ECLI:NL:RBDHA:2026:19641

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
NL23.26024
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbRichtlijn 2001/55/EGECLI:NL:RVS:2025:1829ECLI:NL:RVS:2025:1827ECLI:NL:RVS:2025:1836
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep tegen terugkeerbesluit op grond van Richtlijn Tijdelijke Bescherming

Eiser, een Libische nationaliteit dragende derdelander, verbleef rechtmatig in Nederland op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming vanwege zijn verblijf in Oekraïne bij het begin van de invasie. Verweerder legde meerdere terugkeerbesluiten op, waarvan het laatste op 20 oktober 2025. Eiser stelde dat het terugkeerbesluit in strijd was met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.

De rechtbank overwoog dat de hoogste bestuursrechter in uitspraken van 23 april 2025 en 17 januari 2024, alsmede het arrest Kaduna van het Hof van Justitie van de EU, heeft geoordeeld dat de facultatieve tijdelijke bescherming voor derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne op 4 maart 2024 eindigde. Vanaf die datum kon verweerder bevoegd terugkeerbesluiten opleggen.

De rechtbank concludeerde dat het terugkeerbesluit van 20 oktober 2025 rechtsgeldig is genomen en dat de bezwaren van eiser niet slagen. Het beroep is daarom ongegrond verklaard. Omdat verweerder het eerdere besluit had ingetrokken, werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser ad € 934,-.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit van 20 oktober 2025 is ongegrond verklaard en verweerder is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.26024

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. W.N. van der Voet),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het aan hem opgelegde terugkeerbesluit.
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 15 augustus 2023 aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft tegen die beschikking beroep ingesteld. Vervolgens heeft verweerder het besluit van 15 augustus 2023 ingetrokken en op 7 februari 2024 opnieuw een terugkeerbesluit opgelegd aan eiser.
1.2.
Op 14 maart 2024 heeft deze rechtbank een voorlopige voorziening getroffen [1] met de strekking dat het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 wordt geschorst en eiser niet uitgezet mag worden totdat op het beroep is beslist.
1.3.
Op 20 oktober 2025 heeft verweerder ook het besluit van 7 februari 2024 ingetrokken en aan eiser opnieuw een terugkeerbesluit opgelegd. Verweerder heeft daarbij bepaald dat eiser Nederland binnen vier weken moet verlaten. Het al ingestelde beroep heeft van rechtswege mede betrekking op dit nieuwste terugkeerbesluit. [2]
2. Omdat het beroep kennelijk ongegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Awb maakt dat mogelijk. De rechtbank legt hierna uit waarom het beroep kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1997 en heeft de Libische nationaliteit. Eiser verbleef op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne op het moment dat de invasie van Oekraïne door de Russische strijdkrachten begon. Tot 4 maart 2024 heeft eiser rechtmatig verblijf in Nederland gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. [3]
4. Verweerder heeft aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd op 15 augustus 2023 en dit besluit vervolgens ingetrokken. Daarna heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd op 7 februari 2024 en dit vervolgens vervangen met een nieuw terugkeerbesluit op 20 oktober 2025. Redengevend voor de intrekkingen was dat eiser op 15 augustus 2023 en 7 februari 2024 nog rechtmatig verblijf had op grond van de facultatieve tijdelijke bescherming.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert aan het in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel om een terugkeerbesluit aan hem op te leggen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De hoogste bestuursrechter heeft in haar uitspraken van 23 april 2025, [4] geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. Dit betekent dat zij vanaf 4 maart 2024 geen recht hebben op verblijf in Nederland op grond van de Richtlijn. De hoogste bestuursrechter is tot deze uitspraken gekomen onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 17 januari 2024 [5] en naar het arrest Kaduna en Abkez [6] van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
7. Uit de uitspraken van de hoogste bestuursrechter en het arrest Kaduna en Abkez volgt ook dat verweerder geen terugkeerbesluit kan opleggen wanneer een vreemdeling (nog) rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Dat geldt ook voor de situatie waarin een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming. De hoogste bestuursrechter heeft daarom geoordeeld dat de minister deze derdelanders vóór 4 maart 2024 niet mocht opdragen om de Europese Unie te verlaten door middel van het opleggen van een terugkeerbesluit.
8. Gelet op de voorgaande jurisprudentie is de rechtbank van oordeel dat verweerder op 20 oktober 2025 bevoegd was om aan eiser een terugkeerbesluit op te leggen. Eisers betoog dat het opleggen van het terugkeerbesluit in strijd was met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, slaagt niet. Eiser heeft na het opleggen van het terugkeerbesluit van 20 oktober 2025 geen argumenten meer aangevoerd die maken dat dit terugkeerbesluit geen stand kan houden.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Het terugkeerbesluit van 20 oktober 2025 is op goede gronden genomen. Er zijn geen belangen gesteld of gebleken die aanleiding geven tot een beoordeling van de ingetrokken terugkeerbesluiten als bedoeld in artikel 6:19, zesde lid, van de Awb.
9.1.
Nu verweerder het besluit waartegen eiser beroep had ingesteld, heeft ingetrokken, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in het vergoeden van de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 934,-. [7]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.NL23.26025.
2.Op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
4.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829, ECLI:NL:RVS:2025:1827 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32.
6.Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038.
7.1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.