ECLI:NL:RBDHA:2026:19583

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
NL26.31073
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 96 lid 3 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

De minister van Asiel en Migratie legde op 18 april 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en de zaak op basis van stukken beoordeeld.

De rechtbank overwoog dat de maatregel van bewaring reeds eerder rechtmatig was bevonden tot 29 april 2026. De beoordeling richtte zich daarom op de periode daarna. Eiser voerde aan dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting binnen redelijke termijn is, maar de rechtbank volgde de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak dat zicht op uitzetting geen vereiste is voor voortduren van bewaring.

Verder stelde eiser dat een lichter middel passend was vanwege zijn psychische gesteldheid en het ontbreken van onttrekkingsrisico. De rechtbank oordeelde dat het onttrekkingsrisico nog steeds aanwezig is, mede gelet op een verklaring van eiser dat hij niet zal meewerken aan vertrek. De medische zorg in het detentiecentrum is adequaat en aanvullende maatregelen zijn getroffen. Een lichter middel is daarom niet nodig.

Ten slotte voerde eiser aan dat een belangenafweging in zijn voordeel uitvalt vanwege zijn psychische toestand, gezinsleven en rechtmatig verblijf. De rechtbank stelde dat deze belangen onvoldoende concreet zijn gemaakt en dat het belang van de overheid bij voortduren van de maatregel zwaarder weegt. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.31073

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Matadien),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 18 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 6 mei 2026 (in de zaak NL26.22208) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 29 april 2026.
Zicht op uitzetting
3. Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting binnen een redelijke termijn is.
4. De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) blijkt dat een zicht op uitzetting geen vereiste is voor (de voortduring van) bewaring op grond van artikel 59b Vw. In dit verband wijst de rechtbank op de recente uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2618. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
Lichter middel
5. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, omdat is gebleken dat inbewaringstelling te belastend is voor eisers psychische gesteldheid. Eiser heeft ter ondersteuning van dit standpunt medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat hij automutilatie heeft gepoogd en ook suïcidale uitingen heeft gedaan. Daarnaast betoogt eiser dat er geen onttrekkingsrisico aanwezig is bij eiser.
6. Voor de beroepsgrond over het opleggen van een lichter middel verwijst de rechtbank naar haar eerdere uitspraak van 6 mei 2026 (in de zaak NL26.22208), overwegingen 9 en 10. In die uitspraak is de rechtbank ingegaan op het onttrekkingsrisico dat bij eiser aanwezig is. Sinds het sluiten van het onderzoek in die zaak zijn er geen aanwijzingen dat dit onttrekkingsrisico aanzienlijk is verminderd. Immers, eiser verklaarde in het vertrekgesprek van 28 mei 2026 ‘Al krijg ik een LP, ik ga niet’. Deze uitspraak wijst erop dat eiser in Nederland wil blijven en niet zal meewerken aan een vertrek uit Nederland. Bij toepassing van een lichter middel is het risico te groot dat eiser zich zal onttrekken aan het toezicht. Over de belasting voor eisers psychische gesteldheid ten gevolge van de inbewaringstelling, merkt de rechtbank op dat uit de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1647) blijkt dat de medische zorg in het Detentiecentrum Rotterdam gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Eiser heeft niet concreet gemaakt waarom in het voorliggende geval de medische zorg in het Detentiecentrum Rotterdam ontoereikend is voor hem of dat hij detentieongeschikt is. De rechtbank acht het juist dat verweerder heeft geacteerd op de gepoogde automutilatie en suïcidale uitingen door eiser te plaatsen op de observatieafdeling en verweerder daarmee aanvullend toezicht houdt op eiser. Gelet op het onttrekkingsrisico dat bij eiser aanwezig is en de extra maatregel die is genomen in het detentiecentrum met betrekking tot zijn poging tot automutilatie en suïcidale uitingen, is een lichter middel naar het oordeel van de rechtbank niet benodigd. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Belangenafweging
7. Eiser voert vervolgens aan dat een belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen, omdat de voortduring van de bewaring niet langer in redelijkheid gerechtvaardigd is. Eiser brengt naar voren dat de medische en psychische toestand, het gezinsleven van eiser, eisers rechtmatige verblijf momenteel en het ontbreken van een concreet perspectief op uitzetting op korte termijn ten onrechte niet zijn meegenomen in een belangenafweging. Volgens eiser heeft verweerder daardoor nagelaten een op eiser toegespitste belangenafweging te maken in het voortgangsrapport.
8. Zoals de rechtbank in overweging 4 van deze uitspraak heeft overwogen, wordt er geen rol toegekend aan het zicht op uitzetting bij (de voortduring van) de voorliggende maatregel van bewaring op grond van artikel 59b Vw. Ook heeft de rechtbank vastgesteld dat de psychische toestand van eiser geen reden vormt voor een lichter middel. Verder had het op de weg van eiser gelegen om zijn gezinsleven en/of familiebanden aan te tonen, maar zijn deze niet concreet gemaakt. Dat eiser vanwege een asielaanvraag procedureel rechtmatig verblijf heeft, is ook niet doorslaggevend. Naar het oordeel van de rechtbank weegt het belang van verweerder bij voortduring van de maatregel daarom nog altijd zwaarder dan het belang van eiser bij invrijheidsstelling. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A. Vroegop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.