Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag van 28 november 2024 om toetsing aan het EU-recht als familielid van een burger van de Unie. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister ondanks verzoeken niet binnen twee weken heeft beslist.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Omdat de minister geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd, legt de rechtbank een termijn van acht weken op waarbinnen de minister alsnog een besluit moet nemen. Dit is een langere termijn dan de standaard twee weken, vanwege de bekende achterstanden bij de minister.
De bestuurlijke dwangsom is afgeschaft voor ingebrekestellingen na 15 april 2025, maar de rechtbank legt een rechterlijke dwangsom op van € 100 per dag met een maximum van € 15.000 bij overschrijding van de termijn. Daarnaast moet de minister de proceskosten van eiser vergoeden, inclusief het griffierecht van € 194 en een bedrag van € 467 voor de door eiser gemaakte kosten.