ECLI:NL:RBDHA:2026:19744

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
11802924 MB VERZ 25-21210
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WahvArt. 3:1 AwbArt. 3:4 AwbArt. 9 WahvReglement verkeersregels en verkeerstekens 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen boete negeren geslotenverklaring motorvoertuigen niet-ontvankelijk wegens motiveringsgebrek officier van justitie

De betrokkene kreeg op 13 november 2024 een boete van €120 opgelegd wegens het negeren van een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen (bord C12) met uitzondering voor bestemmingsverkeer. De betrokkene stelde dat hij bestemmingsverkeer was omdat hij rozen wilde kopen bij een tuinplantage, maar kon dit niet aannemelijk maken.

De betrokkene voerde administratief beroep in tegen de boete en stelde onder meer dat de indexering van de boetetarieven per 1 maart 2024 met 10% onrechtmatig was en dat de verhoging teruggedraaid moest worden. De officier van justitie verklaarde het beroep ongegrond, maar ging niet inhoudelijk in op de motivering tegen de indexering.

De kantonrechter oordeelt dat het bord C12 ter plaatse duidelijk aanwezig was en dat de betrokkene onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bestemmingsverkeer was. De verhoging van de boetetarieven met 10% wordt geacht niet onrechtmatig te zijn, mede gelet op jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

De beslissing van de officier van justitie wordt echter vernietigd wegens een motiveringsgebrek, omdat niet adequaat is ingegaan op de bezwaren tegen de indexering. De kantonrechter neemt zelf de beoordeling over en verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond, maar wijst het administratief beroep tegen de boete ongegrond. Een verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie wordt gegrond verklaard en vernietigd, maar het administratief beroep tegen de boete wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Gouda
CJIB-nummer: 270109259
Registratienummer team straf: 11802924 MB VERZ 25-21210
Uitspraakdatum : 14 juli 2026
Beslissing van de kantonrechter, tevens houdende het opgemaakte proces-verbaal van de zitting
in de zaak van
[betrokkene]
wonende dan wel gevestigd te: [woonplaats]
[adres 1], nader ook te noemen: de betrokkene.
Gemachtigde: N.G.A. Voorbach (Verkeersboete.nl)

Het verloop van de procedure

Aan de betrokkene is op 13 november 2024 een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: Wahv). De betrokkene heeft daartegen op 11 december 2024 administratief beroep ingesteld bij de officier van justitie. De gemachtigde is op 24 maart 20255 fysiek gehoord. De officier van justitie heeft het beroep bij beslissing van 28 maart 2025 ongegrond verklaard. Bij brief van 4 april 2025 is aangegeven hoe tegen die beslissing beroep kan worden ingesteld. Tegen de beslissing is op 29 april 2025 beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 10 juli 2026. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. De betrokkene is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

Overwegingen

Verkeersboete
Het gaat om een boete van € 120,00 (exclusief administratiekosten) terzake feitcode R559, het negeren van een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen negeren (bord C12), op 5 november 2024 omstreeks 08:31 uur aan de [straatnaam] te [plaats].
Volgens de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in het dossier staat ter plaatste een bord C12, het ronde, witte bord met een rode rand waarop in het wit een auto en een motorfiets zijn afgebeeld, voorzien van een onderbord met de tekst: “Uitgezonderd bestemmingsverkeer”. De verbalisant heeft de betrokkene, bestuurder van een personenauto, staandegehouden ter controle van de naleving van het verbod en, na verlening van de cautie, de betrokkene horen zeggen
“Ik ging rozen halen. Mijn bestemming was rozentuinder. Hoe noem je zo iemand?”De verbalisant heeft daarop een boete aangezegd, kennelijk oordelend dat de betrokkene geen bestemmingsverkeer was en dus het verbod aangeduid door bord C12 overtrad.
Beroepsgronden en standpunten
In administratief beroep is de gedraging in algemene bewoordingen ontkend en daarbij meer in het bijzonder aangevoerd dat niet is voldaan aan de vereisten voor digitale handhaving uit het Beleidskader digitale handhaving en dat de indexering van de boetetarieven per 1 maart 2024 met 10% onrechtmatig is, en dat de verhoging van het boetetarief met 10% moet worden teruggedraaid, danwel dat de tariefstijging slechts 4,3% mag bedragen. Dit laatste bezwaar is onderbouwd met een citaat van de Raad van State dat adviseert om in de toelichting van de verhoging een dragende motivering op te nemen waarom de verhoging noodzakelijk en proportioneel is, of, als dat niet mogelijk is, om van de verhoging af te zien. Ook wordt verwezen naar een aangenomen motie van het kamerlid El Abassi. Ook vraagt de betrokkene om een proceskostenvergoeding.
Bij de fysieke hoorzitting is door de gemachtigde naar voren gebracht dat de betrokkene betwist dat de juiste bebording was aangebracht. Uit het dossier blijkt niet dat de bebording toen is gecontroleerd. Op de vraag van de beoordelaar waarom er niet van mag worden uitgegaan dat de aanwezige verbalisant het bord niet heeft gezien, als hij ter plaatste een boete oplegt, wordt geantwoord:
“geen aanvulling”. Hetzelfde wordt geantwoord op de vraag waar de locatie was van de rozentuinder naar wie de betrokkene had gezegd onderweg te zijn. Ook wordt gereageerd dat er
“geen aanvulling”is op de vraag of de gemachtigde een termijn wil krijgen om bij de betrokkene daarover navraag te doen. Ook op de vraag waarom geklaagd wordt over het niet-naleven van het Beleidskader digitale handhaving als geen sprake is van digitale handhaving is het antwoord:
“geen aanvulling”. Met betrekking tot de indexering van de boete per 1 maart 2024 wordt gevraagd op welke verdragsbepalingen het beroep op “verdragsbepalingen” ziet. Ook hierop is het antwoord:
“geen aanvulling”.
De officier van justitie heeft het administratief beroep ongegrond verklaard en daartoe overwogen dat uit vaste jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden blijkt (onder meer ECLI:NL:GHARL:2025:1803) dat aangenomen mag worden dat de verbalisant die ter plekke was de bebording heeft gecontroleerd op de deugdelijke aanwezigheid. Op de vraag waarom de bebording niet deugdelijk aanwezig zou zijn is niet geantwoord. Het verweer is daarmee onvoldoende aannemelijk gemaakt. Omtrent het sanctietarief overweegt de officier van justitie dat dit door de minister van Justitie en Veiligheid is vastgesteld in de bijlage van de Wahv en landelijk geldt.
“De gedraging is begaan en de verbalisant heeft terecht een sanctie opgelegd. Alleen in uitzonderlijke gevallen zal de officier van justitie ervoor kiezen een terecht opgelegde sanctie alsnog te vernietigen of het sanctiebedrag te matigen. De omstandigheden die worden genoemd geven de officier van justitie onvoldoende aanleiding om de beschikking te vernietigen of het sanctietarief te matigen.”
In het beroepschrift voor de kantonrechter, met name in de aanvulling van 6 augustus 2025 op het pro-formaberoepschrift, is aangevoerd dat de betrokkene niet ontkent dat een geslotenverklaring is genegeerd maar dat de betrokken daarvoor niet strafbaar is, omdat uit een bijgesloten foto blijkt dat de geslotenverklaring niet geldt voor bestemmingsverkeer. Bijgesloten is een foto van een bord C12 met het bewuste onderbord, het beweerdelijk ter plaatse staande bord. In de aanvulling van 8 juli 2026 meldt de gemachtigde dat de betrokkene, toen hij zich bij hem meldde voor bijstand, het volgende heeft verklaard:
“Het betreft een weg uitsluitend voor bestemmingsverkeer. Ik moest daar zijn om rozen te kopen. Helaas waren de rozen uitverkocht, hierdoor ben ik vanaf de bestemming weggereden zonder rozen. Hierna werd ik aangehouden door de politie, die aangaf dat ik het niet kon bewijzen en een boete uitschreef.”De gemachtigde heeft een foto van Google Streetview bijgesloten van [adres 2] uit oktober 2022 van een totaal verlaten terrein van een kwekerij, en gesteld dat hier tuinplantage [bedrijfsnaam] is gelegen, waar de betrokkene zou zijn geweest voor het kopen van rozen. Ook is in de aanvulling van 8 juli 2026 naar voren gebracht dat de verhogingen van de boetetarieven per 1 maart 2024 in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel. De gemachtigde verwijst in dit verband naar de uitspraken van kantonrechters in de rechtbank Midden-Nederland van 30 juni 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:3707) en 1 juli 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:3889). Het boetebedrag moet volgens de gemachtigde worden teruggebracht naar dat van voor 1 maart 2024.
De vertegenwoordiger van de officier van justitie heeft ter zitting voorgesteld het beroep ongegrond te verklaren. De vertegenwoordiger van de officier van justitie heeft daartoe in het bijzonder aangevoerd dat het verhaal dat geprobeerd zou zijn rozen te kopen bij [bedrijfsnaam] maar dat de rozen uitverkocht waren, niet aannemelijk is gemaakt. Los van de vraag of in november rozen geplukt worden, blijkt bij raadpleging van het internet dat aan de weg van de pleeglocatie [bedrijfsnaam] is gevestigd en dat bedrijf volgens zijn website tuinplanten kweekt en niet rechtsreeks aan particulieren verkoopt. Wat de indexering van boetebedragen per 1 maart 2024 betreft stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het arrest van 31 juli 2025 (ECLI:NL:2025:4719) deze indexering met 10% mede ten behoeve van de financiële taakstelling van de overheid niet als onrechtmatig heeft beoordeeld. Of het tarief onevenredig is, is een vraag waarover de officier van justitie geen standpunt wil innemen.
De kantonrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten en bepaald dat hij op 14 juli 2026 uitspraak zal doen.
Oordeel
Het beroep is ongegrond.
Daartoe overweegt de kantonrechter het volgende.
Uit wat de verbalisant naar voren heeft gebracht in samenhang met wat de betrokkene naar voren heeft gebracht, is voldoende komen vast te staan dat er plaatse een duidelijk geplaatst bord C12 staat dat een geslotenverklaring aanduidt voor alle motorvoertuigen. De betrokkene is daar rijdend aangetroffen en is dus in beginsel in overtreding.
Volgens het onderbord geldt het verbod niet voor bestemmingsverkeer.
Volgens artikel 1 aanhef Pro en onder e, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 wordt onder bestemmingsverkeer verstaan:
“bestuurders wier reisdoel één of meer bepaalde percelen betreft die zijn gelegen aan of in de directe nabijheid van een weg met een door verkeerstekens aangegeven geslotenverklaring voor bepaalde categorieën bestuurders en die slechts via deze weg zijn te bereiken alsmede bestuurders van lijnbussen.”
Dat zich de uitzonderingssituatie van het zijn van bestemmingsverkeer voordoet is aan de betrokkene om te stellen en aannemelijk te maken.
De betrokkene heeft tijdens de staandehouding verklaard dat hij rozen ging kopen, en dit in zijn beroep aangevuld met de stelling dat dit bij “tuinplantage [bedrijfsnaam]” was en dat de rozen uitverkocht waren en dat de verbalisant aangaf dat de betrokkene dat niet kon bewijzen. De kantonrechter overweegt dat de betrokkene toen kennelijk niet heeft aangeboden samen naar dat bedrijf te gaan voor een bevestiging. Hij heeft hierover in elk geval niets gesteld. Evenmin heeft de betrokkene op enig later moment een bevestiging van dat bedrijf opgevraagd, gekregen en overgelegd. De betrokkene heeft ook voldoende ruim gelegenheid gehad om aan de hand van een getuigenverklaring zijn stelling nader te onderbouwen, maar hij heeft daarvan kennelijk geen gebruik willen maken. Bovendien heeft de officier van justitie onweersproken ter zitting gesteld dat het bedrijf [bedrijfsnaam] niet aan rechtsreeks aan particulieren verkoopt. Daar past niet bij dat het bedrijf aan de betrokkene gezegd zou hebben dat de rozen uitverkocht waren. Nu de betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij toen ter tijd bestemmingsverkeer was, kan de gedraging worden vastgesteld en is terecht een boete opgelegd.
Wat de indexering van de boetetarieven met 10% per 1 maart 2025 betreft heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 31 juli 2025 (ECLI:NL:2025:4719) het volgende overwogen:
9. Het hof stelt voorop dat de rechter bij de toetsing van een algemeen verbindend voorschrift aan algemene rechtsbeginselen niet tot taak heeft om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. De intensiteit van de rechterlijke beoordeling is afhankelijk van onder meer de beslissingsruimte die het vaststellend orgaan heeft, gelet op de aard en de inhoud van de vaststellingsbevoegdheid en de daarbij te betrekken belangen. De beoordeling kan materieel terughoudend zijn bij feitelijke of technische complexiteit van de materie of als bij het nemen van de beslissing politiek-bestuurlijke afwegingen kunnen worden of zijn gemaakt. Wat de in acht te nemen belangen en de weging van belangen betreft, geldt dat de beoordeling intensiever kan zijn naarmate het algemeen verbindende voorschrift meer ingrijpt in het leven van de belanghebbende(n) en daarbij fundamentele rechten aan de orde zijn.
10. In de onderhavige zaak beschikt de regelgever, gelet op de in overweging 5. genoemde artikelen van de Wahv, over een ruime beslissingsruimte. Er geldt een maximum voor de hoogte van het vast te stellen sanctiebedrag, maar voor het overige zijn in de tekst van de wet geen beperkingen vastgelegd.
11. Bij de vaststelling van de hoogte van het sanctiebedrag kunnen, zoals hier ook daadwerkelijk het geval is geweest, politiek-bestuurlijke afwegingen een rol spelen. Het gaat voorts om sanctiebedragen die in het algemeen niet kunnen worden beschouwd als ingrijpend in het leven van de betrokkenen. Dit brengt mee dat de intensiteit waarmee het hof dient te toetsen gering is.
12. Het hof heeft in zijn arrest van 21 juni 2016 overwogen dat uit de totstandkomings-geschiedenis van de Wahv kan worden afgeleid dat bij de vaststelling, bij algemene maatregel van bestuur, van de hoogte van het sanctietarief de ernst van het feit een factor is die van belang is, maar dat niet kan worden geoordeeld dat andere factoren daarbij geen rol mogen spelen, in het bijzonder dat niet kan worden vastgesteld dat de wetgever heeft beoogd de bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen wijzigingen van de hoogte van het sanctiebedrag te beperken tot een periodieke aanpassing aan de consumentenprijsindex en de afstemming van het boetebedrag aan de hand van de ernst van de gedraging in vergelijking tot soortgelijke feiten. De financiële taakstelling van de overheid kan een factor zijn die een rol mag spelen bij de vaststelling van de hoogte van de sanctietarieven.
13. Uit het voorgaande volgt dat niet kan worden geoordeeld dat om reden dat de financiële taakstelling van de overheid bij de onderhavige verhoging van het sanctietarief een rol heeft gespeeld, gehandeld is in strijd met het verbod van détournement de pouvoir of met het specialiteitsbeginsel. Het hof neemt daarbij ook in aanmerking dat bij de totstandkoming van het Besluit oog is geweest voor de (negatieve) gevolgen voor de betrokkenen.
14. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van het Besluit blijkt evenwel niet dat de regelgever heeft beoordeeld of het (uiteindelijk) vastgestelde sanctiebedrag, waarin meegenomen de verhoging in verband met de financiële taakstelling van de overheid, nog evenredig is. Vastgesteld moet worden dat het Besluit in dit opzicht niet berust op een deugdelijke motivering.
15. Gelet op hetgeen hierboven onder 8. is overwogen dient het hof, met in achtneming van hetgeen onder 9., 10. en 11. is overwogen, te beoordelen of het bedrag van de hier opgelegde sanctie van € 160,- voor de onderhavige gedraging niet onevenredig is.
16. Het evenredigheidsbeginsel brengt mee dat bij de bepaling van de hoogte van de sanctie uitgangspunt is dat deze in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de gedraging, waarbij doel van de sanctie is het sanctioneren van strafwaardig gedrag en het dienen van de belangen waartoe de in artikel 2, eerste lid, van de Wahv genoemde regelgeving strekt, zoals de belangen genoemd in artikel 2 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
Het gerechtshof heeft recent, op 19 juni 2026, nogmaals geoordeeld (ECLI:NL:GHARL:2026:4078) over het toepasselijk zijn van het evenredigheidsbeginsel bij een op grond van de Wahv op te leggen boete naast het mogen toetsen van de hoogte van de boete door de kantonrechter aan de hand van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b Wahv. Het hof overweegt in dit verband:
7. Bij de beoordeling van de hoogte van de opgelegde sanctie is van belang dat de rechter de door de regelgever voor de verrichte gedraging bepaalde hoogte van de sanctie exceptief kan toetsen aan geschreven of ongeschreven hoger recht. Tot het hoger recht waaraan kan worden getoetst behoort onder andere het evenredigheidsbeginsel. Het evenredigheidsbeginsel is opgenomen in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb en houdt in dat de voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. In artikel 3:1 van Pro de Awb is bepaald dat op besluiten, inhoudende algemeen verbindende voorschriften, afdeling 3.2 slechts van toepassing is, voor zover de aard van de besluiten zich daartegen niet verzet. Artikel 3:4, tweede lid, van de Awb valt onder deze afdeling.
8. De aard van het Besluit 2023 verzet zich niet tegen toepassing van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Dat het Besluit 2023 dient bij te dragen aan de doelstellingen van de Wahv ontslaat de regelgever niet van de verplichting om bij de bepaling van de hoogte van het sanctietarief voor een gedraging het evenredigheidsbeginsel in acht te nemen. Dit beginsel brengt mee dat bij de bepaling van de hoogte van de sanctie uitgangspunt is dat deze in redelijke verhouding staat tot de aard en ernst van de gedraging waarbij doel van de sanctie is het sanctioneren van strafwaardig gedrag en het dienen van de belangen waartoe de in artikel 2, eerste lid, van de Wahv genoemde regelgeving strekt. Indien de regelgever deze verplichting in acht neemt, is van verzwaring van de werklast van openbaar ministerie en rechterlijke macht geen sprake en kunnen de officier van justitie en de rechter uitgaan van de door de regelgever vastgestelde tarieven.
9. Voor zover de officier van justitie van opvatting is dat de rechter de hoogte van de sanctie slechts mag toetsen aan artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv en daarbij dient uit te gaan van het door de regelgever bepaalde sanctietarief, vindt deze opvatting derhalve geen steun in het recht. De rechter kan, ook bij de toetsing aan deze bepaling, beoordelen of de door de regelgever bepaalde hoogte van de sanctie evenredig is.
De kantonrechter sluit zich aan bij de overwegingen van het gerechtshof in beide arresten.
De kantonrechter ziet in de uitspraken van de aangehaalde kantonrechters in Midden-Nederland geen aanleiding voor een ander oordeel. De disbalans in de tarieven die die kantonrechters vaststellen is er een die mede politiek-bestuurlijk gemotiveerd is, en over die motivering komt de kantonrechter naar zijn oordeel, gelet op de ruimte die de Wahv de minister bij het vaststellen van de tarieven biedt en gelet op de relatief geringe hoogte van de boetes in de Wahv, slechts met grote terughoudendheid beoordelingsruimte toe. Overigens heeft inmiddels ook een andere kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland de lijn van zijn collega’s niet gevolgd (uitspraak van 3 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3945).
De conclusie van de kantonrechter is dan ook dat de indexering met 10% per 1 maart 2024 in beginsel niet onrechtmatig is. En naar het oordeel van de kantonrechter is een sanctiebedrag van € 120,- voor het als bestuurder van een motorrijtuig negeren van een geslotenverklaring aangeduid door bord C12 niet onevenredig. Het sanctiebedrag staat in redelijke verhouding tot de aard en de ernst van de gedraging.
De betrokkene heeft verder geen feiten of omstandigheden aangevoerd die maken dat op de voet van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv, het bedrag van de opgelegde sanctie lager moet worden vastgesteld en deze zijn de kantonrechter ook anderszins niet gebleken. De bezwaren van de betrokkene tegen de hoogte van de opgelegde sanctie treffen derhalve geen doel.
Wel stelt de kantonrechter vast dat de officier van justitie – door in het geheel niet in te gaan op de onderbouwde motivering van het aangevoerde bezwaar tegen de indexering met 10% maar in plaats daarvan niet veel meer aan te voeren dan dat het boetetarief door de minister is vastgesteld en landelijk geldt – niet op deugdelijke wijze op de door de betrokkene aangevoerde bezwaren is ingegaan. Dit brengt mee dat de beslissing van de officier van justitie wegens een motiveringsgebrek moet worden vernietigd en de kantonrechter zal doen wat de officier van justitie had behoren te doen.
Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter beslissen als hierna vermeld.
Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.

Beslissing

De kantonrechter:
- verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt deze;
- verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
- wijst af het verzoek om een proceskostenvergoeding;
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.C. Berg, kantonrechter, bijgestaan door
M. Sardjoe, griffier en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem – Leeuwarden.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Den Haag, Team Straf en dient door degene die het beroep heeft ingesteld of door zijn gemachtigde te zijn ondertekend.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht.
Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.