser is op 1 juli 2026 staande gehouden nadat hij in het kader van een Dublinoverdracht door Zwitserland aan Nederland was overgedragen. Eiser is op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw opgehouden. Hij is vervolgens gehoord in het bijzijn van een beëdigde tolk Marokkaans. In dit gehoor heeft hij aangegeven dat hij asiel wil aanvragen. Vervolgens is eiser in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw.
Is de rechtbank onverwijld in kennis gesteld van de bewaring?
4. Tussen partijen is in geschil of verweerder onverwijld na de bekendmaking van het besluit tot oplegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring de rechtbank hiervan in kennis heeft gesteld. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat de maatregel op 1 juli 2026 om 16:30 uur is opgelegd, maar dat de kennisgeving door een computerstoring in het systeem dat automatisch kennisgevingen verstuurt, pas op 3 juli 2026 om 12:16 uur naar het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken (CIV) van de rechtbank is verstuurd. Een medewerker heeft de kennisgeving na constatering van de storing alsnog handmatig naar het CIV verstuurd. Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat dit - in deze omstandigheden - nog onverwijld is en verwijst daarbij naar de uitspraak van deze rechtbank van 25 juni 2026. [2] Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat als de rechtbank dit niet onverwijld vindt, een belangenafweging moet plaatsvinden en dat zijn belang bij voortzetting van de maatregel dan prevaleert. De ratio van de verplichting tot onverwijlde kennisgeving is namelijk dat de rechtbank binnen vijftien dagen na oplegging van de maatregel een uitspraak moet doen over de rechtmatigheid daarvan. Die termijn is volgens verweerder niet in het gedrang gekomen.
4.1
In artikel 94, eerste lid, van de Vw is onder meer bepaald dat verweerder onverwijld na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59b, de rechtbank hiervan in kennis stelt.
4.2
De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder, nu hij pas na bijna twee dagen na de bekendmaking van de maatregel van vreemdelingenbewaring een kennisgeving heeft verstuurd naar de rechtbank, niet heeft voldaan aan zijn wettelijke plicht tot onverwijlde kennisgeving. Volgens de rechtbank betekent onverwijld: meteen, onmiddellijk. Kennisgeving na bijna twee dagen is dus niet onverwijld. Dat de oorzaak van de verlate kennisgeving een computerstoring was, maakt niet dat er om die reden toch sprake was van een onverwijlde kennisgeving. Die storing komt voor rekening van verweerder. Er is dus sprake van een gebrek.
4.3
Dit gebrek raakt echter niet rechtstreeks aan de rechtmatigheid van de maatregel en brengt dus niet automatisch mee dat de maatregel onrechtmatig is en daarom moet worden opgeheven. Bij de beantwoording van de vraag of de maatregel onrechtmatig is, is er ruimte voor een belangenafweging. De rechtbank is van oordeel dat die belangenafweging in dit geval in het voordeel van verweerder uitvalt omdat de rechtbank zonder problemen nog binnen de wettelijke termijn van vijftien dagen na oplegging van de maatregel, uitspraak kan doen over de rechtmatigheid daarvan. Eiser krijgt dus tijdig een oordeel over de rechtmatigheid van de bewaring en verder is niet gebleken dat hij nadeel heeft ondervonden door de niet onverwijlde kennisgeving. Het belang van verweerder bij voortzetting van de maatregel weegt in dit geval dan ook zwaarder. De rechtbank ziet daarom in dit gebrek geen reden om de maatregel op te heffen.
Is de maatregel van vreemdelingenbewaring onevenredig bezwarend?
5. Eiser voert aan dat de maatregel onevenredig bezwarend is. Hij is astmatisch waardoor hij moeite heeft met ademhalen en hij heeft last van zijn oor. Ook heeft hij in Zwitserland al eerder in vreemdelingenbewaring gezeten.
5.1
De rechtbank is van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat de maatregel in eisers geval niet onevenredig bezwarend is en dat niet kan worden volstaan met een lichter middel. Verweerder heeft eiser in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling vragen gesteld over zijn medische omstandigheden. Eiser heeft hierop geantwoord dat hij pufjes heeft voor astma en dat hij oorklachten heeft waarvoor hij geen medicatie heeft. Hij heeft geen psychische klachten. Verweerder heeft voor deze medische klachten kunnen verwijzen naar de medische zorg die in het detentiecentrum aanwezig is. Eiser heeft niet onderbouwd dat die medische zorg voor zijn klachten ontoereikend is. Verweerder heeft verder in de omstandigheid dat hij in Zwitserland al in bewaring heeft gezeten ook geen reden hoeven zien om een lichter middel toe te passen. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
6. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen reden om te oordelen dat deze maatregel onrechtmatig is opgelegd of voortduurt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond.
Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af. Gezien de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 maart 2026 [3] is er in dit geval geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Pronk, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw.
2.Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 25 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:17144.