ECLI:NL:RBDHA:2026:19643

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
NL25.30804
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 Vw 2000Art. 29 Vw 2000Art. 15c Kwalificatierichtlijn 2011/95/EUArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag Jemenitische asielzoeker wegens onvoldoende motivering willekeurig geweld

Eiser, een Jemenitische asielzoeker afkomstig uit een strategisch belangrijke provincie, vreesde vervolging vanwege zijn militaire dienst en desertie, en een verhoogd risico op willekeurig geweld door de Houthi’s. De minister van Asiel en Migratie wees zijn aanvraag af, stellende dat er geen concreet risico was op vervolging of willekeurig geweld.

De rechtbank oordeelde dat eiser nog procesbelang had ondanks vertrek met onbekende betrekking. De rechtbank stelde vast dat de minister het besluit onvoldoende had gemotiveerd, met name ten aanzien van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn over willekeurig geweld en de humanitaire situatie veroorzaakt door strijdende partijen.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg de minister op een nieuw besluit te nemen waarin ook individuele omstandigheden en de gevolgen voor artikel 3 EVRM Pro worden betrokken. Tevens veroordeelde de rechtbank de minister in de proceskosten van eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens onvoldoende motivering over het risico op willekeurig geweld en draagt een nieuw besluit op.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.30804

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Akhiat),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 7 september 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 12 juni 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. [1]
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Jemenitische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2004. Hij komt uit de provincie [provincie] . Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Allereerst vreest hij voor de onveilige situatie in Jemen vanwege de oorlog. Eiser heeft daarnaast in militaire dienst gezeten in een administratieve rol. Omdat hij Jemen heeft verlaten terwijl hij nog in dienst was, zal hij worden gezien als deserteur en daarom problemen krijgen met de internationaal erkende regering. Daarnaast zal eiser door de Houthi’s als doelwit worden gezien vanwege zijn werkzaamheden voor het leger van de regering en omdat ook zijn vader heeft gewerkt voor de regering.
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; en
dat eiser in militaire dienst heeft gezeten.
4. Verweerder heeft in het bestreden besluit eerst beoordeeld of eisers asielmotieven geloofwaardig zijn. Verweerder vindt beide asielmotieven geloofwaardig. Verweerder heeft vervolgens beoordeeld of eiser daarom een gegronde vrees heeft voor vervolging [2] of een reëel risico op ernstige schade [3] loopt bij terugkeer naar Jemen. Volgens verweerder is dat niet het geval. Eiser heeft namelijk geen problemen te verwachten met de internationaal erkende regering omdat er geen verplichte dienstplicht is en omdat er geen concrete aanwijzingen zijn dat eiser persoonlijk risico loopt. Ook dat eiser problemen zou krijgen met de Houthi’s is niet aannemelijk, omdat er geen aanwijzingen zijn dat eiser in hun negatieve aandacht staat en omdat het herkomstgebied van eiser onder controle van de regering staat. Volgens verweerder heeft eiser tot slot niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege persoonlijke omstandigheden een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. [4]
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst volgt uit de uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 16 juli 2025 [5] dat verweerder zijn beleid over de situatie van willekeurig geweld niet voldoende heeft gemotiveerd. Daarnaast is het onlogisch dat verweerder verwacht dat eiser onderbouwt waarom hij specifiek een groter risico dan anderen zou lopen op willekeurig geweld. Verweerder mocht eisers vrees vanwege zijn desertie niet onaannemelijk vinden. Eiser zal bij terugkeer als landverrader worden gezien, ongeacht of er sprake is van een dienstplicht.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Procesbelang
7. Omdat eiser in de beroepsfase met onbekende betrekking (MOB) is vertrokken, ziet de rechtbank zich allereerst voor de vraag gesteld of hij nog belang heeft bij de behandeling van zijn beroep. De gemachtigde van eiser heeft op 22 juni 2026 aangegeven dat zij nog contact heeft met eiser, dat eiser bij een vriend verblijft en dat hij nog altijd internationale bescherming wil. Verweerder heeft niet bestreden dat eiser procesbelang heeft. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser nog belang heeft bij zijn beroep en dat het beroep ontvankelijk is.
De situatie van willekeurig geweld in Jemen
8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser terecht betoogd dat verweerder het bestreden besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd wat betreft artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Verweerder heeft namelijk de humanitaire omstandigheden als direct of indirect gevolg van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in zijn beoordeling onvoldoende in kaart gebracht. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de Houthi’s de oorlog bewust gebruiken om de humanitaire situatie verslechteren. Verweerder heeft echter onvoldoende gemotiveerd hoe dit wordt meegewogen in zijn beoordeling en hoe groot het aandeel is van de Houthi’s dan wel van andere strijdende partijen in de huidige humanitaire situatie. Dit is te meer van belang omdat [provincie] van groot strategisch belang is voor de strijdende partijen en er daarom veel gevechten plaatsvinden. Kortheidshalve verwijst de rechtbank naar de uitspraak van haar meervoudige kamer. [6]
9. Het beroep is alleen al vanwege het voorgaande gegrond. De rechtbank komt daarom niet toe aan de andere gronden van eiser. Verweerder zal opnieuw moeten beslissen op de asielaanvraag van eiser. In dat besluit zal verweerder moeten betrekken of voor eiser individuele omstandigheden (moeten) gelden die maken dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van het willekeurige geweld. Ook zal verweerder moeten beoordelen wat de gevolgen van eisers situatie zijn voor een beoordeling in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak.
10.1.
Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,-. [7]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 12 juni 2025;
  • draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
2.Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
3.Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.
4.In de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (de Kwalificatierichtlijn).
5.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.
6.Zie uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag, van 14 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9143.
7.1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.