ECLI:NL:RBDHA:2026:19599

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
NL26.26117 einduitspraak
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 4 Handvest van de GrondrechtenArt. 17 lid 1 Verordening 604/2013Art. 24 lid 2 Handvest van de Grondrechten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verbod overdracht asielzoekster en kinderen naar Frankrijk wegens onvoldoende onderzoek refoulementrisico

Eiseres diende op 6 oktober 2025 een asielaanvraag in Nederland in, die door verweerder niet in behandeling werd genomen vanwege een overdrachtsbesluit naar Frankrijk. De rechtbank verklaarde eerder een soortgelijk overdrachtsbesluit gegrond en vernietigde dit. Verweerder stelde op 7 mei 2026 opnieuw een overdrachtsbesluit vast, waartegen eiseres beroep instelde.

De rechtbank oordeelt dat het BMA-advies, dat verweerder gebruikte ter onderbouwing van het overdrachtsbesluit, niet inzichtelijk en onvolledig is. Het advies beoordeelde slechts de reisvoorwaarden en niet alle relevante medische en psychische omstandigheden, waaronder die van twee van de drie minderjarige kinderen met ernstige problematiek. Hierdoor is het refoulementrisico onvoldoende onderzocht.

Verder heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met het belang van de kinderen en de medische behandelingen die zij ondergaan. Ook de psychische situatie van eiseres, waaronder suïcidale gedachten en trauma gerelateerde problematiek, is onvoldoende betrokken bij de beoordeling. De rechtbank concludeert dat de overdracht verboden moet worden en vernietigt het overdrachtsbesluit. Verweerder wordt opgedragen opnieuw te beslissen over de asielaanvraag. Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank verbiedt de overdracht van eiseres en haar kinderen naar Frankrijk en vernietigt het overdrachtsbesluit wegens onvoldoende onderzoek naar het refoulementrisico.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26117

Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , geboren op [geboortedatum] 1985,

V-nummer: [V-nummer] ,
eiseres
,
mede ten behoeve van haar drie minderjarige kinderen:
[Kind 1] ,geboren op [geboortedatum kind 1] 2013,
[Kind 2] ,geboren op [geboortedatum kind 2] 2015,
[Kind 3], geboren op [geboortedatum kind 3] 2018,
allen Marokkaanse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. M.Z. Sayin),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigden: mr. J. Raaijmakers en mr. S.H.J. Muijlkens).

Procesverloop

Eiseres heeft op 6 oktober 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
Verweerder heeft op 22 januari 2026 een overdrachtsbesluit vastgesteld en de aanvraag van eiseres niet in behandeling genomen.
De rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, heeft het beroep tegen dit besluit op 23 maart 2026 gegrond verklaard en het besluit vernietigd (in de zaak NL26.3980, deze uitspraak is niet gepubliceerd en is niet opgenomen in de interne databank, maar is bij beide partijen bekend). Tegen deze uitspraak hebben partijen geen rechtsmiddel aangewend.
Verweerder heeft op 7 mei 2026 wederom een overdrachtsbesluit vastgesteld en de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen.
Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening zodat zij de behandeling van het beroep in Nederland mag afwachten. In de onderhavige procedure beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van het besluit van 7 mei 2026 en het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.26118).
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 2 juni 2026 op zitting behandeld en op 3 juni 2026 een tussenuitspraak gedaan (ECLI:NL:RBDHA:2026:17901).
Verweerder heeft op 10 juni 2026 het op die dag tot stand gekomen BMA-advies overgelegd.
Eiseres heeft op 12 juni 2026 actuele informatie medische informatie overlegd en gereageerd op het BMA-advies.
Verweerder heeft in zijn brief van 17 juni 2026 het overdrachtsbesluit van 7 mei 2026 aanvullend gemotiveerd.
Eiseres heeft op 23 juni 2026 en op 8 juli 2026 haar beroepsgronden aangevuld en actuele medische informatie over haarzelf en haar kinderen overgelegd.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voortgezet op 9 juli 2026. Beide gemachtigden zijn verschenen. Verweerder heeft ter zitting in aanvulling op de beroepsgronden aangegeven dat de feitelijke overdracht niet meer kan worden geëffectueerd voor het verstrijken van de overdrachtstermijn. De rechtbank heeft verweerder daarop gevraagd om aan te geven of het besluit wordt gehandhaafd. Verweerder heeft om een nadere termijn verzocht om hier op te reageren, welk verzoek de rechtbank heeft ingewilligd.
Verweerder heeft enkele uren na de behandeling ter zitting aangeven het besluit te handhaven.
De rechtbank heeft vervolgens om 14:11 uur een bericht in het dossier geplaatst met de navolgende inhoud:
“De rechtbank stelt verweerder in de gelegenheid om tot 10 juli 2026, 12:00 uur, nader te reageren op de beroepsgronden van eiseres voor zover verweerder daartoe te weinig gelegenheid ter zitting heeft gehad. De rechtbank streeft er naar om uiterlijk op maandag 13
juli 2026 om 10:00 uur uitspraak te doen.”.
Verweerder heeft geen gebruik gemaakt van deze door de rechtbank geboden gelegenheid.
De rechtbank heeft het onderzoek op 10 juli 2026 om 12:18 uur gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1985 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Haar drie kinderen zijn geboren op [geboortedatum kind 1] 2013, [geboortedatum kind 2] 2015 en [geboortedatum kind 3] 2018 en zijn dus minderjarig ten tijde van de behandeling van hun beroep tegen het overdrachtsbesluit.
2. Tussen Nederland en Frankrijk is op 21 januari 2026 een claimakkoord tot stand gekomen. Verweerder wil dit overdrachtsbesluit uitvoeren.
3. Eiseres verzoekt de overdracht te verbieden, dan wel te bepalen dat verweerder, net als in zijn besluit van 22 januari 2026, onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de asielaanvraag onverplicht te behandelen.
4. Verweerder heeft ter zitting van 9 juli 2026 aangegeven dat de Franse autoriteiten 21 dagen voorafgaand aan een feitelijke overdracht hierover geïnformeerd willen worden indien andere lidstaten verzoekers met medische of psychische problematiek willen overdragen en dat daardoor de feitelijke overdracht niet meer zal kunnen plaatsvinden tenzij de rechtbank een voorlopige voorziening treft. Verweerder heeft daarom -wederom- verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 3 juni 2026 hierover onder meer het navolgende overwogen:
(…)
“6… Zoals besproken ter zitting ziet de rechtbank geen aanleiding om op dit moment een voorlopige voorziening toe te wijzen. Het verzoeken om een dergelijke voorziening is een rechtsmiddel dat ertoe strekt dat eiseres de behandeling van het beroep in Nederland mag afwachten. Door tijdig om een voorlopige voorziening te verzoeken heeft eiseres reeds bereikt dat zij niet kan worden overgedragen voordat uitspraak op haar beroep wordt gedaan. Het toewijzen van de gevraagde voorziening is hiervoor dus niet nodig. Een voorlopige voorziening is een rechtsmiddel voor eiseres en is niet bedoeld om de overdrachtstermijn ‘veilig te stellen’….
(…).
5. De rechtbank herhaalt dat het kunnen verzoeken om een voorlopige voorziening een rechtsmiddel voor eiseres is waarmee kan worden bewerkstelligd dat de uitspraak op het beroep tegen het overdrachtsbesluit in Nederland mag worden afgewacht. Het toewijzen van een dergelijke voorziening om een lidstaat in staat te stellen om de feitelijke overdracht te effectueren vanwege de gevolgen voor de overdrachtstermijn indien in eerste aanleg een dergelijk verzoek wordt toegewezen, is in strijd met de bedoeling van de Uniewetgever om de lidstaten te verplichten om in Dublinprocedures aan verzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel te bieden. Verweerder wéét ook dat de rechtbank dit dus niet zal doen. De rechtbank merkt hierbij op dat de Franse autoriteiten in het claimverzoek van 22 januari 2026 melding hebben gemaakt van de voorwaarden die zij stellen aan het accepteren van de overdracht en dat verweerder daarom al op 22 januari 2026 op de hoogte had kunnen zijn dat de Franse autoriteiten eisen dat “ s'il existe un handicap important ou une pathologie grave nécessitant une prise en charge hospitalière, les informations relatives aux besoins particuiiers du demandeur sont transmises au moins 20 jours travaillés français avant la date du transfert.”. De feitelijke overdracht van eiseres en haar kinderen had dus tenminste 20 werkdagen voor de overdrachtsdatum aan de Franse autoriteiten moeten worden medegedeeld. De rechtbank heeft ter zitting besproken dat op het niveau van de lidstaten besproken kan worden dat deze termijn, gelet op de initiële overdrachtstermijn, relatief lang is, maar dat dit onverlet laat dat de Uniewetgever strikte termijnen heeft bepaald om niet alleen te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is, maar ook om de overdracht aan die lidstaat te effectueren. Dat de overdrachtstermijn in deze procedure niet volstaat om eiseres en haar kinderen over te dragen, is, daargelaten de uitspraak in de onderhavige procedure, met name gelegen in de gegrondverklaring van een eerder overdrachtsbesluit en de noodzaak om een BMA-advies te vragen. De rechtbank heeft toegelicht dat deze procedure tweemaal buiten het zittingsrooster om ter zitting is geagendeerd om te voorkomen dat de agendering van zaken door de rechtbank reeds de uitkomst van de procedure bepaalt. Het tijdsverloop in deze procedure is evenmin veroorzaakt door de proceshouding van eiseres. Eiseres heeft steeds tijdig medische informatie verstrekt en heeft zich flexibel opgesteld bij het bepaling van de zittingsdata en eiseres heeft zich tijdens het onderzoek ter zitting op 2 juni 2026 laten bijstaan door een waarnemer van de gemachtigde van eiseres. De conclusie is dan ook dat de strikte termijnen in Verordening 604/2013 in dit geval tot gevolg hebben dat Nederland, naar alle waarschijnlijkheid, verantwoordelijk wordt voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag van eiseres en haar kinderen.
6. Verweerder heeft te kennen gegeven niet in staat te zijn om de feitelijke overdracht te kunnen realiseren gelet op de resterende tijd van de overdrachtstermijn maar desondanks het besluit te handhaven omdat dit besluit, volgens verweerder, juridisch juist is. De rechtbank zal de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit controleren. Verweerder heeft nog steeds belang bij de beoordeling van zijn besluit. Totdat de overdrachtstermijn verstrijkt kunnen zich nog omstandigheden voordoen waaruit een bevoegdheid voor verweerder voortvloeit om de overdrachtstermijn te verlengen. Ook hebben beide partijen zich gedegen ingespannen om hun standpunten juridisch en anderszins te onderbouwen, zodat ook om die reden een inhoudelijke beoordeling van het overdrachtsbesluit en de daartegen gerichte beroepsgronden op zijn plaats is.
7. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en motiveert dit als volgt.
8. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, in haar uitspraak van 23 maart 2026 reeds heeft vastgesteld dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres. De rechtbank overweegt dat de uitspraak van 23 maart 2026 weliswaar in rechte vaststaat maar dat de vraag of het beginsel van non-refoulement aan de overdracht in de weg staat en de overdracht daarom moet worden verboden, een actuele beoordeling vereist. Na de uitspraak van 23 maart 2026 heeft eiseres medische informatie overgelegd over haarzelf en haar kinderen en eiseres stelt zich op het standpunt dat de gezondheidssituatie van haar en haar kinderen meebrengen dat de overdracht zal leiden tot een schending van artikel 4 van Pro het Handvest. Verweerder heeft om dit te onderzoeken een BMA-advies laten opstellen. De rechtbank zal dus moeten beoordelen of de informatie die beschikbaar is gekomen na de uitspraak van 23 maart 2026 gevolgen heeft voor die eerder door de rechtbank verrichte beoordeling. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak dan ook op grond van deze actuele informatie of Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag en zo ja, of verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding ziet om de asielaanvraag onverplicht te behandeling en zo ja, of deze beslissing niet onredelijk is.
9. De beroepsgrond van eiseres dat verweerder onvoldoende aan zijn vergewisplicht heeft voldaan slaagt. Daargelaten dat niet inzichtelijk is welke informatie door welke behandelaar door de BMA-arts is betrokken bij het advies, heeft eiseres terecht naar voren gebracht dat de BMA-arts nader had moeten nagaan in hoeverre het suïcide-risico dreigt, waarvan uit de overgelegde objectieve medische informatie blijkt dat dit verband houdt met de mogelijke overdracht. De BMA-arts heeft in de ‘nota niet-inhoudelijke afdoening BMA’ meerdere vragen geformuleerd voor de behandelend huisarts en de eventuele behandelaar(s) van de SGGZ. Ook indien uit de overgelegde informatie niet aanstonds blijkt of eiseres in een verder verleden ook suïcidale gedachten heeft gehad, ligt het op de weg van de BMA-arts om de behandelaars nogmaals te benaderen en navraag te doen of die informatie bekend is uit het behandeltraject. Indien die informatie dan uitblijft is, zonder nadere toelichting, niet begrijpelijk waarom in het BMA-advies onder meer is vermeld dat ‘er geen voorgeschiedenis met een suïcidepoging of andere crisissituaties zoals een gedwongen opname is’ in plaats van dat dit ‘onbekend’ is. Door dit zo in het BMA-advies weer te geven is niet duidelijk waarop deze conclusie is gebaseerd en is ook niet inzichtelijk in hoeverre het ontbreken van een dergelijke voorgeschiedenis van invloed is geweest op het uiteindelijke BMA-advies waarop verweerder zijn aanvullende overdrachtsbesluit baseert. Omdat een suïcide-risico een 4 Handvest-risico is, leidt dit gebrek aan inzichtelijkheid tot de conclusie dat verweerder het BMA-advies niet aan zijn (aanvullende) overdrachtsbesluit ten grondslag kan leggen. Deze vaststelling leidt reeds tot de conclusie dat het (aanvullende) overdrachtsbesluit moet worden vernietigd.
10. De rechtbank overweegt voorts dat de wijze waarop BMA heeft onderzocht of de gezondheidssituatie van eiseres en haar kinderen in de weg staat aan de overdracht niet volstaat als refoulementbeoordeling. De beoordeling die het BMA verricht is te beperkt omdat BMA alleen onderzoekt of de feitelijke overdracht kan plaatsvinden en of hieraan specifieke reisvoorwaarden moeten worden gesteld. Het Hof heeft in het arrest C.K. verduidelijkt dat artikel 4 Handvest Pro een algemene regeling is en dus niet alleen betrekking heeft op ‘systeemfouten in de asielprocedure en asielopvang’. De uitleg die in de nationale rechtspraak doorgaans wordt gegeven aan dit arrest is, naar het oordeel van de rechtbank, te beperkt en omvat geen beoordeling van alle feiten en omstandigheden die mogelijk tot een reëel en voorzienbaar risico op schending van artikel 4 Handvest Pro leiden. De rechtbank wijst in dit verband op de verwijzingsuitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 oktober 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:19325) en op de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 3 maart 2026 ( ECLI:NL:RBDHA:2026:4416, rechtsoverweging 9.1).
11. Eiseres heeft gewezen op het bericht van de psycholoog van 22 juni 2026 waarin onder meer het navolgende is vermeld:
(…)
"In de laatste fase van de behandeling ontving cliënte echter negatief nieuws vanuit de IND, waarbij een mogelijke terugkeer naar Frankrijk werd aangekondigd. Sindsdien is sprake van een duidelijke verslechtering van het psychisch functioneren. Cliënte raakte ernstig ontregeld en ervaart sindsdien een forse toename van angst, spanning, piekeren, en gevoelens van machteloosheid. Daarnaast rapporteert zij ernstige slaapproblemen, een sterk verminderde eetlust en voortdurende preoccupatie met haar juridische situatie. Tijdens meerdere behandelcontacten was cliënte zichtbaar geëmotioneerd, gespannen en nauwelijks in staat haar aandacht te richten op andere onderwerpen dan de dreigende terugkeer en lag de focus weer op stabilisatie.
Cliënte geeft aan zich opnieuw zeer onveilig te voelen bij de gedachte aan terugkeer naar Frankrijk, mede gezien haar voorgeschiedenis van huiselijk geweld, seksuele mishandeling, bedreigingen en eergerelateerde problematiek. Tijdens de gesprekken heeft cliënte meermaals aangegeven suïcidale gedachten te ervaren wanneer zij nadenkt over een mogelijke terugkeer aan Frankrijk. Hoewel (nog) geen sprake is van een concreet plan of directe intentie, duiden deze uitspraken op ernstige wanhoop en een hoge mate van psychische nood. Om deze reden wordt de psychische draagkracht van cliënte
nauwlettend gemonitord."
(…)
"Binnen de behandeling werd aanvankelijk toegewerkt om EMDR in te zetten. Tijdens de sessies is echter gebleken dat cliënte momenteel onvoldoende stabiel is om traumaverwerking te kunnen starten, ondanks herhaaldelijke pogingen. De actuele juridische onzekerheid, de voortdurende gevoelens van dreiging en de ernstige psychische ontregeling maken dat traumagerichte behandeling op dit moment niet haalbaar wordt geacht."
(…)
12. Eiseres heeft terecht aangevoerd dat deze informatie relevant is voor de beoordeling of het beginsel van non-refoulement aan de overdracht in de weg staat. Door het advies dat verweerder vraagt aan BMA en het beperkte onderzoek dat daardoor wordt verricht komt aan deze objectieve medische informatie evenwel geen enkel gewicht toe.
13. De rechtbank overweegt dan ook dat verweerder door dit BMA-advies aan zijn (aanvullende) terugkeerbesluit ten grondslag te leggen niet de volledige weerslag en dus niet alle gevolgen van het overdrachtsbesluit heeft betrokken bij de vaststelling van zijn terugkeerbesluit. Deze vaststelling leidt zelfstandig tot de conclusie dat het (aanvullende) overdrachtsbesluit moet worden vernietigd.
14. De rechtbank overweegt verder dat verweerder ten onrechte de gezondheidssituatie van de kinderen buiten beschouwing heeft gelaten bij de beoordeling van het refoulementrisico. Dat BMA uitsluitend om advies hoeft te worden gevraagd als sprake is van een actieve behandeling van medische klachten is onverenigbaar met artikel 4 van Pro het Handvest. Zoals hiervoor overwogen is artikel 4 Handvest Pro een algemene regeling en vereist het refoulementverbod een beoordeling van alle feiten en omstandigheden die mogelijk tot een reëel en voorzienbaar risico op schending van artikel 4 Handvest Pro leiden. Indien objectieve medische informatie wordt overgelegd waaruit blijkt van ernstige medische en/of psychische problematiek en wordt aangenomen dat de overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van deze problematiek leidt, zal verweerder moeten nagaan of de gezondheidssituatie in de weg staat aan de overdracht. Eiseres heeft met stukken onderbouwd daar haar 13-jarige zoon op 28 mei 2026 een ‘shock’ heeft gehad en in verband hiermee meerdere uren op de Spoedeisende Hulp van het Leids Universitair Medisch Centrum heeft verbleven. Tevens is onderbouwd dat de kindercardioloog, die de 7-jarige dochter van eiseres behandelt, heeft vastgesteld dat deze dochter last heeft van hartkloppingen die worden gerelateerd aan psychische problematiek en deze 7-jarige dochter samen met eiseres een intake heeft gehad bij Family Supporters Rijnland. Deze 7-jarige dochter is thans nog onder behandeling van de psycholoog van Family Supporters Rijnland.
15. In de aanvullende gronden van 8 juli 2026 heeft de gemachtigde van eiseres het GZA-medisch dossier van deze 13-jarige zoon overgelegd waarin op 3 juli 2026 onder meer het navolgende is vermeld:
(…)
"Last van hoofdpijn, met name als hij aan het spelen is of druk bezig geweest. Als hij uit school komt is dat ook het geval. Nu is het er een klein beetje. Zijn eigenlijk geen dagen dat hij geen last heeft. Hoofdpijn was eerder mild, maar zijn nu steeds erger geworden. Als hij erge hoofdpijn heeft wordt hij duizelig en begint hij wazig te zien. Kan nu ook niet helemaal scherp zien en soms brandt het achter zijn ogen. Slaapt niet goed. Is veel aan het nadenken. Maakt zich zorgen om zijn moeder. Voelt zich verantwoordelijk voor haar. Ziet haar regelmatig huilen en dat vindt hij moeilijk. Is bang om terug te moeten naar zijn vroegere leven en daar is moeder ook bang voor."
(…)
16. De rechtbank overweegt dat verweerder deze medische informatie over twee kinderen had moeten betrekken bij de beoordeling wat de weerslag van de overdracht op deze kinderen zal zijn om zo elke twijfel weg te kunnen nemen dat de overdracht een reëel risico op schending van artikel 4 van Pro het Handvest tot gevolg zal hebben. Verweerder heeft de gevolgen van de overdracht voor de gezondheid van de kinderen ten onrechte niet betrokken bij de refoulementbeoordeling. Deze vaststelling leidt zelfstandig tot de conclusie dat het (aanvullende) overdrachtsbesluit moet worden vernietigd.
17. De rechtbank concludeert dus dat de overdracht om meerdere (zelfstandige) redenen moet worden verboden. Dit betekent dat in wezen niet beoordeeld hoeft te worden of verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik maakt van zijn bevoegdheid om de asielaanvraag onverplicht te behandelen en of deze beoordeling evident onredelijk is. De rechtbank zal daarom volstaan met het maken van enkele overwegingen ten overvloede over deze (deel-)beslissing van verweerder.
18. De rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, heeft in haar uitspraak van 23 maart 2026 uitgebreid gemotiveerd waarom het eerste overdrachtsbesluit ten aanzien van artikel 17, eerste lid, van Verordening 604/2013 in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.
19. Door een overdrachtsbesluit te nemen geeft verweerder uitvoering aan het Unierecht. Dit betekent dat verweerder niet alleen gehouden is aan de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag Inzake de Rechten van het Kind, maar ook gebonden is aan het Handvest. Artikel 24, tweede lid, van het Handvest bepaalt dat bij alle handelingen in verband met kinderen, ongeacht of deze worden verricht door overheidsinstanties of particuliere instellingen, de belangen van het kind een essentiële overweging vormen. Verweerder heeft in deze procedure, hoewel verweerder niet ter zake deskundig is, afgezien van het laten verrichten van onderzoek naar het belang van de kinderen van eiseres. Verweerder dient daarom terughoudend te zijn in het (zelf) beoordelen wat ‘het belang van het kind’ is. Dit geldt ook voor de rechtbank, die ook geen specifieke deskundigheid heeft ten aanzien van het belang van het kind en meer in bijzonder het welbevinden en de ontwikkeling van het kind. De rechtbank kan wel vaststellen dat verweerder zich geen enkele rekenschap heeft gegeven van het gevolg van de overdracht voor de behandelingen die de kinderen thans ondergaan. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de 13-jarige zoon en de 7-jarige dochter van eiser thans worden behandeld vanwege medische en psychische problematiek. Verweerder mag er weliswaar van uitgaan dat vergelijkbare behandelingen in Frankrijk aanwezig zullen zijn, maar het onderbreken van dergelijke behandeling zal onvermijdelijk tot een vertraging leiden. Gelet op de ernst van de medische en psychische problematiek van deze twee kinderen komt het de rechtbank voor dat deze vertraging minst genomen onwenselijk is, maar wellicht ook schadelijk is voor de gezondheid en het welbevinden van de kinderen en daarmee indruist tegen het belang van het kind. Verweerder dient zich tevens in het algemeen er rekenschap van te geven dat indien hij het belang van het kind moet beoordelen, hij niet steevast bij wijze van uitgangspunt kan volstaan met de beoordeling of de ouder kan worden overgedragen en in aanvulling daarop te overwegen dat het in het belang van het kind is om bij deze ouder te blijven. Omdat het belang van het kind gelet op artikel 24, tweede lid, van het Handvest een essentiële beoordeling moet zijn in zijn besluitvorming, zou verweerder een grondigere invulling geven aan deze verplichting door allereerst te beoordelen wat het belang van de kinderen van eiseres is en of het belang van deze kinderen zich niet verzet tegen de overdracht aan Frankrijk. De rechtbank wijst er hierbij op dat eiseres drie jonge kinderen heeft en dat haar 13-jarige zoon en haar 7-jarige dochter met forse medische en psychische problematiek kampen. Indien de overdracht van deze kinderen aan Frankrijk indruist tegen hun belang, volgt reeds daaruit dat eiseres ook niet kan worden overgedragen omdat het belang van het kind, zoals verweerder terecht heeft benoemd -in beginsel- zal meebrengen en zoals de Uniewetgever ook heeft bedoeld, dat kinderen en hun ouders bij elkaar blijven. Lidstaten zijn dan ook verplicht om dit te bewerkstelligen.
20. Dat het onderbreken van een behandeling moet worden betrokken bij de beoordeling of de overdracht van onevenredige hardheid getuigt geldt overigens ook met betrekking tot de gezondheidssituatie van eiseres. In de aanvullende gronden van 12 juni 2026 is ook met stukken onderbouwd dat eiseres behandeld wordt bij de Sanctuary Kliniek en in de aanvullende gronden van 8 juli 2026 is met stukken onderbouwd dat aan eiseres is voorgeschreven om medicatie tegen angststoornissen te gebruiken en dat dit slechts in lage dosering kan omdat zij op 20 augustus 2026 een endoscopie zal laten verrichten en de psychiater die eiseres behandelt de uitkomst daarvan wil afwachten alvorens de dosering te verhogen. Op 3 augustus 2026 heeft eiseres een tussentijdse afspraak bij de Sanctuary Kliniek om de traumabehandeling na de diagnostische fase op te starten.
21. De rechtbank wijst er verder op dat verweerder geloofwaardig heeft geacht dat eiseres in Frankrijk slachtoffer is geworden van huiselijk geweld door haar echtgenoot. De overweging dat eiseres in Frankijk (ook) bescherming kan vragen en kan krijgen, miskent de ernst van de risico’s die slachtoffers van huiselijk geweld lopen, welke risico’s zeer frequent tot herhaald geweld leiden ondanks dat bescherming wordt gevraagd. Eiseres heeft niet verklaard dat haar echtgenoot haar en haar kinderen inmiddels in Nederland heeft weten te traceren. Verweerder had zich er meer rekenschap van moeten geven dat de vrees van eiseres om wederom slachtoffer van huiselijk geweld te worden, ook indien verweerder die vrees als subjectief zou aanmerken, een impact heeft op de gezondheid en het welbevinden van eiseres en deze vrees dus moet worden betrokken bij de beoordeling of overdracht van onevenredige hardheid getuigt.
22. De rechtbank is bekend met de wijze waarop de Afdeling beoordeelt hoe de rechterlijke controle van het niet onverplicht behandelen van een asielaanvraag moet plaatsvinden. De rechtbank wijst in dit verband op de gemotiveerde uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3293) waarin de uitvoerig gemotiveerde uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 februari 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:1693, na de tussenuitspraak van 16 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:10961) is vernietigd op dit punt. De rechtbank overweegt dat indien de rechtbank in de onderhavige procedure zou hebben moeten beoordelen of de beroepsgrond van eiseres die betrekking heeft op artikel 17, eerste lid, van Verordening 604/2013 zou slagen, de rechtbank tot de conclusie zou komen dat deze grond slaagt. Verweerder heeft op dit punt onvoldoende uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 23 maart 2026. Verweerder heeft in zijn (aanvullende) terugkeerbesluit namelijk alle aangedragen feiten en omstandigheden die het verzoek van eiseres om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid onvoldoende in onderlinge samenhang beoordeeld en de rechtbank zou hebben geconcludeerd dat de beslissing van verweerder dat de overdracht niet van onevenredige hardheid getuigt onredelijk is. De rechtbank zou daarmee noch feitelijk, noch juridisch, haar eigen oordeel in de plaats hebben gesteld van het oordeel van verweerder, maar zich hebben beperkt tot een terughoudende toetsing van de beslissing van verweerder om geen gebruik te maken van de hem toekomende discretionaire bevoegdheid die is neergelegd in artikel 17, eerste lid, van Verordening 604/2013 en het beleid dat verweerder op grond van deze bepaling voerde.
23. De rechtbank concludeert dat het beroep gegrond is. De rechtbank zal de overdracht verbieden en het (aanvullende) overdrachtsbesluit vernietigen. Verweerder zal wederom opnieuw moeten beslissen op de asielaanvraag die eiseres op 6 oktober 2025 mede namens haar kinderen heeft ingediend. De rechtbank zal verweerder niet opdragen om de aanvraag in de nationale procedure te behandelen omdat de overdrachtstermijn nog niet is verstreken. De rechtbank realiseert zich dat de resterende initiële overdrachtstermijn te gering is om een nieuw overdrachtsbesluit te nemen. Met absolute zekerheid valt ten tijde van het bekendmaken van deze uitspraak echter niet uit te sluiten dat zich feiten en omstandigheden zullen voordoen die een verlenging van de overdrachtstermijn rechtvaardigen.
24. De rechtbank verklaart het beroep dus gegrond en zal daarom een proceskostenveroordeling uitspreken. De rechtbank kent hiervoor 3 punten toe (1 punt voor het indienen van beroep, 1 punt voor de zitting van 2 juni 2026, 0,5 punt voor de gronden na het aanvullende besluit en 0,5 punt voor de nadere zitting op 9 juli 2026) en zal een bedrag van € 2.802,- als hoogte van de proceskostenveroordeling vaststellen.
25. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het overdrachtsbesluit van 7 mei 2026, zoals aangevuld op 17 juni 2026:
  • draagt verweerder op om opnieuw te beslissen op de asielaanvraag van eiseres;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van M.M.P. van Diepen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 13 juli 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.