ECLI:NL:RBDHA:2026:19580

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
12160401 \ RP VERZ 26-50383
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:629 BWArt. 6 WMLArt. 15 WMLArt. 16 WML
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op zondagtoeslag en KPT-toeslag tijdens arbeidsongeschiktheid volgens VGL-CAO

Werknemer trad in juni 2019 in dienst bij werkgever en viel onder de VGL-CAO. Hij werkte structureel op zondag en ontving daarvoor een toeslag. Na ziekmelding in april 2024 vorderde werknemer betaling van de zondagtoeslag tijdens arbeidsongeschiktheid en de KPT-toeslag over deze toeslag.

De rechtbank beoordeelde dat het loonbegrip in de VGL-CAO expliciet toeslagen voor bijzondere uren, zoals de zondagtoeslag, uitsluit. Hierdoor heeft werknemer geen aanspraak op deze toeslag tijdens ziekte, ondanks dat hij deze normaal ontving. De CAO wijkt niet ten nadele van de werknemer af van artikel 7:629 BW Pro, omdat de loondoorbetaling tijdens ziekte hoger is dan het wettelijke minimum van 70%.

Ook de KPT-toeslag wordt berekend over het kale uurloon zonder toeslagen, waardoor werknemer geen recht heeft op KPT-toeslag over de zondagtoeslag. De verzoeken van werknemer worden afgewezen en partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De verzoeken tot betaling van zondagtoeslag tijdens arbeidsongeschiktheid en KPT-toeslag over de zondagtoeslag worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
NvE/c
Zaaknummer / rekestnummer: 12160401 \ RP VERZ 26-50383
Beschikking van 27 juli 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: werknemer,
gemachtigde: mr. T. Harmankaya,
tegen
ALBERT HEIJN B.V.,
gevestigd te Zaandam,
verwerende partij,
hierna te noemen: werkgever,
gemachtigde: mr. M.Q. Cleton.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van 26 maart 2026 met bijlagen,
- het verweerschrift met bijlagen,
- de mondelinge behandeling van 6 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de mondelinge uitspraak op 6 juli 2026 met betrekking tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen verder een deelschikking bereikt en een uitspraak gevraagd op de hierna nog weer te geven twee loonverzoeken. De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Werknemer is op 26 juni 2019 in dienst getreden bij werkgever in de functie medewerker Verkoopklaar. Hij had laatst een overeenkomst voor 36 contracturen per vier weken.
2.2.
Op de arbeidsovereenkomst tussen partijen is de collectieve arbeidsovereenkomst voor personeel van grootwinkelbedrijven en levensmiddelen (hierna: VGL-CAO) van toepassing. Daarin staat dat onder het begrip ‘loon’ moet worden verstaan het bruto loon plus eventuele over- en meeruren en provisie (artikel 2 onder Pro n). Expliciet is vermeld dat de toeslagen voor bijzondere uren niet onder dit begrip vallen.
Het ‘all-in uurloon’ bestaat uit het uurloon, verhoogd met ADV (arbeidsduurverkorting), vakantieuren en vakantietoeslag (artikel 2 onder Pro o).
In artikel 7 staat Pro dat wanneer op een zondag wordt gewerkt, het uurloon dat wordt betaald wordt verhoogd met een toeslag 50% dan wel 100%.
Tot slot vermeldt artikel 10 dat Pro de werkgever bij ziekte van de werknemer de eerste 26 weken 100%, de tweede 26 weken 90% en het tweede jaar 80% van het loon waarop hij bij normale functie-uitoefening recht zou hebben gehad uitbetaald.
2.3.
Werknemer heeft zich op 8 april 2024 ziekgemeld.
2.4.
Bij werkgever worden werknemers die een contract hebben van 12 uur per week of minder aangeduid als Kort-parttimers (KPT’ers). Deze werknemers hebben recht op een KPT-toeslag. De KPT-toeslag bestaat naast de verhogingen genoemd onder all-in uurloon nog uit tijd-voor-tijd en winstuitkering. Totaal is dit een vast percentage aan toeslagen over het uurloon.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
Werknemer verzoekt uitbetaling van de zondagtoeslag tijdens de arbeidsongeschiktheid, alsmede de KPT-toeslag over de zondagtoeslag over de periode voor de arbeidsongeschiktheid.
3.2.
Aan het verzoek heeft werknemer ten grondslag gelegd dat werknemer voor zijn ziekmelding structureel op zondag werkte en daarvoor dus structureel een zondagtoeslag ontving. Op grond van artikel 10 VGL Pro-CAO moet tijdens arbeidsongeschiktheid het loon worden betaald waarop de werknemer bij normale functie-uitoefening recht zou hebben gehad. Bij de normale uitoefening had werknemer de zondagtoeslag ontvangen.
Werkgever heeft de zondagtoeslag niet over de all-in uurloon berekend en dat had wel gemoeten, vervolgens heeft werknemer recht op de KPT-toeslag over de zondagtoeslag. De zondagtoeslag is op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag ook loon waarover onder andere vakantietoeslag berekend moet worden.
3.3.
Werkgever verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe – kort gezegd – aan dat de zondagtoeslag niet hoeft te worden uitbetaald bij arbeidsongeschiktheid omdat daarvan bij CAO ten gunste van de werknemer is afgeweken. Daarnaast behoeft de KPT-toeslag alleen over het ‘kale’ uurloon te worden berekend. De zondagtoeslag valt niet onder het loonbegrip in de VGL-CAO.

4.De beoordeling

Geen zondagtoeslag tijdens ziekte
4.1.
Partijen houden hier twee onderwerpen verdeeld. In de eerste plaats hoe het begrip ‘
loon waarop hij bij normale functie-uitoefening recht zou hebben gehad’ in artikel 10 VGL Pro-CAO moet worden uitgelegd. In de tweede plaats of deze regeling in strijd is met artikel 7:629 lid 1 BW Pro, omdat deze regeling ten nadele afwijkt voor werknemer.
4.2.
Vooropgesteld moet worden dat een begrip in een CAO volgens vaste rechtspraak moet worden uitgelegd aan de hand van de zogenoemde “CAO-norm”. Die norm houdt in dat aan een bepaling in een CAO een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven. Daarbij zijn in beginsel de bewoordingen van de bepalingen, gelezen in het licht van de gehele tekst van de CAO, van doorslaggevende betekenis. Indien bedoelingen van CAO-partijen uit de bepalingen of een eventuele schriftelijke toelichting daarop kenbaar zijn voor alle individuele werknemers en/of werkgevers die niet bij de totstandkoming van de CAO zijn betrokken, kan daaraan naar objectieve maatstaven ook betekenis worden toegekend. Verder kan bij de uitleg acht worden geslagen op de elders in de CAO gehanteerde formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, mogelijke tekstinterpretaties kunnen leiden.
4.3.
Op grond van artikel 10 van Pro de VGL-CAO heeft werknemer bij arbeidsongeschiktheid aanspraak op 100% (tijdens de eerste 26 weken ziekte), respectievelijk 90% (over de volgende 26 weken ziekte) en 80% (gedurende het tweede ziektejaar) van het loon waarop hij bij normale functie-uitoefening aanspraak zou hebben gehad.
4.4.
In artikel 2 onder Pro n van de VGL-CAO is het begrip ‘loon’ gedefinieerd. Daarin staat vermeld dat toeslag voor bijzondere uren, zoals de zondagtoeslag, niet onder het begrip loon vallen. Deze uitleg voor het begrip loon geldt voor de hele VGL-CAO. Hieruit volgt dat voor de uitleg van cao-bepalingen niet het wettelijke loonbegrip uit artikel 7:629 BW Pro (en bijbehorende rechtspraak) bepalend is, maar de tekst en inhoud van de VGL-CAO zelf.
Hoewel werknemer structureel op zondag werkzaam was en dus bij zijn normale functie-uitoefening altijd de zondagtoeslag ontving, maakt de (beperkte) definiëring van het begrip loon in de VGL-CAO dat werknemer daar geen recht op heeft tijdens ziekte. Anders dan werknemer heeft betoogd volgt uit de zinsnede ‘waarop hij bij normale functie-uitoefening aanspraak zou hebben gehad’ niet dat de ‘vaste’ toeslagen in tegenspraak van het loonbegrip toch uitgekeerd zouden moeten worden. Dat zou de definitie in artikel 2 immers Pro zinledig maken. Die zinssnede moet eerder bezien worden in het licht van het aantal vaste uren dat werknemer werkzaamheden verrichtte op de zondag.
4.5.
Vervolgens komt het tweede geschilpunt aan de orde of deze cao-regeling in strijd is met artikel 7:629 lid 1 BW Pro, omdat deze volgens werknemer ten nadele van hem zou afwijken. De werkgever betoogt het tegenovergestelde.
4.6.
Een werknemer die arbeidsongeschikt is ten gevolge van ziekte, heeft op grond van artikel 7:629 BW Pro aanspraak op loondoorbetaling van 70% van het (maximum dag)loon, in het tweede jaar tot maximaal 70% van het minimumloon. Van de verplichting 70% van het naar tijdsruimte vastgestelde loon door te betalen tijdens ziekte kan, behoudens de hier niet aan de orde zijnde situatie van artikel 7:629 lid 9 BW Pro, niet bij CAO ten nadele van de werknemer worden afgeweken. Onder het (wettelijk) begrip ‘naar tijdsruimte vastgestelde loon’ vallen ook vaste toeslagen waar een werknemer recht op heeft naast het basissalaris.
4.7.
Het doel van deze wettelijke regeling is het bieden van inkomensbescherming aan de werknemer. De wetgever heeft hiermee willen voorkomen dat een werknemer zonder inkomen komt te zitten wanneer hij door ziekte of arbeidsongeschiktheid niet in staat is om zijn werk te doen. Artikel 7:629 lid 1 BW Pro regelt de minimale financiële bescherming die een werknemer behoort te krijgen. Nu kan ten voordele van de werknemer worden afgeweken van dit artikel, omdat daarmee de bescherming behouden blijft.
4.8.
De kantonrechter volgt werkgever in haar betoog dat de VGL-CAO in het voordeel van de werknemer afwijkt van de wettelijke regeling en daarom niet in strijd is met de wet. Daartoe wordt als volgt overwogen.
4.9.
Werkgever heeft in de VGL-CAO de loondoorbetaling voor de werknemer bij arbeidsongeschiktheid verhoogd naar 100% (1e 26 weken) respectievelijk 90% (2e 26 weken) en 80% (2e jaar) in plaats van de wettelijke 70% van het loon van de werknemer. Dat daarbij in de CAO in beperkende zin is afgeweken van het wettelijk loonbegrip ‘
naar tijdsruimte vastgestelde loon’ hoeft niet in strijd te zijn met de wettelijke regeling onder de voorwaarde dat daarbij de minimale financiële bescherming voor de werknemer wordt nagekomen. In dit geval is het loonbegrip in de VGL-CAO beperkt tot het brutoloon plus eventuele over-en meeruren en provisie, maar expliciet zonder de toeslagen. Werkgever heeft onweersproken gesteld, alsmede met productie 21 voldoende onderbouwd, dat met de uitbetaling aan werknemer van zijn loon conform de VGL-CAO gedurende zijn arbeidsongeschiktheid steeds meer is betaald dan het wettelijk minimum van 70% van zijn loon inclusief de zondagtoeslag. Het gevolg hiervan is dat de loondoorbetaling tijdens ziekte niet in strijd is geweest met het minimum van artikel 7:629 BW Pro (70% van het loon) en er dus niet ten nadele van de werknemer maar juist ten voordele is afgeweken van de wettelijke regeling. Werknemer kan niet op grond van artikel 7:629 BW Pro aanspraak maken op meer dan het wettelijk minimum. Dit betekent dat het verzoek van werknemer zal worden afgewezen.
Geen betaling KPT-toeslag over de zondagtoeslag
4.10.
Werknemer verzoekt uitbetaling van de KPT-toeslag over de zondagtoeslag. Werkgever betoogt dat de KPT-toeslag over het ‘kale’ uurloon (zonder alle toeslagen) van werknemer wordt berekend.
4.11.
Voor de beoordeling van dit geschilpunt is de tekst van de VGL-CAO leidend. Hoewel in artikel 2 het Pro begrip ‘uurloon’ niet afzonderlijk is gedefinieerd kan uit de definitie van het begrip ‘all-in uurloon’ wel worden gehaald dat het twee verschillende begrippen met verschillende betekenissen zijn. Het all-in uurloon is immers het uurloon plus de ADV, en vakantieuren en vakantietoeslag. Hieruit volgt dat het begrip uurloon een beperktere omvang heeft dan het begrip all-in uurloon. Verder volgt uit het loonbegrip dat het uurloon het bruto loon is met eventuele over- en meeruren en provisie, maar zonder de bijzondere toeslagen, zoals de zondagtoeslag. Omdat de KPT-toeslag wordt berekend over het uurloon (en niet het all-in uurloon) kan dit niet anders worden uitgelegd dan dat daarmee het uurloon zonder ADV, vakantieuren en vakantietoeslag wordt bedoeld. Dit betekent dat werkgever wordt gevolgd in haar betoog over de KPT-toeslag en het verzoek van werknemer wordt afgewezen.
4.12.
Werknemer wordt niet gevolgd in zijn betoog dat bovenstaande uitleg in strijd is met de systematiek van de CAO. Dat betoog gaat immers uit van de onjuiste aanname dat het ‘all-in uurloon’ gelijk te stellen is aan het ‘uurloon’ zoals genoemd in de CAO. Hiervoor is geoordeeld dat die twee termen niet te vereenzelvigen zijn.
4.13.
Voor zover werknemer heeft gewezen op artikel 6 in Pro verbinding met artikel 15 van Pro de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag dat over bijzondere toeslagen vakantietoeslag verschuldigd is, gaat dat niet op. In artikel 16 van Pro die wet staat vermeld dat daarvan bij CAO kan worden afgeweken onder de voorwaarde dat in ieder geval aan de minimumloongrens wordt voldaan. Gesteld noch gebleken is dat aan dat minimumvereiste niet wordt voldaan.
4.14.
Uit het voorgaande volgt dat de verzoeken van werknemer zullen worden afgewezen. Gelet op de schikking die partijen hebben bereikt en het gezamenlijke verzoek om op deze onderdelen te beslissen ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de verzoeken af,
5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. N.F.H. van Eijk en in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2026.