ECLI:NL:RBDHA:2026:19571

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
NL25.54870
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 EU Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling aanvullend terugkeerbesluit naar Algerije in vreemdelingenrechtelijke procedure

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiser tegen een aanvullend terugkeerbesluit van de minister van Asiel en Migratie, waarin Algerije is aangewezen als land van terugkeer. De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 behandeld en concludeert dat het terugkeerbesluit in stand kan blijven.

De minister baseert het terugkeerbesluit op de dubbele nationaliteit van eiser, waarbij Algerije als terugkeerland wordt aangenomen. De diplomatieke vertegenwoordiging van Algerije bevestigde de nationaliteit van eiser en gaf een toezegging af. Eiser voerde aan dat hij niemand in Algerije heeft en dat onvoldoende is onderzocht of hij daar wordt toegelaten, maar deze argumenten werden door de rechtbank verworpen.

De rechtbank oordeelt dat de minister een deugdelijke en geactualiseerde refoulementbeoordeling heeft verricht, waarbij is vastgesteld dat eiser geen reëel risico loopt op schending van het non-refoulementbeginsel bij terugkeer naar Algerije. Het beroep is daarom ongegrond verklaard, het terugkeerbesluit blijft van kracht en eiser hoeft geen griffierecht te betalen noch proceskosten vergoed te krijgen.

Uitkomst: Het beroep tegen het aanvullend terugkeerbesluit naar Algerije wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.54870

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam],

V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. M.A.M. Karsten),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. F. Evers).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het aan eiser opgelegde aanvullend terugkeerbesluit. Eiser is het niet eens met dit besluit. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het aanvullend terugkeerbesluit in stand kan blijven. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 6 november 2025 heeft de minister aan eiser een aanvullend terugkeerbesluit opgelegd voor Algerije.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Bestreden besluit
3. In het bestreden heeft de minister tegen eiser een aanvullend terugkeerbesluit uitgevaardigd, waarmee het eerder aan eiser uitgereikte terugkeerbesluit van 29 april 2019 wordt aangevuld. De terugkeerinspanningen van de Nederlandse overheid zullen zich richten op terugkeer naar Algerije. Hieraan legt de minister ten grondslag dat eiser heeft aangegeven een dubbele nationaliteit te hebben en niet is gebleken dat eiser niet de nationaliteit van Algerije heeft. Dat eiser niemand heeft in Algerije doet daar niet aan af. De minister heeft in de door eiser aangevoerde omstandigheden geen aanleiding gezien om van de uitvaardiging van het terugkeerbesluit af te zien.
Overwegingen
Griffierecht
4. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding dat verzoek toe te wijzen. Eiser hoeft dus geen griffierecht te betalen.

Procesbelang

5. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij zijn beroep. De minister heeft op 13 februari 2026 aan de rechtbank meegedeeld dat eiser volgens meldingen van het COa [1] op 15 januari 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. Op 5 maart 2026 heeft de gemachtigde van eiser meegedeeld dat hij nog contact heeft met eiser en hij in Nijmegen verblijft bij vrienden. Gelet op deze omstandigheden vindt de rechtbank, net als de minister op de zitting, dat procesbelang nog aanwezig is. [2]
Terugkeerbesluit
6. Eiser voert aan dat de minister in situaties waarin de identiteit of nationaliteit van de vreemdeling niet volledig vaststaat, alleen een terugkeerland mag baseren op redelijke aannames. Eiser stelt dat de minister gebrekkig en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij uitgaat van het terugkeerland Algerije. Uit het dossier van eiser blijkt dat er vooral wordt aangenomen dat eiser uit Marokko komt en niet uit Algerije. Eiser heeft niemand in Algerije en zijn moeder woont in Marokko. Bovendien is onvoldoende onderzocht of eiser wordt toegelaten tot Algerije en hoe hij daar zelf tegenaan kijkt. Eiser voert aan dat het handelen van de minister in strijd is met het EU recht.
7. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om Algerije aan te nemen als land waar eiser naartoe dient terug te keren. De diplomatieke vertegenwoordiging van Algerije heeft de nationaliteit van eiser namelijk op 27 oktober 2025 bevestigd. [3] In het vertrekgesprek van 12 november 2025 wordt dit bevestigd en wordt er aangegeven dat de autoriteiten van Algerije een LP [4] -toezegging hebben afgegeven. De beroepsgrond slaagt niet.
8. De rechtbank overweegt vervolgens dat de minister op basis van wat eiser aanvoert en op basis van de gegevens uit het dossier en informatie over het land van herkomst een geactualiseerde refoulementbeoordeling dient te maken. Dat betekent dat hij zich ervan moet vergewissen dat de betrokken derdelander bij terugkeer naar zijn land van herkomst geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van Pro het EU Handvest. [5]
8.1.
De rechtbank stelt vast dat in het aanvullend terugkeerbesluit een land van terugkeer - Algerije - is opgenomen. Omdat dit besluit een aanvulling is op het eerder genomen terugkeerbesluit van 29 april 2019 en in dit terugkeerbesluit al een vaststelling van eisers onrechtmatig verblijf en een terugkeerverplichting waren opgenomen, is sprake van een geldig terugkeerbesluit dat aan alle aan een terugkeerbesluit te stellen eisen voldoet.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister een deugdelijke refoulementbeoordeling heeft verricht. In het gehoor [6] voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit is met eiser gesproken over terugkeer naar Algerije. Eiser is gevraagd of hij te vrezen heeft voor vervolging en/of onmenselijke/vernederende behandeling waartegen de autoriteiten van Algerije niet kunnen beschermen, waarop eiser ontkennend heeft geantwoord. Eiser is ook gevraagd of er een reden is waarom hij niet terug zou kunnen naar Algerije, waarop hij antwoordt “ik heb nooit in Algerije gewoond, waarom moet ik terug naar Algerije. Het is niet mogelijk om naar Algerije te gaan, ik heb daar niemand. Mijn moeder woont in Marokko.” De rechtbank overweegt dat de minister tegen deze achtergrond in het bestreden besluit terecht heeft gesteld dat niet is gebleken dat afgezien moet worden van het opleggen van een aanvullend terugkeerbesluit.
8.3.
Ook in beroep is niet nader geconcretiseerd dat bij terugkeer naar Algerije sprake is van een non-refoulement schending. Dat eiser in een asielprocedure is verwikkeld, is daarvoor onvoldoende. De minister heeft er daarbij terecht op gewezen dat de asielaanvraag van eiser op 23 januari 2026 is afgewezen. Eisers asielrelaas is in deze procedure door de minister ongeloofwaardig geacht. Dat de bewaring van eiser met de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 2 januari 2026 [7] is opgeheven, maakt niet dat geen aanvullend terugkeerbesluit mocht worden opgelegd door de minister. Eiser heeft namelijk onvoldoende concreet gemaakt dat deze uitspraak relevant is voor het opgelegde terugkeerbesluit.
8.4.
Gelet op het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van concrete aanwijzingen voor de conclusie dat de minister door uitvoering te geven aan het terugkeerbesluit het beginsel van non-refoulement schendt.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het terugkeerbesluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van
mr. J. Dijkstra, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Centraal Orgaan opvang asielzoekers.
2.Vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.
3.Model M120.
4.Laissez-passer.
5.Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4178.
6.AVIM-gehoor van 6 november 2025.