ECLI:NL:RBDHA:2026:19745

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
11810521 MB VERZ 25-21232
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wegenverkeerswet 1994Art. 2, eerste lid, WahvArt. 3:1 AwbArt. 3:4, tweede lid, AwbArt. 9, tweede lid, aanhef en onder b, Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling evenredigheid en rechtmatigheid van boete voor stilstaan op trottoir

Betrokkene kreeg op 19 november 2024 een boete van €120 opgelegd wegens stilstaan op het trottoir, voetpad of fietspad. Hij stelde administratief beroep in, dat door de officier van justitie ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de kantonrechter, die de zaak op 10 juli 2026 behandelde.

De betrokkene voerde aan dat de boete onrechtmatig was vanwege de indexering van boetetarieven met 10% per 1 maart 2024 en dat de verhoging onevenredig was. Ook stelde hij dat zijn auto kapot was en het stilstaan op het trottoir de enige veilige optie was, maar dit werd niet onderbouwd met bewijs. De officier van justitie stelde zich op het standpunt dat de boete terecht was opgelegd en dat de indexering niet onrechtmatig was.

De kantonrechter oordeelde dat de gedraging vaststond en dat het verhaal van betrokkene niet aannemelijk was. De kantonrechter sloot zich aan bij eerdere jurisprudentie dat de indexering van boetetarieven met 10% niet onrechtmatig is en dat het sanctiebedrag van €120 niet onevenredig is. Wel werd geoordeeld dat de officier van justitie onvoldoende op de bezwaren tegen de indexering was ingegaan, waardoor diens beslissing werd vernietigd. Het beroep tegen de boete werd ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie wordt gegrond verklaard en vernietigd, het administratief beroep tegen de boete wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Gouda
CJIB-nummer: 270225594
Registratienummer team straf: 11810521 MB VERZ 25-21232
Uitspraakdatum : 14 juli 2026
Beslissing van de kantonrechter, tevens houdende het opgemaakte proces-verbaal van de zitting
in de zaak van
[betrokkene]
wonende dan wel gevestigd te: [woonplaats]
[adres], nader ook te noemen: betrokkene.
Gemachtigde: N.G.A. Voorbach (Verkeersboete.nl)

Het verloop van de procedure

Aan de betrokkene is bij beschikking gedateerd 19 november 2024 een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: Wahv). De betrokkene heeft daartegen op 15 november 2024 administratief beroep ingesteld bij de officier van justitie. De gemachtigde is op 23 april 2025 fysiek gehoord. De officier van justitie heeft het beroep bij beslissing van 24 april 2025 ongegrond verklaard. Bij brief van 1 mei 2025 is aangegeven hoe tegen die beslissing beroep kan worden ingesteld. Tegen de beslissing is op 6 mei 2025 beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De zaak is behandeld op de zitting van 10 juli 2026. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Betrokkene is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

Overwegingen

Verkeersboete
Het gaat om een boete van 19 november 2024 van € 120,00 (exclusief administratiekosten) terzake feitcode R315B, stilstaan op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken) op 25 oktober 2024 omstreeks 17:04 uur, op de [straatnaam] te [plaats], met de auto met kenteken [kenteken].
In het dossier bevindt zich de verklaring van de verbalisant in het zaakdossier dat hij de auto met twee wielen op het trottoir ziet staan, en daarbij geen persoon aantreft en geen ontheffing in het voertuig ziet.
Beroepsgronden en standpunten
In administratief beroep is erover geklaagd dat niet duidelijk is of het om een trottoir of een voetgangerszone met bord G7 gaat. Ook is naar voren gebracht dat de indexering van de boetetarieven per 1 maart 2024 met 10% onrechtmatig is, en dat de verhoging van het boetetarief met 10% moet worden teruggedraaid, danwel dat de tariefstijging slechts 4,3% mag bedragen. Dit laatste bezwaar is onderbouwd met een citaat van de Raad van State dat adviseert om in de toelichting van de verhoging een dragende motivering op te nemen waarom de verhoging noodzakelijk en proportioneel is, of, als dat niet mogelijk is, om van de verhoging af te zien. Ook wordt verwezen naar een aangenomen motie van het kamerlid El Abassi. Ook vraagt de betrokkene om een proceskostenvergoeding. Bij de hoorzitting is naar voren gebracht dat de gedraging niet is vast te stellen.
De officier van justitie heeft het administratief beroep ongegrond verklaard en daartoe overwogen dat met name uit de foto’s blijkt dat de gedraging is begaan. Omtrent het sanctietarief overweegt de officier van justitie:
”Het sanctietarief is door de minister van Justitie en Veiligheid vastgesteld in de bijlage bij de Wahv en geldt landelijk. Omdat de sanctietarieven landelijk zijn vastgesteld, wordt hier niet van afgeweken.”
In het beroepschrift voor de kantonrechter, met name in de aanvulling van 8 juli 2026, wordt aangevoerd dat de betrokkene bij het aanmelden van zijn zaak aan de gemachtigde het volgende heeft laten weten:
“Me auto was kapot. Ik heb hem op de stoep kunnen krijgen en was hulp aan het halen. De auto op de stoep plaatsen was de enige veilige optie op dat moment ik had mijn gevarenlichten aan. Toen ik hulp had gehaald zag ik dat ik een boete had gekregen. Tot de dag van vandaag is me auto nog bij de garage. De DSG bak is kapot en de koppeling. Ik kan hiervan ook bewijs leveren.”
De gemachtigde concludeert dat sprake is van het ontbreken van schuld en verwijtbaarheid en hij bepleit daarom de sanctie te matigen tot nihil.
Ook is in de aanvulling van 8 juli 2026 naar voren gebracht dat de verhogingen van de boetetarieven per 1 maart 2024 in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel. De gemachtigde verwijst in dit verband naar de uitspraken van kantonrechters in de rechtbank Midden-Nederland van 30 juni 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:3707) en 1 juli 2026 (ECLI:NL:RBMNE:2026:3889). Het boetebedrag moet volgens de gemachtigde worden teruggebracht naar dat van voor 1 maart 2024.
De vertegenwoordiger van de officier van justitie heeft ter zitting voorgesteld het beroep ongegrond te verklaren. De vertegenwoordiger van de officier van justitie heeft daartoe in het bijzonder aangevoerd dat het verhaal van de betrokkene door hem niet is onderbouwd aan de hand van bijvoorbeeld een factuur van de reparatie van de auto. Het verhaal wordt bovendien eerst in beroep bij de kantonrechter naar voren gebracht.
Wat de indexering van boetebedragen per 1 maart 2024 betreft stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het arrest van 31 juli 2025 (ECLI:NL:2025:4719) deze indexering met 10% mede ten behoeve van de financiële taakstelling van de overheid niet als onrechtmatig heeft beoordeeld. Of het tarief onevenredig is, is een vraag waarover de officier van justitie geen standpunt wil innemen.
De kantonrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten en bepaald dat hij op 14 juli 2026 uitspraak zal doen.
Oordeel
Het beroep is ongegrond.
Daartoe overweegt de kantonrechter het volgende.
Uit wat de verbalisant heeft verklaard en op grond van de foto’s kan worden vastgesteld dat de gedraging is begaan. Het verhaal over het kapot zijn gegaan van de auto en dat het op de stoep plaatsen van de auto nog maar de enige veilige optie was, is niet onderbouwd, terwijl dat wel verwacht mag worden te kunnen door bijvoorbeeld een rekening van de reparatie over te leggen. Het verhaal is bovendien pas in beroep bij de kantonrechter naar voren gebracht, terwijl het ook niet past bij het eerste verweer dat in het administratief beroep naar voren was gebracht dat niet duidelijk was of de auto op een trottoir of in een voetgangersgebied met bord G7 zou hebben gestaan. Dat was de betrokkene kennelijk heel goed duidelijk. Hoe dat ook zij, het pechgeval en dus het ontbreken van schuld is volstrekt niet aannemelijk gemaakt. Ten overvloede overweegt de kantonrechter nog het volgende. Het verhaal van de betrokkene lijkt verzonnen. Uit het dossier blijkt immers dat de betrokkene ook in de [straatnaam] in [plaats] woont, oftewel bij de pleeglocatie. Vergelijking van de foto’s van de verbalisant met foto’s op Google Streetview leert dat de auto van de betrokkene schuin aan de overkant van de eigen woning staat. Uit de foto’s in het dossier blijkt dat op dat moment aan de kant van de eigen woning geen parkeerruimte meer was. Omdat de straat nogal smal is, is kennelijk tegenover de eigen woning half op de stoep geparkeerd. Terecht is dus een boete opgelegd.
Wat de indexering van de boetetarieven met 10% per 1 maart 2025 betreft heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 31 juli 2025 (ECLI:NL:2025:4719) het volgende overwogen:
9. Het hof stelt voorop dat de rechter bij de toetsing van een algemeen verbindend voorschrift aan algemene rechtsbeginselen niet tot taak heeft om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. De intensiteit van de rechterlijke beoordeling is afhankelijk van onder meer de beslissingsruimte die het vaststellend orgaan heeft, gelet op de aard en de inhoud van de vaststellingsbevoegdheid en de daarbij te betrekken belangen. De beoordeling kan materieel terughoudend zijn bij feitelijke of technische complexiteit van de materie of als bij het nemen van de beslissing politiek-bestuurlijke afwegingen kunnen worden of zijn gemaakt. Wat de in acht te nemen belangen en de weging van belangen betreft, geldt dat de beoordeling intensiever kan zijn naarmate het algemeen verbindende voorschrift meer ingrijpt in het leven van de belanghebbende(n) en daarbij fundamentele rechten aan de orde zijn.
10. In de onderhavige zaak beschikt de regelgever, gelet op de in overweging 5. genoemde artikelen van de Wahv, over een ruime beslissingsruimte. Er geldt een maximum voor de hoogte van het vast te stellen sanctiebedrag, maar voor het overige zijn in de tekst van de wet geen beperkingen vastgelegd.
11. Bij de vaststelling van de hoogte van het sanctiebedrag kunnen, zoals hier ook daadwerkelijk het geval is geweest, politiek-bestuurlijke afwegingen een rol spelen. Het gaat voorts om sanctiebedragen die in het algemeen niet kunnen worden beschouwd als ingrijpend in het leven van de betrokkenen. Dit brengt mee dat de intensiteit waarmee het hof dient te toetsen gering is.
12. Het hof heeft in zijn arrest van 21 juni 2016 overwogen dat uit de totstandkomings-geschiedenis van de Wahv kan worden afgeleid dat bij de vaststelling, bij algemene maatregel van bestuur, van de hoogte van het sanctietarief de ernst van het feit een factor is die van belang is, maar dat niet kan worden geoordeeld dat andere factoren daarbij geen rol mogen spelen, in het bijzonder dat niet kan worden vastgesteld dat de wetgever heeft beoogd de bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen wijzigingen van de hoogte van het sanctiebedrag te beperken tot een periodieke aanpassing aan de consumentenprijsindex en de afstemming van het boetebedrag aan de hand van de ernst van de gedraging in vergelijking tot soortgelijke feiten. De financiële taakstelling van de overheid kan een factor zijn die een rol mag spelen bij de vaststelling van de hoogte van de sanctietarieven.
13. Uit het voorgaande volgt dat niet kan worden geoordeeld dat om reden dat de financiële taakstelling van de overheid bij de onderhavige verhoging van het sanctietarief een rol heeft gespeeld, gehandeld is in strijd met het verbod van détournement de pouvoir of met het specialiteitsbeginsel. Het hof neemt daarbij ook in aanmerking dat bij de totstandkoming van het Besluit oog is geweest voor de (negatieve) gevolgen voor de betrokkenen.
14. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van het Besluit blijkt evenwel niet dat de regelgever heeft beoordeeld of het (uiteindelijk) vastgestelde sanctiebedrag, waarin meegenomen de verhoging in verband met de financiële taakstelling van de overheid, nog evenredig is. Vastgesteld moet worden dat het Besluit in dit opzicht niet berust op een deugdelijke motivering.
15. Gelet op hetgeen hierboven onder 8. is overwogen dient het hof, met in achtneming van hetgeen onder 9., 10. en 11. is overwogen, te beoordelen of het bedrag van de hier opgelegde sanctie van € 160,- voor de onderhavige gedraging niet onevenredig is.
16. Het evenredigheidsbeginsel brengt mee dat bij de bepaling van de hoogte van de sanctie uitgangspunt is dat deze in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de gedraging, waarbij doel van de sanctie is het sanctioneren van strafwaardig gedrag en het dienen van de belangen waartoe de in artikel 2, eerste lid, van de Wahv genoemde regelgeving strekt, zoals de belangen genoemd in artikel 2 van Pro de Wegenverkeerswet 1994.
Het gerechtshof heeft recent, op 19 juni 2026, nogmaals geoordeeld (ECLI:NL:GHARL:2026:4078) over het toepasselijk zijn van het evenredigheidsbeginsel bij een op grond van de Wahv op te leggen boete naast het mogen toetsen van de hoogte van de boete door de kantonrechter aan de hand van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b Wahv. Het hof overweegt in dit verband:
7. Bij de beoordeling van de hoogte van de opgelegde sanctie is van belang dat de rechter de door de regelgever voor de verrichte gedraging bepaalde hoogte van de sanctie exceptief kan toetsen aan geschreven of ongeschreven hoger recht. Tot het hoger recht waaraan kan worden getoetst behoort onder andere het evenredigheidsbeginsel. Het evenredigheidsbeginsel is opgenomen in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb en houdt in dat de voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. In artikel 3:1 van Pro de Awb is bepaald dat op besluiten, inhoudende algemeen verbindende voorschriften, afdeling 3.2 slechts van toepassing is, voor zover de aard van de besluiten zich daartegen niet verzet. Artikel 3:4, tweede lid, van de Awb valt onder deze afdeling.
8. De aard van het Besluit 2023 verzet zich niet tegen toepassing van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Dat het Besluit 2023 dient bij te dragen aan de doelstellingen van de Wahv ontslaat de regelgever niet van de verplichting om bij de bepaling van de hoogte van het sanctietarief voor een gedraging het evenredigheidsbeginsel in acht te nemen. Dit beginsel brengt mee dat bij de bepaling van de hoogte van de sanctie uitgangspunt is dat deze in redelijke verhouding staat tot de aard en ernst van de gedraging waarbij doel van de sanctie is het sanctioneren van strafwaardig gedrag en het dienen van de belangen waartoe de in artikel 2, eerste lid, van de Wahv genoemde regelgeving strekt. Indien de regelgever deze verplichting in acht neemt, is van verzwaring van de werklast van openbaar ministerie en rechterlijke macht geen sprake en kunnen de officier van justitie en de rechter uitgaan van de door de regelgever vastgestelde tarieven.
9. Voor zover de officier van justitie van opvatting is dat de rechter de hoogte van de sanctie slechts mag toetsen aan artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv en daarbij dient uit te gaan van het door de regelgever bepaalde sanctietarief, vindt deze opvatting derhalve geen steun in het recht. De rechter kan, ook bij de toetsing aan deze bepaling, beoordelen of de door de regelgever bepaalde hoogte van de sanctie evenredig is.
De kantonrechter sluit zich aan bij de overwegingen van het gerechtshof in beide arresten.
De kantonrechter ziet in de uitspraken van de aangehaalde kantonrechters in Midden-Nederland geen aanleiding voor een ander oordeel. De disbalans in de tarieven die die kantonrechters vaststellen is er een die mede politiek-bestuurlijk gemotiveerd is, en over die motivering komt de kantonrechter naar zijn oordeel, gelet op de ruimte die de Wahv de minister bij het vaststellen van de tarieven biedt en gelet op de relatief geringe hoogte van de boetes in de Wahv, slechts met grote terughoudendheid beoordelingsruimte toe. Overigens heeft inmiddels ook een andere kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland de lijn van zijn collega’s niet gevolgd (uitspraak van 3 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3945).
De conclusie van de kantonrechter is dan ook dat de indexering met 10% per 1 maart 2024 in beginsel niet onrechtmatig is. En naar het oordeel van de kantonrechter is een sanctiebedrag van € 120,- voor het stilstaan op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken) niet onevenredig. Het sanctiebedrag staat in redelijke verhouding tot de aard en de ernst van de gedraging.
De betrokkene heeft verder geen feiten of omstandigheden aangevoerd die maken dat op de voet van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv, het bedrag van de opgelegde sanctie lager moet worden vastgesteld en deze zijn de kantonrechter ook anderszins niet gebleken. De bezwaren van de betrokkene tegen de hoogte van de opgelegde sanctie treffen derhalve geen doel.
Wel stelt de kantonrechter vast dat de officier van justitie – door in het geheel niet in te gaan op de onderbouwde motivering van het aangevoerde bezwaar tegen de indexering met 10% maar in plaats daarvan niet veel meer aan te voeren dan dat het boetetarief door de minister is vastgesteld en landelijk geldt – niet op deugdelijke wijze op de door de betrokkene aangevoerde bezwaren is ingegaan. Dit brengt mee dat de beslissing van de officier van justitie wegens een motiveringsgebrek moet worden vernietigd en de kantonrechter zal doen wat de officier van justitie had behoren te doen.
Gelet op het voorgaande zal de kantonrechter beslissen als hierna vermeld.
Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.

Beslissing

De kantonrechter:
- verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt deze;
- verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
- wijst af het verzoek om een proceskostenvergoeding;
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.C. Berg, kantonrechter, bijgestaan door
M. Sardjoe, griffier en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem – Leeuwarden.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Den Haag, Team Straf en dient door degene die het beroep heeft ingesteld of door zijn gemachtigde te zijn ondertekend.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht.
Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.