ECLI:NL:RBDHA:2026:19768

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
17 juli 2026
Zaaknummer
12172991 \ RP VERZ 26-50436
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:686a lid 9 BWArt. 7:671b lid 1 sub a BWArt. 99 RvArt. 100 RvArt. 74 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheidsgeschil over ontbinding arbeidsovereenkomst bij Odido Netherlands B.V.

Odido Netherlands B.V. verzocht de kantonrechter te Den Haag om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [partij B] zonder opzegtermijn of vergoeding. [partij B] voerde verweer en stelde dat de kantonrechter te Den Haag niet bevoegd was omdat hij zijn werkzaamheden hoofdzakelijk in de regio [regio] verrichtte, niet in Den Haag.

Tijdens de mondelinge behandeling werd de relatieve bevoegdheid besproken. Uit de feiten bleek dat [partij B] gemiddeld 80% van zijn werktijd in de regio [regio] werkte en slechts 20% in Den Haag, voornamelijk voor vergaderingen. De vermelding van Den Haag als standplaats in de arbeidsovereenkomst en andere administratieve feiten konden dit niet veranderen.

De kantonrechter oordeelde dat Den Haag niet de plaats was waar de arbeid hoofdzakelijk werd verricht in de zin van artikel 100 Rv Pro. Daarom verklaarde hij zich onbevoegd en verwees de zaak naar de kantonrechter te Utrecht, locatie van de rechtbank Midden-Nederland, als bevoegde rechter.

Uitkomst: De kantonrechter te Den Haag verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de kantonrechter te Utrecht.

Uitspraak

RECHTBANK

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats 's-Gravenhage
PV/bc
Zaaknummer / rekestnummer: 12172991 \ RP VERZ 26-50436
Beschikking van 16 juli 2026
in de zaak van
ODIDO NETHERLANDS B.V.,
gevestigd te ‘s-Gravenhage,
verzoekende partij in het verzoek,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: Odido,
gemachtigde: mr. M.C. van Deventer,
tegen
[partij B],
wonende te [woonplaats] ,
verwerende partij in het verzoek,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [partij B] ,
gemachtigde: mr. M.J. van Basten Batenburg.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Odido heeft de kantonrechter bij verzoekschrift met producties 1 tot en met 63, dat op 7 april 2026 ter griffie is ingekomen, verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden zonder inachtneming van de opzegtermijn en zonder toekenning van enige vergoeding.
1.2.
[partij B] heeft op 26 juni 2026 een verweerschrift met een zelfstandig tegenverzoek en exceptie van onbevoegdheid met producties 1 tot en met 13 ingediend.
1.3.
[partij B] heeft op 6 juli 2026 aanvullende productie 14 in het geding gebracht. Odido heeft op 7 juli 2026 aanvullende producties 64 tot en met 66 ingediend.
1.4.
De mondelinge behandeling is gehouden op 9 juli 2026. De mondelinge behandeling is beperkt gebleven tot de bespreking van de vraag naar de relatieve bevoegdheid. De door de gemachtigden van partijen overgelegde pleitaantekeningen zijn slechts voorgedragen voor zover deze op dat onderwerp betrekking hebben. Partijen hebben de vragen van de kantonrechter beantwoord en hebben vervolgens op elkaars standpunten kunnen reageren. De griffier heeft van het verhandelde ter zitting aantekeningen gemaakt.
1.5.
Nadat de behandeling ter zitting geschorst is geweest voor beraad over de bevoegdheidsvraag, heeft de kantonrechter partijen meegedeeld zich onbevoegd te zullen verklaren om van de zaak kennis te nemen. Vervolgens is bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.

2.Het geschil over de bevoegdheidsvraag

2.1.
Odido stelt dat de kantonrechter te Den Haag bevoegd is, omdat [partij B] zijn arbeid gewoonlijk in Den Haag verrichtte.
2.2.
[partij B] betwist dat hij zijn werkzaamheden gewoonlijk in Den Haag verrichtte. Hij voert aan dat hij voor zijn (gedeeltelijke) uitval wegens ziekte als [functie] [regio] leiding gaf aan vijftien vestigingen van Odido in de regio [plaats] . Volgens [partij B] is de plaats waar hij gewoonlijk arbeid verrichtte daarom niet Den Haag, maar [regio] . [partij B] verzoekt daarom om de zaak te verwijzen naar de kantonrechter te Utrecht.

3.De beoordeling

3.1.
Artikel 7:686a lid 9 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat verzoeken op grond afdeling 9 van Titel 10 van Boek 7 BW worden gedaan aan de ingevolge de artikelen 99, 100 en 107 tot en met 109 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bevoegde kantonrechter.
3.2.
Odido verzoekt om ontbinding van de arbeidsovereenkomst van [partij B] op grond van artikel 7:671b lid 1 sub a BW. Artikel 99 Rv Pro doet voor de beoordeling van de vraag of de zaak moet worden verwezen naar de rechtbank [regio] , locatie Utrecht, niet ter zake. Odido heeft in haar reactie op het bevoegdheidsverweer van [partij B] immers niet gesteld dat als verwijzing aan de orde zou zijn, toepassing moet worden gegeven aan artikel 99 lid 1 Rv Pro, op grond waarvan gelet op de woonplaats van [partij B] , [woonplaats] , de kantonrechter bij de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, relatief bevoegd zou zijn. De artikelen 107 tot en met 109 Rv missen in dit geval eveneens toepassing.
3.3.
De vraag welke rechter relatief bevoegd is, dient daarom te worden beantwoord aan de hand van de bevoegdheidsregel van artikel 100 Rv Pro, waarop [partij B] zich in dit geval beroept. Artikel 100 Rv Pro bepaalt dat bevoegd is de rechtbank van de plaats waar de arbeid gewoonlijk wordt of laatstelijk gewoonlijk werd verricht. Deze plaats dient aan de hand van de feitelijke omstandigheden van het geval te worden bepaald. Aan de term 'gewoonlijk' moet de betekenis van 'hoofdzakelijk' (meestal of in hoofdzaak) worden toegekend.
3.4.
Tussen partijen staat vast dat [partij B] voor zijn uitval in zijn functie van [functie] [regio] leiding gaf aan vijftien filialen van Odido in de regio [regio] . Deze functie bekleedde hij vanaf 1 maart 2021. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Odido toegelicht dat [partij B] als [functie] (gemiddeld) vier van zijn vijf werkdagen per week werkzaam was op de filialen in regio [regio] , dan wel vanuit huis werkte en dat hij één dag per week (dinsdag) aanwezig moest zijn op het hoofdkantoor van Odido in Den Haag voor vergaderingen met de overige [functie] en zijn leidinggevende. [partij B] heeft dit bevestigd en onweersproken gesteld dat de vergaderingen op dinsdag ook regelmatig digitaal plaatsvonden, in welke gevallen hij in het geheel niet in Den Haag werkzaam was.
3.5.
Uit deze feiten en omstandigheden volgt dat [partij B] zijn werk grotendeels (gemiddeld ongeveer 80% van zijn werktijd) in de regio [regio] verrichtte en slechts voor een beperkt deel in Den Haag (gemiddeld ongeveer 20% van zijn werktijd). Op grond hiervan oordeelt de kantonrechter dat Den Haag niet de plaats is waar de arbeid hoofdzakelijk werd verricht in de zin van 100 Rv.
3.6.
Het feit dat in de arbeidsovereenkomst van [partij B] Den Haag als standplaats is vermeld, doet aan het voorgaande niet af. De door Odido in dit verband aangehaalde uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 26 oktober 2021 (ECLI:NLRBMNE:2021:5142) is niet met deze zaak vergelijkbaar, omdat in die zaak de werknemer aanvankelijk wel grotendeels werkzaam was geweest op de in de arbeidsovereenkomst genoemde standplaats. Ook de door Odido aangevoerde feiten dat [partij B] in zijn digitale handtekening het adres van het hoofdkantoor van Odido in Den Haag vermeldt, dat hij in twee processen-verbaal van aangifte tegen voormalig collega’s heeft verklaard werkzaam te zijn als [functie] "
bij een groot telecombedrijf in Den Haag" en dat in die processen-verbaal het adres van Odido in Den Haag als plaats delict is opgenomen, leiden niet tot een ander oordeel. Deze feiten laten immers onverlet dat Den Haag niet de plaats is waar [partij B] zijn werkzaamheden in de praktijk gewoonlijk verrichtte.
3.7.
Dat [partij B] in het verleden werkzaam is geweest als [functie] in de regio Den Haag, leidt er evenmin toe dat de kantonrechter te Den Haag relatief bevoegd is, nu bepalend is waar de arbeid gewoonlijk wordt of laatstelijk werd verricht. Odido heeft ook niet inzichtelijk gemaakt dat [partij B] , als zou worden uitgegaan van de duur van zijn gehele dienstverband bij Odido, hoofdzakelijk in de regio Den Haag werkzaam is geweest. Van belang in dat kader is dat vast staat dat [partij B] gedurende zijn dienstverband in ieder geval ook werkzaam is geweest als [functie] in de regio Amsterdam.
3.8.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de kantonrechter te Den Haag niet bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Op grond van de artikelen 100 en 74 Rv zal de zaak worden verwezen naar de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht als de bevoegde rechter.

4.De beslissing

De kantonrechter:
4.1.
verklaart zich onbevoegd van het verzoek kennis te nemen;
4.2.
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt naar de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, team kanton.
Deze beschikking is gegeven door kantonrechter mr. S.L.M. Staals en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.